Verzoekster, samen met haar drie minderjarige kinderen, is vanuit Sint-Maarten naar Nederland gekomen vanwege huiselijk geweld. Na aankomst bleek haar woonruimte niet beschikbaar en verbleef zij tijdelijk als bankslaper bij een kennis. Het college wees haar aanvraag voor maatschappelijke opvang af omdat zij zelfredzaam zou zijn. Verzoekster stelde dat zij en haar gezin niet zelfredzaam zijn vanwege onverwerkt trauma en gedragsproblemen bij haar kinderen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake is van een spoedeisend belang omdat verzoekster en haar gezin op 5 maart 2026 het hotel moeten verlaten en anders dakloos worden. Gezien de problematiek binnen het gezin, waaronder het onverwerkte trauma en de gedragsproblemen van de oudste zoon, weegt het belang van verzoekster zwaarder dan dat van het college.
De voorzieningenrechter treft daarom een voorlopige voorziening en bepaalt dat het college opvang moet verlenen vanaf 5 maart 2026 tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak is bindend maar heeft een voorlopig karakter en er is geen hoger beroep mogelijk.