Verzoeksters hebben een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers, gebaseerd op hun arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en een pensioenuitkering, met een betaling van 6,31% van de totale vordering. Negentien schuldeisers stemden in, maar vier schuldeisers, waaronder [persoon A], [persoon B], [naam 1] en TT4B, weigerden in te stemmen vanwege aanzienlijke schade door niet uitgevoerde werkzaamheden en vermeend slecht ondernemerschap.
De rechtbank oordeelt dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan, omdat mevrouw [verzoekster 1] de overeenkomsten is aangegaan terwijl zij wist of had moeten weten dat zij haar verplichtingen niet kon nakomen. De schade voor de schuldeisers is aanzienlijk en heeft geleid tot financiële problemen bij hen zelf.
Daarnaast is het aanbod niet het maximaal haalbare, aangezien het gebaseerd is op uitkeringen terwijl er een reële mogelijkheid bestaat dat verzoeksters in de toekomst meer inkomsten kunnen genereren. De rechtbank acht het relevante alternatieve scenario de toepassing van de Wsnp-regeling voor verzoeksters, wat de schuldeisers meer zou opleveren.
Gelet op de belangenafweging weegt het belang van de weigerende schuldeisers zwaarder dan dat van verzoeksters en de overige schuldeisers. Daarom wordt het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen. De rechtbank zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.