ECLI:NL:RBROT:2026:2409

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
C/10714088 / KG ZA 26-95
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 2 BWArt. 2 ABVArt. 35 ABVArt. 3 lid 1 WwftArt. 5 lid 3 Wwft
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging bankrelatie Rabobank wegens schending aanvullend sanctiebeleid niet onaanvaardbaar

In deze kortgedingprocedure vordert [bedrijf] B.V. dat Rabobank de bankrelatie in stand houdt en de registratie in het interne verwijzingsregister ongedaan maakt. Rabobank had de relatie beëindigd vanwege schending van haar aanvullend sanctiebeleid, dat transacties met Rusland verbiedt, en het niet kunnen afronden van het cliëntenonderzoek conform de Wwft.

De rechtbank oordeelt dat Rabobank op grond van de Algemene Bankvoorwaarden en de Wwft bevoegd is de relatie te beëindigen. Het aanvullend sanctiebeleid is voldoende duidelijk gecommuniceerd, en [bedrijf] heeft ondanks waarschuwingen indirecte transacties met Rusland voortgezet. De stelling van discriminatie wordt niet aannemelijk geacht.

De belangenafweging leidt tot de conclusie dat de beëindiging niet onaanvaardbaar is. De gevorderde voorzieningen worden afgewezen en [bedrijf] en [eiser] worden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en bevestigt de rechtsgeldigheid van de beëindiging van de bankrelatie door Rabobank.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/714088 / KG ZA 26-95
Vonnis in kort geding van 11 maart 2026
in de zaak van

1.[bedrijf] B.V.,

gevestigd te Den Haag,
2.
[eiser],
wonende te [plaats] (Rusland),
eisende partijen,
hierna samen te noemen: eiseressen,
advocaten: mrs. R.M.T. van den Bosch en K.J. Brinkers,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaten: mrs. M. de Waard, K. Suurd en D.G. Bajna.

1.De zaak in het kort

Rabobank heeft, onder verwijzing naar de Algemene Bankvoorwaarden en de Wwft, de bankrelatie met [bedrijf] opgezegd. [bedrijf] vordert in deze procedure onder meer Rabobank te gebieden deze relatie in de huidige vorm en op dezelfde voorwaarden te continueren. Deze vordering wordt afgewezen, omdat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. De overige vorderingen van eiseressen worden ook afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 9 februari 2026, met producties 1 tot en met 33;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 39;
- de pleitnota van eiseressen;
- de pleitnota van Rabobank.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 18 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij is [eiser] voor zichzelf en namens [bedrijf] verschenen (via een digitale beeld- en geluidsverbinding), bijgestaan door haar advocaten en een tolk. Namens Rabobank verschenen haar advocaten en drie medewerkers van Rabobank.

3.De feiten

3.1.
[bedrijf] drijft een onderneming gericht op logistieke dienstverlening. [bedrijf] heeft zich sinds haar oprichting in 2012 gericht op onder meer logistieke dienstverlening ten behoeve van export aan CIS-landen, waaronder Rusland. Daarnaast is zij actief als scheepsagent.
3.2.
[eiser] is sinds de oprichting bestuurder van [bedrijf]. Na het overlijden van haar echtgenoot is zij enig bestuurder geweest tot 25 augustus 2025. Op die datum werd de dochter van [eiser] tot medebestuurder benoemd.
3.3.
[bedrijf] bankiert sinds 2014 bij Rabobank. Op de bankrelatie tussen partijen zijn de Algemene Bankvoorwaarden (hierna: de ABV) van toepassing. De artikelen 2 en 35 van de ABV luiden, voor zover relevant:

Artikel 2 – Zorgplicht
Wij hebben een zorgplicht. U bent ook zorgvuldig tegenover ons en u mag van onze dienstverlening geen
misbruik maken.
1. Wij zijn bij onze dienstverlening zorgvuldig en houden hierbij zo goed mogelijk rekening met uw belangen. Dit doen wij op een manier die aansluit bij de aard van de dienstverlening. Deze belangrijke regel geldt altijd. Andere regels in de ABV of in de voor producten of diensten geldende overeenkomsten en de daarbij behorende bijzondere voorwaarden kunnen dit niet veranderen. Wij streven naar begrijpelijke producten en diensten. Ook streven wij naar begrijpelijke informatie over die producten en diensten en de risico’s ervan.
2. U bent zorgvuldig tegenover ons en houdt zo goed mogelijk rekening met onze belangen. U werkt eraan mee dat wij onze dienstverlening correct kunnen uitvoeren en aan onze verplichtingen kunnen voldoen. Hiermee bedoelen wij niet alleen onze verplichtingen tegenover u, maar bijvoorbeeld ook verplichtingen die wij in verband met onze dienstverlening aan u hebben tegenover toezichthouders of fiscale of andere (nationale, internationale of supranationale) autoriteiten.
U geeft ons, als wij daarom vragen, de informatie en documentatie die wij daarvoor nodig hebben. Als het u duidelijk moet zijn dat wij die informatie of documentatie nodig hebben, geeft u die uit uzelf.
U mag onze diensten of producten alleen gebruiken waarvoor ze zijn bedoeld en hiervan geen misbruik (laten) maken. Denkt u bij misbruik bijvoorbeeld aan strafbare feiten of activiteiten die schadelijk zijn voor ons of onze reputatie of die de werking en betrouwbaarheid van het financiële stelsel kunnen schaden.
(..)
Artikel 35 – Opzegging van de relatie
U kunt de relatie opzeggen. Wij kunnen dit ook. Opzegging betekent dat de relatie eindigt en alle lopende
overeenkomsten zo snel mogelijk worden afgewikkeld.
1. U kunt de relatie tussen u en ons opzeggen. Wij kunnen dit ook. Het is daarvoor niet nodig dat u in verzuim bent met de nakoming van een verplichting. Wij houden ons bij opzegging aan onze zorgplicht als genoemd in artikel 2 lid 1 ABV Pro. Als u ons vraagt waarom wij de relatie opzeggen, dan laten wij u dat weten.
2. Opzegging betekent dat de relatie en alle lopende overeenkomsten worden beëindigd. Gedeeltelijke opzegging kan ook. In dat geval kunnen er bijvoorbeeld bepaalde overeenkomsten blijven bestaan.
3. Als er voor de beëindiging van een overeenkomst voorwaarden gelden, zoals een opzegtermijn, worden die nageleefd. Tijdens de afwikkeling van de relatie en de beëindigde overeenkomsten blijven alle toepasselijke voorwaarden van kracht.(..)”
3.4.
Na de Russische inval in Oekraïne op 24 februari 2022 heeft de Europese Unie (EU), in aanvulling op in 2014 afgekondigde sancties, nadere sancties afgekondigd tegen Russische bedrijven, personen en producten. Rabobank hanteert sinds april 2022, in aanvulling op de EU-sanctieregelgeving, Aanvullend Sanctiebeleid. Rabobank heeft [bedrijf] op 2 mei 2022 een brief gestuurd, waarin staat dat Rabobank vanaf 7 april 2022 geen zakelijke overboekingen van of naar Rusland meer uitvoert, tenzij kan worden aangetoond dat een transactie niet strijdig is met de sanctieregelgeving, dan kan hiervoor een uitzondering worden gemaakt.
3.5.
Rabobank heeft [bedrijf] op 25 november 2022 er over geïnformeerd dat Rabobank het aantal zakelijke overboekingen van en naar Rusland vanaf 1 december 2022 afbouwt en deze overboekingen vanaf 1 juni 2023 niet meer uitvoert, tenzij sprake is van een ‘strenge uitzondering’.
3.6.
Op 2 januari 2024 heeft Rabobank het Aanvullend Sanctiebeleid verscherpt. In verband hiermee heeft Rabobank op 13 juni 2024 een aantal vragen aan [bedrijf] gesteld over onder andere de verleende diensten aan Ultramar, een in Bulgarije gevestigde entiteit, die handelt in meubels en decoratieartikelen van Europese producenten en deze goederen exporteert naar onder meer Rusland. Rabobank heeft op 19 juni 2024 als volgt gereageerd op de antwoorden van [bedrijf]:
“Dear Mrs. [eiser] ,
You have received Rabobank's sanctions policy several times in the past. This stated that trade from, to and with Russian parties was no longer facilitated by the bank.
Approval could still be requested for carrying out transactions with Russian parties via Russia Forms, as you have done.
However, on January 2, 2024, the additional policy was tightened. This meant that transactions involving Russia are no longer permitted. This also concerns transactions involving the transit of goods going from, to or via Russia.
Read: https://www.rabobank.nl/bedrijven/service/kyc/sancties-rusland
I can understand that you might not have been aware of the tightened policy. However, noting that you still do/have done business through intermediaries with Russian parties, these transactions are unfortunately in violation of Rabobank's current additional sanctions policy.
To continue using Rabobank products, it is important that you comply with Rabobank's additional sanctions policy. I would like to hear from you whether and, if so, within what period the business activities can be brought into line with our policy.”
3.7.
Als bijlage bij de in 3.6 genoemde e-mail van 19 juni 2024 heeft Rabobank een brief, de zogenoemde FEC-brief, meegestuurd, waarin Rabobank de volgende informatie heeft opgenomen:
“Russia
On December 1, 2022, Rabobank ceased to process transactions related to, or associated with, Russia, with the exception of certain types of transactions. The situation surrounding Russia is in a constant state of flux, which could potentially affect Rabobank’s policy. You will find the most up-to-date information regarding our sanctions policy in relation to Russia on our website.”
3.8.
[eiser] heeft namens [bedrijf] op 19 juni 2024 en 25 juni 2024 de volgende e-mails (als reactie op de in 3.7 genoemde e-mail) gestuurd aan Rabobank:
“Thank you for informing me about the tightened policy.
Certainly we will comply with Rabobank's additional sanctions policy.
And first of all I would like to note that the goods traffic from our Shippers to Russia is slowing down critically. I aware to stop of it in nearest future. Anyway I’ll check with our Shippers about the exact period they needed to close this activity.”
(en)
“According to our Shippers (EU companies who comply with EU sanctions policy and sell ONLY non-sanctioned goods to Russian consignees) they are ready to close their contract relations with Russia till the end of 2024.
It depends of production cycle that can be 10-12 and more weeks.
Hope these estimated timelines would be acceptable by Rabobank.”
3.9.
Bij brief van 26 november 2024 heeft Rabobank het volgende aan [bedrijf] geschreven:
“You were informed about the Rabobank’s additional policy. You have been notified that Rabobank will stop facilitating transactions with Russian parties. We believe that you deliberately set up a structure with intermediaries that circumvents the sanction policy.
In accordance to the Rabobank’s additional policy is it not desirable that 1) a customer which has a Ultimate Beneficial Owner with an ownership of more than 10% and 2) a customer which generates business for more than 10% of the annual turnover with activities with Russian parties.
The Offboarding department will contact you shortly to provide you with further information about this.”
3.10.
Rabobank heeft bij brief van 24 januari 2025 de intentie geuit om de bankrelatie met [bedrijf] te beëindigen:

What have we noticed and your statemens
We have noticed that your main customer is Ultramar Agency LTD. This entity appears to have links to Russia. During our correspondence with you, you declared that Ultramar Agency LTD delivers goods, such as furniture, to, amongst other countries, Russia. You stated that you intend to stop doing indirect business with Russian parties per end of Q1 2025. This means that [bedrijf] B.V., is continuing to do business with Russian entities. Because of this, we are unintentionally involved with sanctions legislation and regulations.
In April 2022 we have sent you documents and links regarding our policy with regards to facilitating
transactions with Russian bank accounts. You were informed about the Rabobank’s additional policy. You have been notified that Rabobank will stop facilitating transactions with Russian parties.
After this notification, you stopped doing direct business with Russian parties, but started doing indirect business with Russia, through Ultramar Agency LTD.
The Rabobank’s additional sanctions policy implies the following is not acceptable:
1) a customer which has a Ultimate Beneficial Owner with an ownership of more than 10% and
2) a customer which generates business for more than 10% of the annual turnover with activities with Russian parties.”
3.11.
Op 13 februari 2025 heeft Rabobank de bankrelatie met [bedrijf] met ingang van 14 april 2025 beëindigd (hierna: de Opzegbrief):

Why are we terminating the relationship with you?
During the period of the 13 June until the 24 January 2025, we have reached out to you via e-mail, regarding our client investigation. We asked you questions about your business in relation to Ultramar Agency LTD; your biggest client.
On 14 June 2024, you stated that Ultramar Agency LTD is a trading company that deliver goods to ‘Russia, Kazakhstan etc.’. You also stated that the business relationship with the Russian entity will not be terminated until 10 to 12 weeks after the first week of 2025.
As stated in our correspondence per mail, our internal sanctions policy does not allow any business related transactions (directly, or indirectly) with Russia. The business that has taken place on your bank account at the Rabobank, violated our Sanctions policy.
Because of the before mentioned, we are unable to complete our client investigation positively as is stated in ‘Artikel 3 lid 2 Wet Pro ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)’. Therefore, we are obligated to terminate our client relationship with you, as stated in ‘Artikel 5 lid Pro 3’ of the Wwft.
(..)
Termination
In view of the above, we are forced to make use of our power of termination as described in Article 35 of the General Banking Conditions of Rabobank. This means that we cancel all agreements we have with you.”
3.12.
Rabobank heeft de bankrelatie met [eiser] op 13 februari 2025 ook beëindigd, omdat zij direct betrokken is bij [bedrijf].
3.13.
In de Opzegbrief is ook opgenomen dat [bedrijf] en [eiser] per 7 februari 2025 voor de duur van zes jaar zijn opgenomen in het Interne VerwijzingsRegister (IVR).
3.14.
[bedrijf] heeft op 12 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van de bankrelatie door Rabobank, omdat [bedrijf] de sanctieregelgeving en/of het sanctiebeleid van Rabobank niet heeft geschonden, [bedrijf] heeft meegewerkt aan het klantonderzoek en de vragen van Rabobank heeft beantwoord, de beëindiging van de relatie discriminatoir is en in strijd met het discriminatieverbod van artikel 1 van Pro de Grondwet, alsmede het discriminatieverbod van artikel 14 van Pro het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens.
3.15.
Als reactie op deze brief heeft Rabobank op 21 mei 2025 en 2 juli 2025 aanvullende vragen aan [bedrijf] gesteld, onder andere over transacties met een in Bulgarije gevestigde entiteit, genaamd Doy Commerce LTD (hierna: ‘Doy’) en een in Estland gevestigde entiteit NTN EST OU (hierna: ‘NTN’). [bedrijf] heeft de vragen van Rabobank beantwoord bij e-mails van 3 juni 2025 en 15 augustus 2025.
3.16.
Op 28 november 2025 heeft Rabobank het bezwaar van [bedrijf] afgewezen. Daarbij heeft Rabobank tevens een beheersmaatregel opgelegd, die inhoudt dat [bedrijf] geen transacties meer mag verrichten met Ultramar, Doy en/of NTN. Sinds 13 februari 2025 geldt deze beheersmaatregel reeds voor Ultramar.

4.Het geschil

4.1.
[bedrijf] en [eiser] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Rabobank te gebieden de bankrelatie met [bedrijf] in haar huidige vorm en op dezelfde voorwaarden te continueren;
Rabobank te gebieden binnen twee dagen na de datum van dit vonnis de registratie van [bedrijf] en [eiser] in het Interne VerwijzingsRegister ongedaan te maken met verzending van een schriftelijke bevestiging daarvan aan [bedrijf] en [eiser] , binnen vier dagen na de registratie;
Rabobank te gebieden binnen twee dagen na de datum van dit vonnis de opgelegde beheersmaatregelen op het gebruik van de bankrekening van [bedrijf] op te heffen en betalingen van Ultramar, Doy en NTN aan [bedrijf] op de bankrekening van [bedrijf] te accepteren en te verwerken;
Rabobank te veroordelen tot betaling aan [bedrijf] (ter zake de veroordelingen sub A tot en met C) en [eiser] (ter zake de veroordeling sub B) van een dwangsom van
€ 25.000,- per dag of dagdeel dat Rabobank in gebreke blijft met de correcte nakoming van de veroordelingen sub A, sub B, respectievelijk sub C;
Rabobank te veroordelen in de kosten van de procedure.
4.2.
Rabobank voert verweer. Rabobank concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eiseressen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van eiseressen, met hoofdelijke veroordeling van eiseressen in de kosten van deze procedure. Als de vorderingen van eiseressen worden toegewezen, verzoekt Rabobank de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring af te wijzen.

5.De beoordeling

Eiseressen zijn ontvankelijk in hun vorderingen en hebben een spoedeisend belang daarbij
5.1.
Allereerst geldt dat Rabobank geen gronden heeft gesteld waaruit volgt dat eiseressen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen. Het (niet-onderbouwde) ontvankelijkheidsverweer van Rabobank wordt daarom verworpen.
5.2.
Het spoedeisend belang van eiseressen bij hun vorderingen is duidelijk en staat niet ter discussie tussen partijen.
Het toetsingskader
5.3.
Rabobank is op grond van artikel 35 ABV Pro in beginsel bevoegd de bankrelatie met [bedrijf] op te zeggen. Of die opzegging rechtsgeldig is, moet worden beoordeeld aan de hand van de overeenkomst tussen partijen en de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW Pro (vgl. HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929). Dat betekent dat een opzegging niet rechtsgeldig is indien het gebruikmaken van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bij die beoordeling weegt mee dat uit artikel 2 lid 1 ABV Pro in verbinding met artikel 35 ABV Pro volgt dat de bank ook bij opzegging van de relatie een zorgplicht heeft en in dat kader zo goed mogelijk rekening houdt met de belangen van [bedrijf].
Daarnaast geldt dat de bank wettelijk verplicht is cliëntenonderzoek te verrichten met het doel witwassen en financieren van terrorisme te voorkomen (artikel 3 lid 1 Wwft Pro). Klanten zijn verplicht om aan dit onderzoek mee te werken en de hiervoor benodigde informatie aan de bank te verschaffen. Wanneer de bank niet in staat is om te voldoen aan haar verplichting om een (toereikend) cliëntenonderzoek te verrichten, moet de bank de relatie met de klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft Pro). In dat geval kan voorshands worden aangenomen dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is en dat een (verdere) belangenafweging achterwege blijft.
5.4.
Het uitgangspunt bij de beoordeling in dit kort geding is de opzeggingsbrief van 13 februari 2025 en de daarin genoemde gronden voor beëindiging van de bankrelatie met [bedrijf], te weten dat [bedrijf] met haar bedrijfsvoering het Aanvullend Sanctiebeleid van Rabobank heeft geschonden. De tweede opzeggingsgrond is dat Rabobank het cliëntenonderzoek niet positief kan afronden, zodat zij op grond van artikel 5 lid 3 Wwft Pro genoodzaakt is de relatie met [bedrijf] te beëindigen.
De bedrijfsvoering van [bedrijf]
5.5.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de bedrijfsvoering van [bedrijf] (op dit moment) niet in strijd is met EU-sanctieregelgeving en dat Rabobank in aanvulling op deze regelgeving het Aanvullend Sanctiebeleid mag voeren.
5.6.
[bedrijf] stelt dat het Aanvullend Sanctiebeleid van Rabobank concreet gericht is op het betalingsverkeer van en naar Rusland. De goederen die [bedrijf] vervoert, komen niet voor op de sanctielijst met goederen die niet mogen worden geëxporteerd. De diensten die [bedrijf] verleent, zijn ook niet in strijd met de sanctieregelgeving van de EU en het Aanvullend Sanctiebeleid van Rabobank. [bedrijf] heeft haar bedrijfsvoering aangepast en heeft na 23 december 2022 geen betalingen afkomstig van Russische bankrekeningen meer ontvangen. Rabobank verbiedt [bedrijf] ten onrechte dat zij geen opdrachten meer mag aannemen van de in de EU gevestigde entiteiten Ultramar, Doy en NTN, zo stelt [bedrijf].
Rabobank stelt daartegenover dat transacties met betrekking tot goederen die (uiteindelijk) voor Rusland bestemd zijn sinds 2 januari 2024 niet meer toegestaan zijn, ongeacht of daarbij Russische partijen of betalingen van en naar Rusland betrokken zijn.
5.7.
In deze zaak is de vraag aan de orde of het Aanvullend Sanctiebeleid van Rabobank voldoende duidelijk is geweest voor [bedrijf] en zo ja, wat de implicaties daarvan zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beleid voldoende duidelijk is geweest en licht dit als volgt toe.
5.8.
Rabobank heeft [bedrijf] op 13 juni 2024 gevraagd welke diensten er worden verleend voor Ultramar. [bedrijf] antwoordde daarop op 14 juni 2024 dat Ultramar hoofdzakelijk meubels verkoopt aan partijen in onder andere Rusland. [bedrijf] stuurde in het kader van beantwoording van één van de vragen een douaneformulier toe, waaruit is op te maken dat de (uiteindelijke) ontvanger van de goederen AVITS Ltd. (hierna: ‘AVITS’) is. Tot medio 2022 genereerde [bedrijf] de meeste omzet met opdrachten van AVITS, een in Rusland gevestigde entiteit met een Russische bankrekening. De verstrekte informatie door [bedrijf] was aanleiding voor Rabobank om [bedrijf] op 19 juni 2024 voor het eerst te informeren over het aangescherpte sanctiebeleid. Dat het Aanvullend Sanctiebeleid al gold vanaf januari 2024 en Rabobank [bedrijf] hierover niet eerder heeft geïnformeerd, staat er niet aan in de weg dat dit beleid voor [bedrijf] vanaf 19 juni 2024 is gaan gelden. Rabobank had immers pas in juni 2024 een directe aanleiding gekregen om [bedrijf] te informeren over haar aangescherpte beleid.
5.9.
In de e-mail van 19 juni 2024 heeft Rabobank aan [bedrijf] bericht dat transacties met Rusland niet langer toegestaan zijn, waarbij het ook gaat om transacties waarbij goederen van, naar of via Rusland worden vervoerd (zie 3.6). In de bijgevoegde FEC-brief heeft Rabobank opgenomen dat zij transacties die verband houden met of geassocieerd zijn met Rusland, tenzij een uitzondering van toepassing is, niet meer verwerkt. Voor verdere up-to-date informatie verwijst Rabobank naar haar website (zie 3.7).
[bedrijf] stelt dat het beleid dat Rabobank kenbaar maakt op haar website conflicteert met de restricties die Rabobank oplegt aan [bedrijf], omdat het beleid op de website slechts spreekt over transacties met Rusland.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de algemene informatie van Rabobank op haar website geen afbreuk doet aan de aan [bedrijf] gerichte mededelingen. Rabobank heeft, gelet op de informatie in de e-mails en de daar bijgevoegde brief, in haar correspondentie met [bedrijf] voldoende duidelijk gemaakt dat haar beleid niet slechts gericht is op betalingen van en naar Rusland, maar ook indirecte transacties met Rusland omvat. Rabobank stelt vervolgens terecht dat als er enige onduidelijkheid zou zijn geweest bij [bedrijf] over de door haar gestelde discrepantie tussen de mededelingen aan [bedrijf] en de informatie van Rabobank op haar website, het op de weg van [bedrijf] had gelegen om dienaangaande vragen te stellen aan Rabobank. [bedrijf] heeft dit niet gedaan. Sterker nog; [bedrijf] heeft per e-mail van 19 juni 2024 aan Rabobank bevestigd dat zij zich zal houden aan het Aanvullend Sanctiebeleid van Rabobank (zie 3.8).
5.10.
Dat het door Rabobank gevoerde beleid discriminatoir zou zijn jegens [bedrijf] omdat zij een Russische Ultimate Beneficial Owner (UBO), [eiser] , heeft, is niet aannemelijk geworden. Ter zitting heeft Rabobank aangevoerd dat zij de FEC-brief naar verschillende klanten heeft verstuurd en dat de problematiek rondom mogelijke schendingen van het beleid van Rabobank bij meerdere cliënten van Rabobank speelt. [bedrijf] heeft dit op zichzelf niet weersproken, behoudens de pas ter zitting gestelde omstandigheid dat Verbruggen Internationaal Transport B.V. (hierna: ‘Verbruggen’), een door [bedrijf] ingeschakelde vervoerder voor het fysieke transport van de goederen, ongemoeid wordt gelaten. Deze enkele stelling heeft [bedrijf] echter verder niet concreet toegelicht en onderbouwd.
Daar komt bij dat Rabobank in een eerder stadium wel heeft benoemd dat het volgens haar Aanvullend Sanctiebeleid niet is toegestaan om een Russische UBO met meer dan 10% eigendom te hebben of meer dan 10% van de jaarlijkse omzet te behalen uit activiteiten met Russische partijen, maar dat deze omstandigheid geen grond is voor de beëindiging van de bankrelatie. Dat [eiser] woonachtig is in Rusland en de Russische nationaliteit heeft, zorgt er slechts voor dat de relatie van [bedrijf] met Rusland wordt verstrekt en die relatie daardoor dus wordt ingekleurd, maar de beëindiging is gelegen in de twee in de Opzegbrief benoemde gronden, aldus Rabobank.
Gelet hierop heeft [bedrijf] haar stelling dat Rabobank discriminatoir handelt jegens [bedrijf] niet aannemelijk gemaakt.
De Wwft
5.11.
Rabobank noemt voorts in de Opzegbrief dat zij niet in staat is haar cliëntenonderzoek in de zin van artikel 3 Wwft Pro af te ronden en dat Rabobank daarom verplicht is de relatie met [bedrijf] te beëindigingen op grond van artikel 5 lid 3 Wwft Pro, met gebruikmaking van de bevoegdheid tot beëindiging op grond van artikel 35 ABV Pro. Uit het door Rabobank uitgevoerde cliëntenonderzoek is gebleken dat er een goederenstroom via [bedrijf] naar Rusland loopt. Daarnaast heeft [bedrijf] nieuwe opdrachtgevers aangetrokken, Doy en NTN, waarover pas in de bezwaarfase duidelijk is geworden dat NTN ook goederen verscheept naar Rusland, terwijl Rabobank reeds aan [bedrijf] kenbaar had gemaakt dat (indirecte) transacties met Rusland op basis van haar Aanvullend Sanctiebeleid niet langer zijn toegestaan. [bedrijf] heeft bovendien vragen onbeantwoord gelaten, door Rabobank niet te informeren over de (verdere) bedrijfsvoering van Doy en NTN. Rabobank kreeg daardoor geen volledig beeld van de zakenrelaties van [bedrijf]. Daar komt bij dat Rabobank als gevolg van de EU-sanctieregelgeving al vanaf 2015 vragen stelde aan [bedrijf] en laatstgenoemde zich had kunnen en moeten realiseren dat zij Rabobank completer moest informeren. Dat is niet gebeurd. Als gevolg van dit gebrek aan informatie kon Rabobank niet althans onvoldoende onderzoeken en controleren of de transacties die via de rekening liepen, in strijd zijn met haar Aanvullend Sanctiebeleid. Voldoende aannemelijk is dan ook dat Rabobank ten tijde van de opzegging onvoldoende inhoud kon geven aan haar verplichting om cliëntenonderzoek bij [bedrijf] uit te voeren en af te ronden en daarom ingevolge artikel 5 lid 3 Wwft Pro wettelijk verplicht was de bankrelatie met [bedrijf] te beëindigen, waarvoor artikel 35 ABV Pro haar de contractuele ruimte gaf.
Conclusie en verdere belangenafweging
5.12.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was het Aanvullend Sanctiebeleid dus voldoende duidelijk voor [bedrijf] en betekent dit beleid dat het [bedrijf] niet is toegestaan (ook niet indirect) goederen te leveren aan Russische entiteiten. Nu zij dit wel heeft gedaan en nog steeds doet, is de opzegging van Rabobank in lijn met haar Aanvullend Sanctiebeleid. De beëindiging is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Het is eiseressen niet gelukt om een bankrekening bij andere (Nederlandse) banken te openen. Zij kunnen worden gevolgd voor zover zij aanvoeren dat een bankrekening noodzakelijk is om een onderneming te voeren of in het algemeen deel te nemen aan het economische verkeer. De belangen van eiseressen wegen echter niet op tegen het risico dat Rabobank loopt dat de goederen die [bedrijf] laat vervoeren alsnog (deels) voorkomen op de sanctielijst met goederen die niet mogen worden geëxporteerd of terecht komen bij personen, groepen of entiteiten waarop financiële sancties van de EU van toepassing zijn. Het vermijden van dit risico is volgens Rabobank voor haar van groot gewicht. Om dit risico te vermijden, zou Rabobank de bedrijfsvoering van [bedrijf] continu moeten monitoren. Dit zou ten eerste een te zware (werk)belasting voor de medewerkers van Rabobank opleveren en ten tweede, als die continue monitoring niet afdoende kan worden gewaarborgd, een risico dat er feitelijk toch (deels) goederen worden vervoerd die voorkomen op de sanctielijst of terecht komen bij personen, groepen of entiteiten waarop financiële sancties van de EU van toepassing zijn. Rabobank heeft ter zitting toegelicht dat als dit gebeurt, de kans op reputatieschade voor Rabobank groot is.
Het is in deze situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat Rabobank haar belangen heeft laten prevaleren.
De registratie in het Interne VerwijzingsRegister hoeft niet ongedaan te worden gemaakt en de beheersmaatregelen hoeven niet te worden opgeheven
5.13.
De voorzieningenrechter acht dan ook voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat de opzegging van Rabobank van de bankrelatie met [bedrijf] bij brief van 13 februari 2025 rechtsgeldig was. Het gevorderde gebod aan Rabobank om de bankrelatie met [bedrijf] voort te zetten, wordt daarom afgewezen. Daarmee treft het gevorderde gebod om de registratie van [bedrijf] en [eiser] in het IVR ongedaan te maken hetzelfde lot. Gelet op de beëindiging van de bankrelatie van [bedrijf] en [eiser] , is opname in een intern register van Rabobank niet buitenproportioneel of anderszins onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dit geldt eveneens voor het gevraagde gebod om de beheersmaatregelen op te heffen zodat betalingen van Ultramar, Doy en NTN aan [bedrijf] kunnen worden geaccepteerd en verwerkt. In het kader van de beëindiging zijn deze maatregelen niet onaanvaardbaar. Omdat vorderingen A., B. en C. van eiseressen worden afgewezen, wordt de nevengevorderde dwangsom ook afgewezen.
Eiseressen moeten de proceskosten betalen
5.14.
Eiseressen krijgen ongelijk en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus eventuele verhoging)
Totaal
2.101,00
5.15.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde het hele bedrag is verschuldigd. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt eiseressen hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als eiseressen niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt eiseressen hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op
11 maart 2026.
3608/1694