Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2479

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C/10/692421 / HA ZA 25-59
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:50 BWArt. 5:51 BWArt. 5:54 BWArt. 237 lid 1 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over dakopbouw en schadevergoeding door lekkage tussen buren

Eiser 1 en gedaagde zijn buren met aangrenzende panden. Gedaagde bouwde een dakopbouw die volgens eiser 1 te dicht op de erfgrens staat, met een overstek die boven hun perceel uitsteekt en ramen die niet ondoorzichtig zijn. Eiser 1 vordert verwijdering of aanpassing van de dakopbouw en het ondoorzichtig maken van de ramen. De rechtbank oordeelt dat de bouw niet onrechtmatig is, mede omdat de gemeente Rotterdam de situatie als rechtmatig heeft beoordeeld. De vorderingen tot verwijdering of aanpassing worden afgewezen, maar het ondoorzichtig maken van de ramen wordt toegewezen omdat deze binnen twee meter van de erfgrens zicht bieden.

In reconventie vordert gedaagde schadevergoeding wegens lekkage en schimmel in zijn pand, die hij toeschrijft aan gebreken in het pand van eiser 1. De rechtbank vindt dat gedaagde onvoldoende heeft onderbouwd dat de vochtproblemen door eiser 1 zijn veroorzaakt. De vordering wordt daarom afgewezen.

De rechtbank compenseert de proceskosten in conventie, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt. In reconventie wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en bevat een dwangsom voor het ondoorzichtig maken van de ramen.

Uitkomst: Vordering tot verwijdering dakopbouw afgewezen, ramen moeten ondoorzichtig worden gemaakt, schadevergoeding wegens lekkage afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/692421 / HA ZA 25-59
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

wonend in [woonplaats] ,
2.
[eiser 2],
wonend in [woonplaats] ,
eisers,
advocaat: mr. R. Benneker,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. P. van der Mersch.
Eisers worden hierna samen [eiser 1] genoemd, gedaagde wordt hierna [gedaagde] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
De zaak in conventie gaat over de dakopbouw die [gedaagde] heeft gebouwd op het dak van zijn pand. Volgens [eiser 1] bevindt deze dakopbouw zich te dicht op de erfgrens met zijn pand, steekt de overstek van de dakopbouw uit tot boven zijn perceel en is de dakopbouw aan de kant van het pand van [eiser 1] niet voorzien van ondoorzichtig gemaakte ramen. De rechtbank wijst de vordering van [eiser 1] tot het verwijderen of aanpassen van de dakopbouw af, omdat niet is komen vast te staan dat de bouw daarvan onrechtmatig is jegens [eiser 1] . Wel moet [gedaagde] de ramen van de dakopbouw ondoorzichtig maken.
In reconventie gaat het om de vraag of [eiser 1] aan [gedaagde] de schade moeten vergoeden die [gedaagde] stelt te hebben geleden vanwege lekkage en schimmelvorming in zijn pand. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend, omdat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat deze vochtproblemen zijn veroorzaakt door gebreken in het pand van [eiser 1] .

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 januari 2025, met producties 1 tot en met 8;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en
met 8;
- de brief van 16 april 2025, waarin de rechtbank partijen meedeelt dat een mondelinge
behandeling is bepaald;
- de akte wijziging van eis in reconventie, met producties 9 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte overlegging productie(s)
in conventie, met producties 9 tot en met 15;
- de pleitnota van [eiser 1] en de spreekaantekeningen van [gedaagde] voor de mondelinge
behandeling op 1 oktober 2025;
- de akte houdende overlegging producties van [gedaagde] , met producties 14 tot en met 17;
- de antwoordakte van [eiser 1] ;
- het bezwaar van [gedaagde] tegen de antwoordakte van [eiser 1] ;
- het bericht van de rechtbank aan partijen, waarbij dit bezwaar is afgewezen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser 1] zijn eigenaars van een pand in de [adres] in [woonplaats] . [gedaagde] is eigenaar van een pand daarnaast. [eiser 1] en [gedaagde] hebben de panden verhuurd.
3.2.
[gedaagde] is in november 2019 begonnen met het bouwen van een dakopbouw op zijn pand. Toen [eiser 1] hiervan kennis namen, hebben zij [gedaagde] gesommeerd de opbouw af te breken vanwege inbreuk op hun eigendomsrecht. [gedaagde] heeft daarop de bouw tijdelijk stilgelegd. In januari 2020 heeft [gedaagde] de bouw hervat. Begin juli 2024 hebben [eiser 1] [gedaagde] nogmaals gesommeerd om “de illegale situatie ongedaan te (laten) maken”. In reactie daarop heeft [gedaagde] aan [eiser 1] laten weten dat hij de doorzichtige (kantel)ramen heeft vervangen door ondoorzichtige vaste ramen. In november 2024 hebben [eiser 1] aan [gedaagde] laten weten dat de ramen van de dakopbouw nog steeds doorzichtig zijn of in elk geval niet op permanente wijze ondoorzichtig zijn gemaakt.
3.3.
In 2024 heeft [gedaagde] aan [eiser 1] bericht dat hij in zijn pand lekkage heeft die volgens hem wordt veroorzaakt door de douche in het pand van [eiser 1] . De huurders van [gedaagde] zouden daardoor schimmel en schade aan de muur hebben. [gedaagde] vraagt eind juni 2024 aan [eiser 1] hoe dit opgelost gaat worden en deelt mee dat als hij niets hoort van [eiser 1] , hij de huurcommissie zal inschakelen om “de zaken gerepareerd te krijgen” of, als dit niet snel genoeg gaat, hij zelf het nodige zal repareren en de rekening aan [eiser 1] zal sturen.

4.De vorderingen

in conventie
4.1.
[eiser 1] vorderen – samengevat en zoals nader toegelicht ter zitting – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] op straffe van een dwangsom te veroordelen om:
I. binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de dakopbouw aan de kant van het pand van [eiser 1] te verwijderen of zo aan te passen dat de dakopbouw zich niet langer binnen vijftig centimeter van de erfgrens tussen beide percelen bevindt,
II. binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de overstek van de dakopbouw aan de kant van het pand van [eiser 1] te verwijderen of zo aan te passen dat (a) deze niet meer over het perceel van [eiser 1] heen steekt en (b) de goot daar weer over de volle breedte begaanbaar wordt en wordt gehouden voor onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden,
III. binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de ramen in de dakopbouw aan de kant van het pand van [eiser 1] duurzaam/definitief ondoorzichtig te maken en te houden door deze te voorzien en voorzien te houden van ondoorzichtig glas, melkglas of matglas of permanent hechtende matteringsfolie,
met veroordeling van [gedaagde] in de (na)kosten van dit geding.
[eiser 1] leggen daaraan een onrechtmatige daad van [gedaagde] ten grondslag.
in reconventie
4.2.
[gedaagde] vordert na wijziging van eis – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiser 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 1.330,68 en (buitengerechtelijke incasso)kosten, met rente.
[gedaagde] legt daaraan een onrechtmatige daad van [eiser 1] ten grondslag.

5.De beoordeling

in conventie
het staat niet vast dat de dakopbouw publiekrechtelijk gezien onrechtmatig is
5.1.
[eiser 1] stellen dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door in strijd met het bestemmingsplan Kralingen-West zonder toereikende vergunning een dakopbouw te realiseren die binnen vijftig centimeter van de erfgrens is geplaatst.
5.2.
[gedaagde] betwist niet dat de dakopbouw is gerealiseerd binnen vijftig centimeter van de erfgrens. Hij betwist wel dat hij hiermee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] . [gedaagde] verwijst naar de in het geding gebrachte vergunning van de gemeente Rotterdam van 4 oktober 2019 en naar de later ingediende revisietekeningen.
5.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn het er niet over eens of de dakopbouw is gerealiseerd conform de verleende vergunning of latere revisietekeningen. [eiser 1] benadrukken in dit verband onder meer dat na 4 oktober 2019 geen nieuwe omgevingsvergunning voor het pand van [gedaagde] is gepubliceerd en dat de dakopbouw niet is gerealiseerd conform de revisietekeningen. Daarmee hebben [eiser 1] echter niet betwist dat [gedaagde] revisietekeningen bij de gemeente heeft ingediend en [gedaagde] stelt ook dat de gemeente de gerealiseerde dakopbouw ter plaatse heeft gecontroleerd en in orde bevonden. Gelet op deze door [eiser 1] niet betwiste stellingen moet het ervoor worden gehouden dat de gemeente Rotterdam de bestaande situatie als rechtmatig beschouwt. Daarmee is niet komen vast te staan dat de dakopbouw publiekrechtelijk gezien als onrechtmatig moet worden beschouwd. De vorderingen van [eiser 1] zijn dan ook niet toewijsbaar op de primaire grondslag.
van een te brede overstek is niet gebleken
5.4.
[eiser 1] stellen in hun antwoordakte dat [gedaagde] ook onrechtmatig jegens hen handelt als de dakopbouw publiekrechtelijk gezien legaal zou zijn. [eiser 1] wijzen op artikel 5:54 BW Pro, op grond waarvan zij de overstek van de dakopbouw niet hoeven te dulden, tenzij [gedaagde] door wegneming van de overstek onevenredig veel zwaarder benadeeld zou worden dan [eiser 1] door handhaving daarvan. [eiser 1] voeren aan dat zij benadeeld worden door de overstek, omdat de goot ter plaatse niet over de volle breedte begaanbaar is voor onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden en omdat aan hen de mogelijkheid is ontnomen om in de toekomst zelf een dakopbouw te realiseren zonder daarbij gehinderd te worden door de overstek van de dakopbouw van [gedaagde] . Van onevenredige benadeling van [gedaagde] is volgens [eiser 1] geen sprake, omdat zij [gedaagde] direct tijdens de bouw hebben aangesproken op de overstek.
5.5.
[gedaagde] betwist dat sprake is van overbouw of een overhangend dakoverstek. Als daar wel sprake van is, voert [gedaagde] (subsidiair) aan dat [eiser 1] geen redelijk belang hebben bij de vordering, omdat niet is gebleken van enige vorm van schade, benadeling of hinder.
5.6.
De rechtbank overweegt als volgt.
Tegen de achtergrond van de betwisting van [gedaagde] hebben [eiser 1] hun stelling dat sprake is van een overstek die zij niet hoeven te dulden, onvoldoende onderbouwd. Uit de in het geding gebrachte foto’s blijkt niet dat de overstek zich voor een deel boven het perceel van [eiser 1] bevindt. De overgelegde foto met een meetlint is daarvoor onvoldoende, alleen al omdat betwijfeld moet worden dat het meetlint op deze foto loodrecht naar beneden wordt gehouden.
5.7.
[eiser 1] voeren verder aan dat de goot als gevolg van de dakoverstek onvoldoende begaanbaar is voor onderhouds- of schoonmaakwerkzaamheden. Een nadere onderbouwing van deze door [gedaagde] betwiste stelling ontbreekt. Een dergelijke onderbouwing had wel verwacht mogen worden, ook omdat uit de overgelegde foto’s niet duidelijk blijkt dat deze stelling van [eiser 1] feitelijk juist is.
de onrechtmatigheid van de plaatsing van de dakopbouw is niet komen vast te staan
5.8.
Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat de positie van de dakopbouw of de dakoverstek jegens [eiser 1] onrechtmatig is. Zij hebben niet gesteld dat de plaatsing van de dakopbouw jegens hen om andere redenen onrechtmatig is (afgezien van de ramen, waarop hierna wordt ingegaan). Het feitelijke handelen van [eiser 1] wijst ook niet in de richting dat zij (of hun huurders) onrechtmatig worden gehinderd door de aanwezigheid van de dakopbouw. [eiser 1] hebben na hun aanvankelijke sommatie jarenlang niets ondernomen tegen de geplaatste dakopbouw. Verder stellen zij weliswaar dat zij nu zelf geen dakopbouw meer kunnen plaatsen, maar ook dat hebben zij onvoldoende onderbouwd en zij hebben overigens ook niet gesteld dat zij een concreet voornemen daartoe hadden of hebben. De rechtbank wijst vordering I en II dan ook af.
de ramen moeten blijvend ondoorzichtig worden gemaakt
5.9.
[eiser 1] wijzen erop dat het niet geoorloofd is om binnen twee meter van de grenslijn van een naburig erf ramen te hebben als deze op dat erf uitzicht geven, behalve als zij vast en ondoorzichtig zijn. Omdat de ramen in de dakopbouw zich binnen twee meter van de grenslijn van het erf [eiser 1] bevinden, moet [gedaagde] de dakopbouw voorzien van vaste en ondoorzichtige ramen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.
5.10.
[gedaagde] betwist niet dat de dakopbouw binnen twee meter van de erfgrens is geplaatst en ramen heeft die uitzicht geven op het pand van [eiser 1] . Volgens [gedaagde] is dit echter niet onrechtmatig, omdat deze ramen blijvend ondoorzichtig zijn gemaakt. Van inbreuk op de privacy van huurders is niet gebleken.
5.11.
De rechtbank overweegt als volgt.
Gelet op de artikelen 5:50 BW en 5:51 BW handelt [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser 1] (en hun huurders) als de ramen van de dakopbouw zich bevinden binnen twee meter van de erfgrens en uitzicht geven op het erf [eiser 1] . [gedaagde] heeft niet betwist dat dit het geval is. In beginsel handelt [gedaagde] dus onrechtmatig, tenzij deze ramen ondoorzichtig zijn (gemaakt).
Volgens [gedaagde] heeft hij de dakopbouw voorzien van vaste ramen die ondoorzichtig zijn gemaakt met permanent hechtende matteringsfolie. Als dit inderdaad het geval is, dan is deze oplossing afdoende. Artikel 5:51 BW Pro schrijft immers alleen voor dat de ramen ondoorzichtig moeten zijn en blijven. Het schrijft niet voor welk materiaal daarvoor moet worden gebruikt. Echter, uit de gedingstukken blijkt niet dat [gedaagde] alle ramen van de dakopbouw ondoorzichtig heeft gemaakt. Om dit te onderbouwen heeft [gedaagde] een aantal foto’s in zijn pleitnota opgenomen. Op de onderste twee foto’s is te zien dat vanuit de dakopbouw (wel degelijk) zicht bestaat op het pand van [eiser 1] , zij het vaag. Ramen die een vaag uitzicht bieden, zijn niet ondoorzichtig.
de conclusie wat betreft vordering III
5.12.
De rechtbank wijst deze vordering toe zoals opgenomen in de beslissing, waarbij de gevorderde dwangsom fors wordt gematigd en gemaximeerd. De rechtbank doet dit omdat de overtreding waarvan nu nog sprake is betrekkelijk gering is en [gedaagde] in het verleden bereid is gebleken om aanpassingen te doen aan de ramen, zij het dat deze aanpassingen nog onvoldoende zijn.
De rechtbank zal deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat [eiser 1] dat hebben gevorderd en [gedaagde] daartegen geen specifiek verweer heeft gevoerd.
de rechtbank compenseert de proceskosten
5.13.
[eiser 1] zijn weliswaar overwegend in het ongelijk gesteld, maar hun derde vordering wordt grotendeels toegewezen en bovendien hebben zij onweersproken gesteld dat [gedaagde] verschillende ramen in de dakopbouw pas na dagvaarding ondoorzichtig(er) heeft gemaakt. Onder deze omstandigheden zijn alle partijen als op enige punten over en weer in het ongelijk te beschouwen in de zin van artikel 237 lid 1 Rv Pro en ligt compensatie van de proceskosten voor de hand.
in reconventie
5.14.
Ter onderbouwing van de gestelde onrechtmatige daad van [eiser 1] voert [gedaagde] onder verwijzing naar door hem in het geding gebrachte foto’s en facturen aan dat de vochtproblemen in zijn pand zijn veroorzaakt door achterstallig onderhoud aan het pand van [eiser 1] . Daarnaast beroept [gedaagde] zich op de kwalitatieve aansprakelijkheid van de bezitter van een opstal. Volgens [gedaagde] hebben [eiser 1] geweigerd om na de eerste signalering door [gedaagde] in januari 2024 adequate maatregelen te treffen. [gedaagde] houdt [eiser 1] aansprakelijk voor de kosten die zijn gemoeid met noodzakelijk herstel.
[gedaagde] voert verder het volgende aan.
De vochtproblemen uiten zich in de vorm van natte muren en schimmel over vrijwel de gehele scheidsmuur tussen de panden van [gedaagde] en [eiser 1] op de begane grond.
In de voorkamer op de begane grond is de schade vooral ontstaan door wijkende kitnaden en afgebrokkelde voegen in de douche in het pand van [eiser 1] , zoals te zien is op in juni 2024 genomen detailfoto’s van de douche.
In de achterkamer is de schade veroorzaakt door doorslaand vocht vanuit de keuken van het pand van [eiser 1] (slechte ventilatie in combinatie met condensvorming door een geiser) en door een lekkende, inmiddels verboden waterleiding van [eiser 1] .
5.15.
[eiser 1] betwisten dat eventuele vochtproblemen in het pand van [gedaagde] worden veroorzaakt door enig technisch gebrek in of aan hun pand. Zij betwisten verder dat sprake is van onvoldoende onderhoud of onvoldoende maatregelen ter voorkoming van schade en betwisten dat zij aansprakelijk zijn voor de schade van [gedaagde] . Voor zover [eiser 1] kunnen beoordelen, zijn eventuele vochtproblemen afkomstig van het pand van [gedaagde] .
[eiser 1] voeren hiertoe het volgende aan.
Als “water dwars door de scheidsmuur van de panden” zou zijn gekomen, zoals [gedaagde] stelt, zou een enorme ravage te zien moeten zijn geweest in de badkamer en keuken in het pand van [eiser 1] , voordat enig probleem zichtbaar zou zijn achter de veertig centimeter dikke scheidsmuur aan de kant van het pand van [gedaagde] . Dat was niet het geval. [gedaagde] heeft het pand van [eiser 1] ook zelf onderzocht en heeft daarbij geen enkel vochtprobleem waargenomen of gefotografeerd. Ook de huurders van [eiser 1] hebben hiervan geen melding gemaakt.
Ten aanzien van de badkamer betwisten [eiser 1] dat het door [gedaagde] gefotografeerde voeg- en/of kitwerk enig gebrek heeft vertoond dat heeft geleid/kunnen leiden tot vochtproblemen in de voorkamer van het pand van [gedaagde] . De aannemer van [eiser 1] heeft na de meldingen van [gedaagde] in de week van 8 juni 2024 het voeg- en kitwerk in de badkamer vernieuwd. [eiser 1] verwijzen naar de desbetreffende factuur.
Ten aanzien van de keuken voeren [eiser 1] aan dat van condensvorming geen sprake is geweest. De scheidsmuur was kurkdroog en schoon. De geiser was niet aan de scheidswand bevestigd, maar aan de wand van andere kant van de keuken. Het betrof een kleine keukengeiser die uitsluitend kortdurend werd gebruikt voor de productie van tapwater in de keuken of de badkamer. Daarbij kan de geiser niet meer vocht hebben geproduceerd dan bij bijvoorbeeld het koken van een maaltijd. De geiser vertoonde geen gebrek en was in onderhoud bij een installateur. [eiser 1] verwijzen naar twee foto’s van de keuken van 29 juli 2024. De geiser is op 24 januari 2025 vervangen door een boiler. Als er sprake zou zijn geweest van condensvorming die zou hebben geleid tot vochtdoorslag in het pand van [gedaagde] , dan kan dit het gevolg zijn geweest van aan [eiser 1] onbekend huurdersgedrag en dus niet van onrechtmatig handelen van [eiser 1] of een gebrek aan de opstal van [eiser 1] .
Onduidelijk is wat de lekkende waterleiding in de kruipruimte te maken heeft met de vordering van [gedaagde] . [gedaagde] heeft niet geklaagd over schade aan zijn pand als gevolg daarvan. Dergelijke schade is ook niet aannemelijk. Water dat lekte uit de betreffende waterleiding kon immers gewoon de grond in trekken in de kruipruimte. Toen eind oktober 2024 de huurders van [eiser 1] melding hebben gemaakt van de lekkende waterleiding hebben zij onmiddellijk de afsluiter van de waterleiding dichtgedraaid, zodat verdere lekkage niet meer kon plaatsvinden. Vervolgens hebben [eiser 1] geprobeerd de leiding zo spoedig mogelijk te herstellen, wat pas op l8 november 2024 mogelijk was omdat de huurders aanvankelijk weigerden mee te werken. De loden leidingen zijn op zichzelf geen gebrek. Slechts de aanwezigheid van een te hoge loodconcentratie in water afkomstig van tappunten kan een gebrek vormen. Daarvan was geen sprake en dit staat bovendien volledig los van de gestelde waterschade. De aannemer van [gedaagde] adviseert juist een inspectie in de kruipruimte van het pand van [gedaagde] zelf.
Ter onderbouwing van hun stelling dat eventuele vochtproblemen mogelijk andere oorzaken hebben, verwijzen [eiser 1] naar de aannemer van [gedaagde] die heeft gewezen op een oude lekkage afkomstig van het pand van de andere buurman van [gedaagde] . Verder ligt het volgens [eiser 1] , vanwege de door [gedaagde] gestelde horizontale uitgestrektheid van de vochtschade over de gehele lengte van het pand, voor de hand dat sprake is geweest van lekkage vanaf de nieuw geplaatste dakopbouw op het pand van [gedaagde] . Hierbij is volgens [eiser 1] van belang dat de dakopbouw mede lijkt te zijn opgetrokken met materialen die daarvoor onvoldoende geschikt zijn.
[gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat vochtproblemen zijn veroorzaakt door [eiser 1]
5.16.
De rechtbank overweegt als volgt.
Tegen de achtergrond van de uitvoerig gemotiveerde betwisting van [eiser 1] dat eventuele vochtproblemen in het pand van [gedaagde] afkomstig zijn geweest van enig technisch gebrek of achterstallig onderhoud in of aan hun pand, heeft [gedaagde] zijn stelling dat de vochtproblemen zijn veroorzaakt door [eiser 1] en dat de herstelkosten daarmee verband houden, onvoldoende (nader) onderbouwd. Gelet op de in het geding gebrachte foto’s, correspondentie en door [eiser 1] verrichte reparatiewerkzaamheden/vervangingen, is het op zichzelf mogelijk dat er problemen waren in de badkamer en keuken van het pand van [eiser 1] en vast staat dat sprake was van een lekkende leiding in de kruipruimte van het pand van [eiser 1] . Deze problemen kunnen naar hun aard echter in beginsel niet hebben geleid tot vochtdoorslag over de gehele lengte van de scheidsmuur in de door [gedaagde] gestelde omvang, waarbij water dwars door die scheidsmuur zou zijn gelopen en sprake was van een kletsnatte muur. In de badkamer en keuken van het pand van [eiser 1] waren immers geen vochtproblemen waarneembaar, terwijl de aannemer van [gedaagde] op 24 augustus 2025 schrijft dat sprake moet zijn geweest van een ingrijpende lekkage. De door [gedaagde] in het geding gebrachte facturen bieden geen uitkomst. Het causaal verband tussen de problemen in het pand van [eiser 1] en de lekkage in het pand van [gedaagde] is daarmee niet vast komen te staan. De rechtbank wijst de vordering van [gedaagde] dan ook af.
[gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten
5.17.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten.
De proceskosten aan de kant van [eiser 1] worden begroot op € 1.108,00 aan salaris advocaat (2 punten x € 554,00, zijnde tarief I). [gedaagde] moet ook € 189,00 aan nakosten aan [eiser 1] betalen, met de eventuele verhoging die in de beslissing staat vermeld.
5.18.
Deze kostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser 1] dat hebben gevorderd en [gedaagde] op dat punt geen specifiek verweer heeft gevoerd (artikel 233 Rv Pro).

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen achtentwintig dagen na betekening van dit vonnis de ramen in de dakopbouw aan de kant van het pand van [eiser 1] ondoorzichtig te maken en te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25,00 per dag als [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,00;
6.2.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.4.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
6.5.
wijst de vorderingen af;
6.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] tot op heden begroot op € 1.297,00. Als [gedaagde] niet binnen veertien dagen aan deze veroordeling voldoet en dit vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,00 extra aan [eiser 1] betalen, plus de kosten van betekening;
6.7.
verklaart 6.6 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
615/3194/3268