ECLI:NL:RBROT:2026:2352

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
C/10/710446 / KG ZA 25-1161
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 585 RvArt. 586 RvArt. 587 RvArt. 588 RvArt. 254 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering lijfsdwang wegens betalingsonmacht alimentatieverplichting

Partijen zijn ex-echtgenoten waarbij de man bij beschikking is veroordeeld tot betaling van kinderalimentatie. De vrouw vordert tenuitvoerlegging van de alimentatiebeschikking door middel van lijfsdwang wegens een achterstand van ruim € 25.000,-. Zij stelt dat de man betalingsonwil vertoont en zijn verhaalsmogelijkheden frustreert.

De man heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in betalingsonmacht verkeert. Hij is failliet verklaard, heeft geen dienstverband, aanzienlijke schulden en het LBIO heeft geen beslagmogelijkheden. De vrouw heeft haar stelling dat de man zwart werkt niet onderbouwd. Ook haar betoog dat de man zelf debet zou zijn aan zijn financiële situatie wordt door de voorzieningenrechter verworpen.

Gelet op het ingrijpende karakter van lijfsdwang en het ontbreken van betalingsonwil wijst de voorzieningenrechter de vordering af. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vordering tot tenuitvoerlegging van kinderalimentatie door middel van lijfsdwang wordt afgewezen wegens betalingsonmacht van de man.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710446 / KG ZA 25-1161
Vonnis in kort geding van 9 maart 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. A.J. Waaijers-de Graaf,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
verschenen in persoon.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Partijen zijn getrouwd geweest. De man is bij beschikking veroordeeld tot betaling van (onder meer) kinderalimentatie aan de vrouw, maar heeft deze niet volledig betaald. De gevorderde achterstand bedraagt ruim € 25.000,-.Volgens de vrouw frustreert de man opzettelijk haar verhaalsmogelijkheden en is sprake van betalingsonwil van de man. Zij vordert daarom tenuitvoerlegging door middel van lijfsdwang toe te staan. De voorzieningenrechter wijst de vordering af, omdat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van betalingsonmacht. Dit wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 december 2025 met producties 1 tot en met 4;
- het bericht van 30 december 2025 van de vrouw met productie 5 en 6;
- de (zittingsaantekeningen van de) mondelinge behandeling van 6 januari 2026; de zaak is toen aangehouden;
- de akte overlegging producties van 27 januari 2026 van de vrouw met bijlagen,
- de (zittingsaantekeningen van de) voortzetting van de mondelinge behandeling op 2 februari 2026; de zaak is toen op verzoek van de vrouw aangehouden;
2.2.
Op 2 februari 2026 is de zaak op verzoek van de vrouw aangehouden opdat zij kon onderzoeken wat voor haar de financiële gevolgen zouden zijn van de tenuitvoerlegging bij wijze van de lijfsdwang. Nadien is namens de vrouw vonnis gevraagd en is het vonnis bepaald op heden.
De man heeft vervolgens per e-mail van 26 februari 2026 de voorzieningenrechter bericht dat hij failliet is verklaard op 10 februari 2026.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. De rechtbank Dordrecht heeft bij beschikking van 24 december 2008, zaaknummer 76763 / FA RK 08-8421 (hierna: de beschikking) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
3.2.
Partijen zijn de ouders van [naam] , geboren op [geboortedag] 2008 te Gorinchem (hierna: het kind).
3.3.
Bij de beschikking is de man veroordeeld om ten behoeve van het kind een bedrag van € 400,- per maand bij vooruitbetaling te voldoen.
3.4.
Het LBIO schreef aan de vrouw op 9 oktober 2025:
“Naar aanleiding van uw e-mail van 8 oktober jl. bericht ik u het volgende.
- er ligt geen beslag op inkomen of andere bestanddelen
- de heer [gedaagde] heeft geen dienstverband meer
- er is op dit moment geen sprake van een mogelijkheid om beslag te leggen onder het UWV of op andere bestanddelen”

4.De vordering

4.1.
De vrouw verzoekt de voorzieningenrechter - samengevat - om op grond van artikel 585 Rv Pro de vrouw verlof te verlenen om de beschikking ten uitvoer te leggen door middel van lijfsdwang voor een termijn van 1 jaar (12 maanden) totdat de man een bedrag van
€ 25.234,23 aan de vrouw heeft voldaan met veroordeling van de man in de proceskosten.

5.De beoordeling

5.1.
Vooropgesteld wordt dat rechterlijke uitspraken dienen te worden nagekomen. Personen die verplicht zijn tot het doen van een uitkering tot levensonderhoud behoren zich niet aan die verplichting te kunnen onttrekken zonder zich te bekommeren om het lot van de tot onderhoud gerechtigde. Het executiemiddel lijfsdwang strekt ertoe druk uit te oefenen op de alimentatieplichtige, zodat deze de bij beschikking opgelegde onderhoudsverplichting nakomt. Het is echter een zeer ingrijpend middel, omdat de alimentatieplichtige daarmee zijn persoonlijke vrijheid wordt ontnomen.
5.2.
Op grond van artikel 585 sub b Rv Pro kan de rechter op verlangen van een schuldeiser de tenuitvoerlegging van lijfsdwang toestaan van een beschikking waarin alimentatieverplichtingen zijn opgelegd. Gelet op het vrijheidsbenemende karakter van lijfsdwang wordt een beschikking slechts uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaard als aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst biedt en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt (artikel 587 Rv Pro). Uitvoerbaarheid bij lijfsdwang wordt niet uitgesproken als de schuldenaar buiten staat is om aan zijn verplichting te voldoen (artikel 588 Rv Pro). Wanneer de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang nog niet in een vonnis of beschikking is toegestaan, wordt de vordering ingesteld bij de voorzieningenrechter en wordt de vordering behandeld als een kort geding (artikel 586 Rv Pro). Gelet op deze rechtsingang is een beoordeling van de spoedeisendheid van de zaak zoals bedoeld in artikel 254 Rv Pro niet nodig.
5.3.
De voorzieningenrechter wijst de vordering van de vrouw af. Hiervoor is het volgende redengevend.
5.4.
De vrouw stelt dat de man een achterstand heeft van € 25.234,23 en dat deze achterstand betrekking heeft op de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie over de periode van de laatste vijf jaar voorafgaand aan de 18e verjaardag van het kind. De man heeft dit niet weersproken.
Volgens de vrouw is sprake van betalingsonwil bij de man en doet de man er alles aan om onder zijn betalingsverplichtingen uit te komen, waaronder het onnodig beëindigen van dienstverbanden en het onmogelijk maken van de tenuitvoerlegging van de beschikking. Volgens de vrouw is het uiterste middel van lijfsdwang het enige nog aangewezen middel om de man te bewegen tot betaling.
5.5.
Volgens de man kwam hij steeds door (onder meer) toedoen van de vrouw / het LBIO (verder) in de financiële problemen. Hij deelde voorts mee (en dit is onweersproken gebleven) dat hij momenteel geen werk heeft, een belastingschuld heeft van circa
€ 71.000,-, een huurschuld heeft vanwege een oude bedrijfsloods van circa € 21.000,-, en dat een ex-klant van hem zijn faillissement heeft aangevraagd vanwege een schuld van
€ 50.000,-.
De voorzieningenrechter is gebleken dat het faillissement van de man op 10 februari 2026 is uitgesproken.
Gebleken is verder dat het LBIO in het verleden executiemaatregelen heeft genomen zonder dat dat veel resultaat heeft gehad. Volgens de vrouw is er in vijf jaar € 2.300,- geïncasseerd. Recent heeft het LBIO aangegeven dat er geen mogelijkheden zijn om op inkomsten of andere vermogensbestanddelen beslag te leggen.
Met het voorgaande is aannemelijk geworden dat sprake is van betalingsonmacht.
5.6.
De vrouw vermoedt dat de man zwart werkt, althans inkomen verwerft dat hij niet opgeeft. De man heeft dit weersproken en de vrouw heeft deze stelling niet nader onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen. Dat de man (meer) inkomen heeft (gehad) en inkomsten achterhoudt of heeft gehouden is dan ook niet aannemelijk geworden.
5.7.
De vrouw voert ook aan dat de man zelf debet is aan zijn (beweerde) onmogelijkheid om te voldoen aan datgeen waartoe hij veroordeeld is. Hij zou namelijk meermaals banen hebben opgezegd, anderszins gestopt zijn met werken zonder dat hier een goede reden voor was en geen WW-uitkering hebben aangevraagd. De man zou dit enkel doen om onder zijn betalingsverplichtingen uit te komen, aldus de vrouw.
5.8.
De voorzieningenrechter gaat aan dit betoog voorbij. Niet alleen heeft de vrouw haar betoog niet voldoende geconcretiseerd en onderbouwd, maar het is ook niet relevant. Ook als een schuldenaar zelf debet is aan de situatie dat hij niet aan de hoofdveroordeling kan voldoen kan een lijfsdwangveroordeling niet worden uitgesproken. Het karakter van de lijfsdwang als een dwangmiddel zou anders niet behouden blijven. De lijfsdwang zou nog slechts het karakter van een strafmaatregel hebben. [1]
5.9.
De conclusie uit voorgaande is dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de man vanwege betalingsonwil niet aan de onderhoudsverplichting jegens zijn dochter voldoet, en dat aangenomen moet worden dat hij in betalingsonmacht verkeert. De vorderingen van de vrouw worden daarom afgewezen. Wellicht is de betalingsonmacht van de man gekomen door onverstandige beslissingen in het verleden, maar dat maakt de conclusie niet anders.
Proceskosten
5.10.
Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen van de vrouw af,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.
4049 / 638

Voetnoten

1.Zie Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 588 Rv Pro, aant. 2 en 3.