De rechtbank Rotterdam behandelde verzoeken van partijen omtrent ouderlijk gezag, contactregeling, informatieregeling en kinderbijdrage met betrekking tot hun minderjarige kind. De man verzocht gezamenlijk gezag, maar de rechtbank kon niet vaststellen of partijen gehuwd waren, mede doordat de man niet voldeed aan zijn verplichting om relevante feiten en documenten, zoals de huwelijksakte, te overleggen. Hierdoor werd het verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen.
De rechtbank erkende het Marokkaanse echtscheidingsvonnis, maar stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is voor de omgangsregeling omdat de gewone verblijfplaats van het kind in Nederland is. De man had belang bij een contactregeling, die inhoudelijk werd beoordeeld. De vrouw uitte zorgen over de veiligheid van het contact, terwijl de raad voor de kinderbescherming adviseerde een bijzondere curator te benoemen om de belangen van de minderjarige te behartigen.
De rechtbank benoemde mr. R.A.A.H. van Leur als bijzondere curator met de opdracht de wensen van de minderjarige en de mogelijkheden voor contact met haar vader te onderzoeken. De informatieregeling werd aangehouden in afwachting van het verslag van de bijzondere curator. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een kinderbijdrage werd afgewezen omdat deze reeds was geregeld in Marokko en erkend wordt in Nederland.
De procedure werd schriftelijk afgedaan, waarbij de bijzondere curator binnen twaalf weken verslag moet uitbrengen. De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en stelde een pro forma zitting in voor 1 juni 2026.