ECLI:NL:RBROT:2026:2342

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/10/706300 / FA RK 25-6817
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:227 BWArt. 1:228 BWArt. 1:230 BWArt. 1:20 lid 1 sub a BWArt. 1:20e lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing stiefouderadoptie wegens afwezigheid biologische vader en belang minderjarigen

De rechtbank Rotterdam behandelde op 9 maart 2026 het verzoek tot stiefouderadoptie van vier minderjarigen door hun moeder en stiefvader. De biologische vader, die geen bekende verblijfplaats heeft, was niet verschenen en heeft het verzoek niet formeel weersproken. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde afwijzing, maar de rechtbank oordeelde anders.

De rechtbank stelde vast dat de moeder en stiefvader sinds juli 2020 samenwonen en gehuwd zijn, waardoor zij ontvankelijk zijn in hun verzoek. De biologische vader heeft al jaren geen contact met de minderjarigen en heeft het gezamenlijk gezag verloren. Hoewel twijfel bestond over de authenticiteit van een e-mail waarin de vader geen bezwaar maakte, bevestigen de overige feiten dat de minderjarigen niets meer van hem te verwachten hebben.

De rechtbank vond de adoptie in het belang van de minderjarigen, die een hechte band met de stiefvader hebben en hem als vaderfiguur zien. De minderjarigen behouden hun geslachtsnaam van de biologische vader. De adoptie wordt pas van kracht na drie maanden indien geen hoger beroep wordt ingesteld. De rechtbank gelastte de ambtenaar van de burgerlijke stand de adoptie te registreren en stuurde een geanonimiseerde versie van de beschikking naar het laatst bekende mailadres van de vader.

Uitkomst: Verzoek tot stiefouderadoptie wordt toegewezen omdat de biologische vader geen contact onderhoudt en de adoptie in het belang van de minderjarigen is.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/706300 / FA RK 25-6817
Beschikking van 9 maart 2026 over adoptie
in de zaak van:
[naam moeder], hierna: de moeder,
en
[naam stiefvader], hierna: de stiefvader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. W. van der Sande te Goes,
hierna samen te noemen: verzoekers.
In deze zaak is belanghebbende:
[naam vader], hierna: de vader,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 8 september 2025;
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 26 januari 2026;
  • het bericht van verzoekers van 4 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 9 februari 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • verzoekers, bijgestaan door hun advocaat;
  • de raad, als adviseur, vertegenwoordigd door [naam].
De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
De twee oudste minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 februari 2020 is tussen de moeder en de vader de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 12 maart 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Uit het huwelijk van de moeder en de vader zijn de volgende minderjarigen geboren:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats 1] en
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats 1] .
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 4 maart 2022 is het gezamenlijk gezag van de vader en de moeder beëindigd en is moeder alleen met het ouderlijk gezag belast.
2.4.
De moeder is op [datum] gehuwd met de stiefvader. Uit dit huwelijk is op [geboortedatum 4] 2021 [minderjarige 5] geboren.
2.5.
De moeder en de stiefvader vormen met de minderjarigen een gezin.

3.De beoordeling

Stiefouderadoptie
3.1.
De moeder en de stiefvader verzoeken primair de stiefouderadoptie van de minderjarigen door hen uit te spreken.
3.2.
De vader heeft het verzoek niet weersproken.
3.3.
De raad adviseert tot afwijzing van het verzoek.
3.4.
Adoptie vindt op grond van artikel 1:227 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) plaats door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van één persoon alleen. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:227 lid 2 BW Pro het verzoek door verzoekers slechts kan worden gedaan, indien zij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd. De rechtbank constateert dat verzoekers in juli 2020 zijn gaan samenwonen en sinds [datum] met elkaar zijn gehuwd. Het verzoek is ingediend op 8 september 2025. Verzoekers zijn daarom ontvankelijk in hun verzoek. De rechtbank komt daarom toe aan een inhoudelijke toetsing. Daarbij is het volgende wettelijk kader van belang.
3.5.
Volgens artikel 1:227 lid 3 BW Pro kan een verzoek tot stiefouderadoptie alleen worden toegewezen als:
deze in het kennelijk belang van de minderjarige is en
op het tijdstip van de adoptie vast staat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat de minderjarige niets meer van zijn biologische vader te verwachten heeft.
Op grond van artikel 1:228 lid 1 BW Pro dient daarnaast aan de navolgende voorwaarden voor adoptie te worden voldaan:
dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaar of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken, hetzelfde geldt indien de rechter is gebleken van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek van een minderjarige die op de dag van het verzoek de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake;
dat het kind niet een kleinkind van een adoptant is;
dat de adoptant of ieder van de adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is;
at geen der ouders het verzoek tegenspreekt;
dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt;
dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en opgevoed;
dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben.
3.6.
In deze procedure is voldoende komen vast te staan dat aan de voorwaarden van artikel 1:228 lid 1 BW Pro is voldaan. Wat betreft de resterende voorwaarden zijn de volgende vragen van belang:
  • staat op dit moment vast en is voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien dat de minderjarigen niets meer van hun biologische vader te verwachten hebben?
  • is de stiefouderadoptie in het belang van de minderjarigen?
3.7.
Wat betreft de eerste vraag is de rechtbank van oordeel dat aan die voorwaarde is voldaan. De vader is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. De raad heeft op 29 december 2025 een e-mailbericht ontvangen dat hij geen bezwaar maakt tegen het adoptieverzoek, omdat hij de minderjarigen al jaren niet heeft gezien en van mening is dat zij beter af zijn bij hun moeder en stiefvader. Destijds heeft hij bewust besloten buiten beeld te treden omdat hij een volstrekt andere visie op opvoeding heeft dan moeder, aldus de vader in zijn e-mail. Met de raad kan de rechtbank echter niet vaststellen dat deze e-mail daadwerkelijk van vader afkomstig is. Hij heeft niet meer gereageerd op het verzoek om zijn identiteit vast te stellen. Daarom kan de rechtbank geen waarde hechten aan dit bericht. Dat neemt niet weg dat de strekking van het bericht aansluit bij de rest van de stukken. Uit het rapport van de raad blijkt dat de moeder al zes jaar geen contact meer met vader heeft en dat hij voor moeder niet bereikbaar is. Sinds 2020 is ook geen sprake meer van enige vorm van contact tussen de vader en de minderjarigen. Tijdens de procedure omtrent beëindiging van het ouderlijk gezag van vader die moeder in 2021 is gestart is vader niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen en heeft hij ook geen verweer gevoerd. Uit de beschikking van deze rechtbank van 4 maart 2022 in die procedure blijkt dat vader al geruime tijd geen invulling geeft aan zijn gezag. Ook is in de beschikking te lezen dat vader in e-mail correspondentie met moeder heeft aangegeven dat hij bereid is mee te werken aan de beëindiging van het gezamenlijk gezag en dat zijn komst naar de rechtbank niets zal toevoegen. Ten slotte is in de Basisregistratie Personen vermeld dat vader per 11 januari 2024 is geëmigreerd. Het is niet duidelijk waar de man nu verblijft.
3.8.
Gelet op het voorgaande constateert de rechtbank dan ook dat vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat de minderjarigen niets meer van hun biologische vader te verwachten hebben.
3.9.
De andere vraag is of de stiefouderadoptie in het belang is van de minderjarigen. De raad vindt in het rapport dat dit momenteel niet het geval is. Daarbij is voor de raad van belang dat zo’n beslissing onherroepelijk is en dat de minderjarigen gelet op hun leeftijd niet kunnen overzien wat dit betekent voor de lange termijn. De rechtbank is echter van oordeel dat de adoptie wel in het kennelijk belang van de minderjarigen is. Uit het rapport van de raad blijkt dat de stiefvader sinds 2019 een relatie met de moeder heeft en dat zij een later in gezinsverband samenleven. De stiefvader heeft een hechte band met de minderjarigen. Zij hebben altijd ervaren dat de stiefvader hun vader is, zien hem als vaderfiguur en noemen hem “pappa”. Op school presenteren zij stiefvader ook als hun vader. Verzoekers stellen dat zij zich naar buiten toe als gezin presenteren en dat de adoptie daarom recht doet aan de wijze waarop zij vormgeven aan hun gezinsleven. In zoverre wordt met een toewijzing van het verzoek de feitelijke situatie in overeenstemming gebracht met de juridische situatie. Dat acht de rechtbank in het belang van de minderjarigen. Verder acht de rechtbank van belang dat de wetgever geen minimale leeftijdsgrens stelt aan adoptie, anders dan dat de minderjarige wel ten minste een jaar moet zijn verzorgd door de beoogde adoptieouder. Aan de leeftijd van de minderjarigen kent de rechtbank daarom geen doorslaggevende betekenis toe. De rechtbank acht verder van belang dat het goed gaat met de minderjarigen. Zij weten wie hun biologische vader is maar ervaren geen gemis aan hem als vaderfiguur. Bovendien houden de minderjarigen de geslachtsnaam van hun vader, waarmee een tastbare link naar het betreffende deel van hun identiteit is gewaarborgd. Dit illustreert dat verzoekers de belangen van de minderjarigen voor ogen hebben. Aan de betreffende voorwaarde is dan ook voldaan.
3.10.
Gezien het voorgaande zal het verzoek worden toegewezen. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de moeder de hoop heeft uitgesproken dat vader in de toekomst nog een rol gaat spelen in het leven van de minderjarigen. De rechtbank neemt dan ook aan dat er ook in de gewijzigde juridische situatie ruimte zal zijn voor contact tussen vader en de minderjarigen, mits dit uiteraard in hun belang is.
3.11.
De ambtenaar van de burgerlijke stand zal worden gelast een latere vermelding van de stiefouderadoptie aan de geboorteakte van de minderjarige toe te voegen.
3.12.
De adoptie heeft haar gevolgen vanaf de dag waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 1:230 BW Pro). Dit betekent dat de adoptie pas van kracht wordt nadat er drie maanden zijn verstreken na de datum van de beschikking en er geen hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing. Artikel 1:20 lid 1 sub a in Pro verbinding met artikel 1:20e lid 1 BW vermeldt immers een driemaandentermijn. De rechtbank acht het verder van belang dat de vader op de hoogte raakt van deze beslissing. Daarom zal zij bepalen dat deze uitspraak wordt gestuurd naar het mailadres waarmee hij (mogelijk) met de raad heeft gecorrespondeerd. Omdat niet duidelijk is of dit daadwerkelijk het mailadres van de man is, zal het gaan om een geanonimiseerde versie.
Geslachtsnaam
3.13.
Verzoekers verzoeken zo nodig te verstaan dat de geslachtsnaam van de minderjarigen “ [geslachtsnaam] ” zal blijven.
3.14.
De rechtbank leidt uit de formulering in het petitum “zo nodig” af dat het een voorwaardelijk verzoek betreft. De minderjarigen zijn jonger dan 16 jaar. De rechtbank overweegt dat uit artikel 1:5 lid 3 BW Pro volgt dat, indien een kind door adoptie in familierechtelijke betrekking tot de echtgenoot van een ouder komt te staan, het zijn geslachtsnaam houdt, tenzij de ouder en diens echtgenoot gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam zal hebben van die ouder dan wel de geslachtsnaam van de echtgenoot of van hen beiden in een vrij te bepalen volgorde of van één van hen in combinatie met de oorspronkelijke geslachtsnaam van het kind in een vrij te bepalen volgorde. Omdat hieruit volgt dat de minderjarigen de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam] ” van rechtswege zullen behouden en voormelde voorwaarde daarom niet is vervuld, constateert de rechtbank dat het verzoek geen beoordeling behoeft.
Subsidiaire verzoek
3.15.
De rechtbank komt niet toe aan het subsidiaire verzoek over het gezag. Verzoekers oefenen van rechtswege gezamenlijk het gezag uit over de minderjarigen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt uit de adoptie van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats 1] en
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats 1]
door [naam stiefvader] , geboren op [geboortedatum 5] 1980 te [geboorteplaats 2] ;
4.2.
gelast de toevoeging van een latere vermelding van adoptie aan de akten van geboorte van de minderjarigen;
4.3.
draagt de griffier op om niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en als daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Goeree-Overflakkee zoals bepaald in artikel 1:20e lid 1 BW;
4.4.
draagt de griffier op een
geanonimiseerdeversie van deze beslissing te sturen naar het bij de moeder en de raad voor de kinderbescherming laatst bekende mailadres van de vader;
4.5.
bepaalt dat van deze beslissing, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW Pro genoemde openbare gezagsregister;
4.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.W. Panhuizen, griffier, op 9 maart 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.