ECLI:NL:RBROT:2026:2473

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/10/713866 / JE RK 26-152
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen bij vader

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij hun vader voor negen maanden. De kinderen wonen sinds december 2022 bij de vader, die een stabiele en veilige opvoedsituatie biedt. De moeder stemde in met verlenging van de ondertoezichtstelling, maar niet met verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, en wenste meer contact met de kinderen.

Tijdens de zitting gaf de kinderrechter de kinderen gelegenheid hun mening te uiten. De GI lichtte toe dat de kinderen zich goed ontwikkelen, met positieve schoolprestaties en therapie. De moeder en vader communiceren inmiddels functioneel en staan open voor hulpverlening, met begeleide contactmomenten via Coachpoint die stapsgewijs worden uitgebreid.

De kinderrechter oordeelde dat verlenging van zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is om de hulpverleningstrajecten voort te zetten en de stabiele situatie bij de vader te waarborgen. Tevens moet de GI onderzoeken of uitbreiding van contactmomenten met de moeder mogelijk is en of ouders zelfstandig een ouderschapsplan kunnen opstellen. De verlenging is vastgesteld op vijf maanden tot 22 augustus 2026, met een pro forma zitting op 1 juli 2026.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen bij de vader worden verlengd tot 22 augustus 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/713866 / JE RK 26-152
Datum uitspraak: 24 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Dordrecht,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Jagesar, kantoorhoudende te Den Haag,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 20 januari 2026, bij de rechtbank binnengekomen op 26 januari 2026;
  • het toetsingsbesluit van de Raad voor de Kinderbescherming van 19 februari 2026, bij de rechtbank binnengekomen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
  • een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2].
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader.
2.3.
Bij beschikking van 10 juni 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 22 maart 2026. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader met gezag verlengd tot 22 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader met gezag te verlengen voor de duur van negen maanden.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en licht het als volgt toe. De kinderen ontwikkelen zich goed bij de vader thuis. Ook op school gaat het inmiddels goed. [minderjarige 1] had in het begin wel moeite om mee te komen op school en dat uitte zich in boosheid. Dit gaat inmiddels veel beter. De vader staat goed in contact met de school en [minderjarige 1] heeft sinds dit jaar een nieuwe leerkracht waar hij zich veilig bij voelt. Er is dus sprake van een vooruitgang. Daarnaast volgt [minderjarige 1] speltherapie in de vorm van traumabehandeling. Dit verloopt goed. Hoewel het met [minderjarige 2] goed gaat op school, wordt op dit moment nog wel onderzocht of het mogelijk is om via de school ambulante behandeling voor zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] in te zetten. Voorts hebben beide kinderen aangegeven dat zij meer tijd met hun moeder willen doorbrengen. De GI gaat onderzoeken of een uitgebreidere contactregeling met de moeder mogelijk is. De GI kan daarin een begeleidende rol spelen. Op dit moment vinden er begeleide contactmomenten tussen de kinderen en de moeder plaats via Coachpoint. De moeder bevindt zich in fase twee, wat betekent dat zij de kinderen zelfstandig uit school haalt. In maart wordt gestart met fase drie en zullen de moeder en de vader samen afspraken maken over de uitbreiding van de contactmomenten. Uiteindelijk wordt toegewerkt naar onbegeleide contactmomenten tussen de moeder en de kinderen.
4.2.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Er wordt – kort en zakelijk weergegeven en overeenkomstig de pleitnotitie – ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder stemt in met het verzoek om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen, maar slechts voor de duur van drie tot vijf maanden. De kinderen staan namelijk al sinds 2022 onder toezicht gesteld en er is inmiddels geen strijd meer tussen de ouders. De moeder en de vader kunnen onbelast met elkaar communiceren en afspraken maken over de omgang. Hierdoor bestaat er geen noodzaak meer voor een gedwongen kader en kunnen de ouders via het vrijwillige kader hulpverlening accepteren. Tevens kan dan worden toegewerkt naar een afronding van de ondertoezichtstelling. De moeder stemt daarentegen niet in met het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen. De moeder wil graag zelfstandig omgangsafspraken maken met de vader. De moeder verwacht niet dat de kinderen bij haar komen wonen, maar wel dat zij ook twee nachten in de week bij haar blijven slapen. De moeder wil co-ouderschap en deel uitmaken van de opvoeding van de kinderen. De machtiging tot uithuisplaatsing zorgt ervoor dat de omgangssituatie onveranderd blijft. Op dit moment ziet de moeder de kinderen slechts drie uren per week, tijdens begeleide omgangsmomenten via Coachpoint. De moeder heeft al meerdere keren aangegeven bij de GI dat zij dit wil uitbreiden, maar dit gebeurt niet. De moeder is flexibel in haar werkuren, waardoor uitbreiding wel mogelijk is.
4.3.
De vader stemt in met het verzoek van de GI. Het gaat op dit moment goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader thuis. Ook de begeleide contactmomenten met de moeder verlopen goed. De contactmomenten moeten stapsgewijs worden uitgebreid. De afgelopen periode heeft de vader hard zijn best gedaan om rust en een stabiele opvoedsituatie voor de kinderen te creëren. Dit is gelukt en hij wil graag dat dit zo blijft. De hoofdverblijfplaats van de kinderen zou bij de vader moeten zijn, maar om dit te bewerkstelligen moet de vader een procedure starten. Dit brengt hoge kosten met zich, waardoor de vader dit uitstelt.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter acht het positief dat in de afgelopen periode positieve stappen zijn gezet door de moeder en de vader waardoor zij op een functionele manier met elkaar kunnen communiceren over de kinderen. Ook is het positief dat de moeder en de vader openstaan voor hulpverlening vanuit Coachpoint, zodat er een gefaseerde uitbreiding van de contactmomenten tussen de kinderen en de moeder plaats kan vinden. De kinderrechter hoopt dat de moeder en de vader dit blijven vasthouden. Daarnaast acht de kinderrechter het positief dat [minderjarige 1] inmiddels speltherapie vanuit Eleos volgt en dat door de GI wordt onderzocht of de inzet van ambulante behandeling via de school mogelijk is voor zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2]. Een verlening van de ondertoezichtstelling is nog noodzakelijk, zodat de hulpverleningstrajecten van de kinderen worden voortgezet en het traject van de ouders bij Coachpoint kan worden afgerond. De GI kan op die manier een ondersteunde rol blijven spelen bij de uitbreiding van de contactmomenten tussen de moeder en de kinderen.
5.2.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen namelijk sinds december 2022 bij de vader en de vader biedt een veilige en stabiele opvoedsituatie voor hen. De kinderen ontwikkelen zich hierdoor positief bij de vader. Gelet hierop is het van belang dat het verblijf van de kinderen bij de vader gecontinueerd wordt. Het is positief dat de moeder sinds een aantal maanden in behandeling is en dat er een stijgende lijn in haar betrokkenheid bij de kinderen zichtbaar is. Het is van belang dat de contactmomenten tussen de kinderen en de moeder de komende periode worden uitgebreid. Hierbij staat het belang van [minderjarige 1] als [minderjarige 2] voorop en moet door de GI, in samenwerking met Coachpoint, worden onderzocht op welke manier dat mogelijk is. Daarnaast moet in de komende periode door de GI worden onderzocht of de ouders in staat zijn om op constructieve wijze met elkaar te communiceren en zelfstandig een ouderschapsplan kunnen opstellen, zodat een overdracht naar een vrijwillig kader eventueel mogelijk is.
5.3.
Het is in het belang van [minderjarige 1] als [minderjarige 2] dat er duidelijkheid bestaat over waar zij mogen opgroeien. Doordat er op dit moment nog geen concrete plannen zijn gemaakt in de vorm van een ouderschapsplan, kunnen de ouders op dit moment nog geen duidelijkheid voor de kinderen bieden. De komende periode moet daarom worden gebruikt om tot duidelijke afspraken te komen. Ook dient deze periode gebruikt te worden om te onderzoeken welke doelen er nog binnen de ondertoezichtstelling gehaald moeten worden, dan wel dat toegewerkt kan worden naar het vrijwillig kader. Gelet op het voorgaande ziet de kinderrechter aanleiding om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van vijf maanden, te weten tot 22 augustus 2026 en het overig verzochte aanhouden tot de hierna te noemen pro forma datum.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.5.
De GI wordt verzocht om uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum te rapporteren (met afschrift aan de moeder en haar advocaat en de vader) over de dan huidige stand van zaken en daarbij aan te geven of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 22 augustus 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader met gezag tot 22 augustus 2026;
en alvorens verder te beslissen:
6.3.
houdt de beslissing op het overig verzochte aan tot
1 juli 2026 pro forma;
6.4.
bepaalt dat de GI, de moeder en haar advocaat en de vader op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.5.
verklaart de GI
uiterlijk op de genoemde pro forma datumde verzochte rapportage te doen toekomen (met afschrift aan de moeder en haar advocaat en de vader).
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 door mr. S. Jordaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. van der Zeeuw als griffier, en op schrift gesteld op 9 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.