ECLI:NL:RBROT:2026:2326

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
8 maart 2026
Zaaknummer
12081583 VV EXPL 26-57
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 algemene huurvoorwaardenArt. 6:265 BWArt. 233 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming toegewezen wegens ontbreken hoofdverblijf in sociale huurwoning

Stichting Hef Wonen vordert ontruiming van een sociale huurwoning omdat de huurder, sinds april 2024, niet meer in de woning verblijft en daarmee haar hoofdverblijf heeft opgegeven. De huurder is veroordeeld tot een gevangenisstraf en verblijft sindsdien in het buitenland, waardoor zij niet in vrijheid kan terugkeren naar Nederland.

De kantonrechter stelt vast dat de huurder al bijna drie jaar niet meer in de woning woont en dat de gemeente haar heeft uitgeschreven op het adres. De huurder heeft onvoldoende onderbouwd dat zij haar hoofdverblijf niet heeft opgegeven en dat zij de woning wil behouden. Gezien de ernst van de tekortkoming is het aannemelijk dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden.

De kantonrechter veroordeelt de huurder tot ontruiming binnen drie dagen na betekening van het vonnis en tot betaling van de huur vanaf februari 2026 tot de ontruiming. De proceskosten worden eveneens aan de huurder opgelegd. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege het grote belang van Hef Wonen bij het behoud van sociale huurwoningen.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen drie dagen en betaling van huur en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12081583 VV EXPL 26-57
datum uitspraak: 5 maart 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Hef Wonen,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.J. Lichtenveldt,
tegen
[gedaagde],
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedaagde,
gemachtigde: mr. Y. Benjamins.
De partijen worden ‘Hef Wonen’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 5 februari 2026, met bijlagen 1 tot en met 9;
  • de spreekaantekeningen van [gedaagde] .
1.2.
Op 19 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting met partijen besproken. Namens Hef Wonen was daarbij aanwezig een sociaal beheerder, een ambtenaar van de gemeente Rotterdam en de heer [naam] (hierna: [naam] ), criminoloog/hulpofficier van justitie, bijgestaan door mr. R.H. Ruysendaal namens de gemachtigde. [gedaagde] is via een Teams-verbinding verschenen, bijgestaan door mr. D.A.M. Blom namens de gemachtigde.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt met ingang van 18 november 2014 van Hef Wonen de woning aan de [adres] in [woonplaats] .
2.2.
Hef Wonen stelt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de op de huurovereenkomst toepasselijke huurvoorwaarden, omdat zij al lange tijd geen gebruik maakt van de woning en zij geen hoofdverblijf heeft in de woning. Hef Wonen eist in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning en betaling van de huur vanaf februari 2026 tot de ontruiming.
2.3.
[gedaagde] is het niet eens met de eis en voert aan dat zij haar hoofdverblijf in de woning niet heeft prijsgegeven en dat zij de woning wil behouden.
2.4.
De kantonrechter wijst de eis van Hef Wonen vrijwel volledig toe. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.
Toetsingskader
2.5.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Hef Wonen heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
[gedaagde] heeft geen hoofdverblijf in de woning
2.6.
[gedaagde] is verplicht om haar hoofdverblijf te hebben in de woning (artikel 12 van Pro de algemene huurvoorwaarden bij de huurovereenkomst). [gedaagde] is bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 12 maart 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaren voor het medeplegen van twee ontploffingen bij woningen, het gebruiken van een vals diploma, het werken in de zorg zonder het vereiste diploma en het voorhanden hebben van een vals rijbewijs. [gedaagde] heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
2.7.
[gedaagde] heeft tijdens de zitting verklaard dat zij voor haar veroordeling ongeveer een jaar in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, dat zij ongeveer zes tot zeven maanden geleden naar Marokko is afgereisd en dat zij daarvoor zeker een paar maanden in Parijs verbleef. [naam] heeft zowel in zijn e-mail van 8 december 2025 als tijdens de zitting verklaard dat uit politieonderzoek blijkt dat [gedaagde] al veel langer, sinds april 2024, niet meer in Nederland verblijft. Gelet hierop had het op de weg van [gedaagde] gelegen om haar stelling dat zij Nederland op een later moment heeft verlaten te onderbouwen. [gedaagde] heeft dat niet gedaan. De kantonrechter gaat er daarom naar voorlopig oordeel vanuit dat [gedaagde] sinds april 2024 in het buitenland verblijft. Dit betekent dat zij (inclusief de tijd dat zij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht) al bijna drie jaar niet meer in de woning verblijft. De gemeente Rotterdam heeft [gedaagde] al uitgeschreven op het adres van de woning. Dat [gedaagde] in Marokko verblijft vanwege medische en psychische problemen, zoals zij heeft gesteld, is op geen enkele wijze aangetoond. Omdat [gedaagde] kort na haar veroordeling Nederland heeft verlaten, is het zeer aannemelijk dat zij is gevlucht. Zij heeft dus welbewust de woning verlaten om in het buitenland te gaan wonen.
2.8.
Verder heeft [naam] tijdens de zitting onweersproken verklaard dat [gedaagde] niet in vrijheid kan terugkeren naar Nederland, omdat zij de door de rechtbank aan de schorsing van de voorlopige hechtenis gestelde voorwaarden heeft overtreden waardoor deze hechtenis weer is bevolen. [gedaagde] heeft ook verklaard dat zij pas na de uitspraak in hoger beroep weer naar Nederland zal terugkeren. Zij is ervan overtuigd dat zij in hoger beroep zal worden vrijgesproken. Er is nog geen zittingsdatum gepland waarop de strafzaak in hoger beroep wordt behandeld, waardoor het volstrekt onduidelijk is of en zo ja wanneer [gedaagde] weer zal terugkeren naar de woning.
2.9.
Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk dat het leven van [gedaagde] zich al lange tijd niet meer afspeelt in en vanuit de woning en dat zij dit heeft verplaatst naar Marokko. De kantonrechter is daarom voorshands van oordeel dat [gedaagde] al langere tijd geen hoofdverblijf meer heeft in de woning en dat er ook geen enkele zekerheid is dat dit ooit wel weer het geval zal zijn.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en de huur betalen
2.10.
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden, omdat de tekortkoming van [gedaagde] ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen (artikel 6:265 BW Pro). Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op de ontbinding en [gedaagde] te veroordelen de woning te ontruimen. Dat moet binnen drie dagen nadat dit vonnis is betekend, zoals door Hef Wonen is gevorderd. De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat de minderjarige dochter van [gedaagde] elders bij haar vader woont.
2.11.
Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] de huur van € 820,49 per maand betalen. Hef Wonen eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.12.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Hef Wonen moet betalen op
€ 171,19 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.319,19. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.13.
Mede gelet op de woningschaarste voor sociale huurwoningen is het voor Hef Wonen van groot belang dat haar huurders hun hoofdverblijf in deze woningen hebben. [gedaagde] houdt zich al lange tijd niet aan deze verplichting. Het belang van Hef Wonen bij ontruiming op basis van dit vonnis weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij behoud van de bestaande situatie totdat op een door haar mogelijk in te stellen hoger beroep is beslist. Daarom wordt dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] in [woonplaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van Hef Wonen te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf de maand februari 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan Hef Wonen te betalen € 820,49 per maand;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Hef Wonen worden begroot op € 1.319,19;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
764