ECLI:NL:RBROT:2026:2415

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
10/307061-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en balletjespistolen

De verdachte werd beschuldigd van het voorhanden hebben van een omgebouwde gasrevolver als vuurwapen met drie kogelpatronen en twee balletjespistolen die sterk leken op echte vuurwapens. De feiten vonden plaats op 14 november 2025 in Rotterdam. De verdachte erkende de feiten en gaf uitleg over de herkomst van de wapens.

De rechtbank stelde vast dat het onbevoegd bezit van een vuurwapen in de openbare ruimte een ernstig veiligheidsrisico vormt en dat ook het bezit van balletjespistolen verboden is vanwege hun bedreigende uiterlijk. Uit het reclasseringsrapport bleek dat de verdachte geen eerdere veroordelingen had, maar dat er enkele risicofactoren waren op psychosociaal gebied en mogelijke beïnvloeding door vrienden.

Hoewel de verdachte jong was, was hij op het moment van het delict twintig jaar oud, waardoor het volwassenstrafrecht van toepassing was. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 167 dagen op, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 100 uur. De voorwaardelijke straf is verbonden aan bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, gedragstraining, dagbesteding en huisvesting, gericht op het voorkomen van recidive.

De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn opleiding en werk, en matigde de taakstraf ten opzichte van de eis. De tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht werd in mindering gebracht op de onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zodat hij niet terug hoeft naar de gevangenis.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 167 dagen gevangenisstraf, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en een taakstraf van 100 uur.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/307061-25
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Datum zitting: 17 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [plaatsnaam] .
Advocaat van de verdachte: mr. E.B. Jobse
Officier van justitie: mr. N. van Manen
Kern van het vonnis
De verdachte heeft in de openbare ruimte een vuurwapen en drie kogelpatronen voorhanden gehad. Ook heeft de verdachte twee balletjespistolen in zijn woning voorhanden gehad. De rechtbank veroordeelt de verdachte voor deze feiten tot een gevangenisstraf van 167 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Aan deze voorwaardelijke straf worden bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder een meldplicht, een gedragstraining, een dagbesteding en huisvesting. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf op voor de duur van 100 uur.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - een vuurwapen en drie kogelpatronen, die geschikt waren om met dat wapen te worden verschoten, voorhanden heeft gehad en dat hij alleen of tezamen met anderen twee nepvuurwapens (balletjespistolen) voorhanden heeft gehad.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1
hij
op of omstreeks 14 november 2025 te Rotterdam
een wapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2 lid 1 van Pro categorie III,
onder 1 van de Wet wapens en munitie,
te weten een vuurwapen, zijnde een omgebouwde gasrevolver
van het merk: BBM, type: Olympic, kaliber: .22 LR
zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver
en/of
(voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4, gelet op
artikel 2 lid 2 van Pro Categorie III van de Wet wapens en munitie
zijnde drie, althans één of meer kogelpatronen,
van het merk: CBC, kaliber: .22LR
voorhanden heeft gehad;
2
hij
op of omstreeks 14 november 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen
(een) wapen(s) in de zin van artikel 2 lid 1 van Pro categorie I, onder 7° van de Wet
wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder Pro a van de RWM
te weten (een) door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp(en)
dat/die een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op
(een) wapen(s) gele(e)k(en) dat deze/die voor bedreiging of afdreiging geschikt
was/waren, namelijk
- een balletjespistool (merk: M22) dat qua afmetingen en uiterlijke
verschijningsvormen een sterke gelijkenis vertoont met een echt
vuurwapen, te weten een pistool (merk: Beretta M9) en/of
- een balletjespistool dat qua afmetingen en uiterlijke
verschijningsvormen een sterke gelijkenis vertoont met een echt
vuurwapen, te weten een pistool (merk: Sig Sauer, type: P226),
voorhanden heeft gehad.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor beide feiten.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdachte heeft verteld hoe hij aan het vuurwapen, de munitie en de balletjespistolen is gekomen en erkent de feiten.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte een vuurwapen, drie kogelpatronen en twee balletjespistolen voorhanden heeft gehad. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden ten aanzien van deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven [1] .
1.
Verklaring van de verdachte [2]
Feit 1
2.
Proces-verbaal van de politie, aantreffen vuurwapen [3]
3.
Proces-verbaal van de politie, kennisgeving van inbeslagneming [4]
4.
Proces-verbaal van de politie, onderzoek vuurwapen en munitie [5]
Feit 2
5.
Proces-verbaal van de politie, onderzoek balletjespistolen [6]
6.
Proces-verbaal van de politie, aantreffen balletjespistolen woning [7]
7.
Proces-verbaal van de politie, kennisgeving van inbeslagneming [8]
8.
Proces-verbaal van de politie, kennisgeving van inbeslagneming [9]
2.3.2.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij
op 14 november 2025 te Rotterdam
een wapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2 lid 1 van Pro categorie III,
onder 1 van de Wet wapens en munitie,
te weten een vuurwapen, zijnde een omgebouwde gasrevolver
van het merk: BBM, type: Olympic
38, kaliber: .22 LR
zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver
en
(voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4, gelet op
artikel 2 lid 2 van Pro Categorie III van de Wet wapens en munitie
zijnde drie kogelpatronen,
van het merk: CBC, kaliber: .22LR
voorhanden heeft gehad;
Feit 2
hij
op 14 november 2025 te Rotterdam
wapens in de zin van artikel 2 lid 1 van Pro categorie I, onder 7° van de Wet
wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder Pro a van de RWM
te weten door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerpen
die zodanig op wapens geleken dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt
waren, namelijk
- een balletjespistool (merk: M22) dat qua afmetingen en uiterlijke
verschijningsvormen een sterke gelijkenis vertoont met een echt
vuurwapen, te weten een pistool (merk: Beretta M9) en
- een balletjespistool dat qua afmetingen en uiterlijke
verschijningsvormen een sterke gelijkenis vertoont met een echt
vuurwapen, te weten een pistool (merk: Sig Sauer, type: P226),
voorhanden heeft gehad.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Feit 2
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straffen

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 167 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd. Voorts moet de verdachte worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uur.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdachte dient te worden berecht volgens het jeugdstrafrecht, gelet op de leeftijd van de verdachte en het feit dat in het reclasseringsrapport staat vermeld dat er op basis van zijn handelingsvaardigheden en de pedagogische mogelijkheden enige indicaties zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De verdediging heeft verder verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en zo nodig een aanvullende taakstraf.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in de openbare ruimte voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie. Het vuurwapen kan ernstig letsel veroorzaken. Het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen brengt, zeker in de openbare ruimte, onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich mee. Tegen dergelijk wapenbezit moet daarom stevig worden opgetreden.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee balletjespistolen, die sprekend op een echt vuurwapen leken. Het bezit van balletjespistolen is verboden en kan, net als bij een echt vuurwapen, een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee brengen. Ook kan het een gevoel van onveiligheid in de samenleving veroorzaken, omdat deze balletjespistolen geschikt zijn voor de bedreiging van personen.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 9 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Rapport van de reclassering
In het rapport van de reclassering van 12 februari 2026 staat het volgende.
De reclassering ziet mogelijk delictgerelateerde risicofactoren op het gebied van huisvesting, sociaal netwerk, de relatie met familie, psychosociaal functioneren en houding. Omdat de verdachte aangeeft dat hij ten tijde van het vinden van het vuurwapen samen met twee vrienden was, kan de reclassering niet uitsluiten dat sprake is geweest van beïnvloeding. Het voornaamste risico lijkt zich voor te doen op het gebied van psychosociaal functioneren, omdat de verdachte aangeeft niet te hebben nagedacht. Hij lijkt daarmee zichzelf (onnodig) in de problemen te hebben gebracht en zijn toekomst op het spel te hebben gezet. De reclassering kan gezien de verdenking van vuurwapenbezit een pro-criminele houding niet uitsluiten, hoewel dit niet blijkt uit het gesprek met de verdachte.
Het risico op recidive wordt ingeschat op laag tot gemiddeld, het risico op letsel wordt ingeschat als laag en het risico op het onttrekken aan voorwaarden wordt ook als laag ingeschat.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, dagbesteding en huisvesting.
De verdachte is detentiegeschikt, maar de reclassering beoordeelt dat een gevangenisstraf negatieve gevolgen voor zijn opleiding zal hebben. De verdachte is ook taakstrafgeschikt. Een financiële sanctie lijkt momenteel lastig uitvoerbaar omdat de verdachte niet over een inkomen beschikt.
Op basis van het wegingskader ASR adviseert de reclassering het volwassenenstrafrecht toe te passen. De reclassering heeft daarin meegenomen: zijn sociale situatie, pedagogische invloeden en de indruk van de rapporteur. Er zijn wel indicaties om het jeugdstrafrecht toe te passen, want de verdachte lijkt in enige mate impulsief te hebben gehandeld en er zijn vermoeden van beïnvloedbaarheid door vrienden/kennissen. Op andere items ziet de reclassering geen indicaties. Er is op basis van de SCIL geen vermoeden van een licht verstandelijke beperking, de verdachte lijkt de risico’s van zijn handelen te kunnen inschatten, hij lijkt geen kinderlijk gedrag te vertonen en de verdachte lijkt zijn eigen gedrag te organiseren. Op basis van pedagogische mogelijkheden zijn er enige indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht: hij lijkt enigszins ontvankelijk voor sociale, emotionele of praktische ondersteuning of beïnvloeding door volwassen en de continuering van de schoolgang is enigszins noodzakelijk. Op de overige items zijn er geen indicaties: gezinsgerichte hulpverlening is niet noodzakelijk, hij heeft geen interventie of maatregel nodig die alleen via het jeugdstrafrecht beschikbaar is en hij heeft geen groepsgericht klimaat nodig.
De conclusie van de reclassering is dat zowel op basis van handelingsvaardigheden als op basis van pedagogische mogelijkheden geen doorslaggevende redenen zijn om het jeugdstrafrecht toe passen.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte volgt een opleiding Social Work, niveau 4. Hij heeft één dag fysiek les, één dag online les en hij moet daarnaast stage lopen. Daarnaast werkt hij 23 uur in de week in de zorg.
4.3.3.
Oplegging straffen
Verzoek toepassing jeugdstrafrecht
De rechtbank stelt vast dat de verdachte ten tijde van het begaan van de strafbare feiten twintig jaar oud was. Het uitgangspunt bij die leeftijd is dat de berechting plaatsvindt volgens het volwassenstrafrecht. De rechtbank overweegt het volgende over de vraag of er, in afwijking van dit uitgangspunt, aanleiding bestaat om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht.
De reclassering heeft in het rapport van 12 februari 2026 geconcludeerd dat toepassing van het volwassenstrafrecht het meest passend is. Weliswaar zijn er enige indicaties om het jeugdstrafrecht toe te passen, maar die zijn niet doorslaggevend. Er zijn bovendien vooral contra-indicaties aanwezig. Gelet hierop ziet ook de rechtbank geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.
Straffen
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf opleggen. Bij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte een opleiding volgt en dat hij op de zitting heeft verklaard dat hij inziet dat hij verkeerd heeft gehandeld. Op grond daarvan komt de rechtbank tot een lagere taakstraf dan door de officier van justitie geëist.
Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf van 167 dagen opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 120 dagen voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaar.
Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rest van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Daarnaast wordt aan de verdachte een taakstraf van 100 uur opgelegd.
Bijzondere voorwaarden
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht bij reclassering, gedragsinterventie gericht op cognitieve vaardigheden, dagbesteding en huisvesting.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

6.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 zijn omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van honderdzevenenzestig (167) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
Bepaalt dat
honderdtwintig (120) dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
Verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
twee (2) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2, 3029 AK Rotterdam.
de verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer. Indien de reclassering het noodzakelijk acht, werkt de verdachte mee aan verdiepingsdiagnostiek.
de verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk dan wel het volgen van een opleiding, met een vaste structuur, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
mocht het door de reclassering noodzakelijk worden geacht, de verdachte meewerkt aan begeleid wonen of plaatsing in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich dan aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van honderd (100) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
50 dagen.
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,
en mrs. M.I. Blagrove en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Beenakker, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 3 maart 2026.
Mr. N.R. Rietveld is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met zaakregistratienummer [nummer].
2.Verklaard tijdens de zitting van 17 februari 2026.
3.Pagina 1 e.v., nummer [proces-verbaalnummer 1] van voormeld proces-verbaal.
4.Pagina 11, nummer [proces-verbaalnummer 2] van voormeld proces-verbaal.
5.Pagina’s 92 e.v., nummer [proces-verbaalnummer 3] van voormeld proces-verbaal.
6.Pagina’s 16 e.v., nummer [proces-verbaalnummer 4] van voormeld proces-verbaal.
7.Pagina’s 6 e.v., nummer [proces-verbaalnummer 5] van voormeld proces-verbaal.
8.Pagina 23, nummer [proces-verbaalnummer 6] van voormeld proces-verbaal.
9.Pagina 24, nummer [proces-verbaalnummer 7] van voormeld proces-verbaal.