Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2499

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
11646024 CV EXPL 25-9257
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:231 lid 2 BWArt. 6:265 BWArt. 7:213 BWArt. 8 EVRMArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontruiming woning na buitengerechtelijke ontbinding huurovereenkomst wegens drugs en wapens

Woonplus heeft de huurovereenkomst van een woning en garage ontbonden nadat de politie in juni 2024 drugs, wapens en contant geld aantrof in de woning, waarna de burgemeester de woning tijdelijk sloot. De huurders, een gezin met minderjarige kinderen, keerden na opheffing van de sluiting terug. Woonplus vorderde ontruiming van de woning en garage, stellende dat de ontbinding rechtsgeldig was.

De kantonrechter oordeelt dat de ontbinding van de huurovereenkomst tijdens de tijdelijke sluiting niet proportioneel is en dat er geen tekortkoming van de huurders is die ontbinding rechtvaardigt. De drugs en wapens werden aangetroffen in de slaapkamer van de oudste zoon, die strafrechtelijk is veroordeeld, maar de ouders en andere gezinsleden waren niet betrokken. Er was geen aanleiding voor de ouders om te vermoeden dat er drugs of wapens in de woning waren.

Ook is meegewogen dat het gezin al 25 jaar in de woning woont, met sterke binding aan de buurt, en dat de gevolgen van ontbinding in de huidige woningmarkt zwaar wegen. Woonplus kon haar stelling over huurachterstanden onvoldoende onderbouwen. De vorderingen tot ontruiming, gebruiksvergoeding en kosten worden afgewezen. De garage blijft onderwerp van discussie en wordt aangehouden voor nadere opheldering.

De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor nadere reactie van Woonplus over de garage. Alle verdere beslissingen worden aangehouden in afwachting daarvan.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de woning wordt afgewezen omdat de ontbinding van de huurovereenkomst niet proportioneel is en geen tekortkoming van de huurders is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11646024 CV EXPL 25-9257
datum uitspraak: 6 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonplus Schiedam,
vestigingsplaats: Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: mr. N.V.C. Haneveld,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagden,
gemachtigde: mr. A.A. Bhagwandin.
De partijen worden hierna Woonplus, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 4 april 2025, met bijlagen 1 tot en met 17;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de brief van 4 december 2025 van mr. Haneveld, met bijlage 18;
  • de mails van 5 en 8 december 2025 van mr. Bhagwandin, met bijlagen A t/m J;
  • de spreekaantekeningen van mr. Haneveld;
  • de spreekaantekeningen van mr. Bhagwandin.
1.2.
Op 15 december 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
  • van Woonplus [naam 1] (leefbaarheidsregisseur) en [naam 2] (senior gebiedsmedewerker) met mr. Haneveld;
  • [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met mr. Bhagwandin.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] huren een woning en garage van Woonplus. Zij wonen in de woning met hun gezin. In de woning is door de politie een hoeveelheid drugs, wapens en contant geld aangetroffen. De burgemeester heeft de woning daarom tijdelijk gesloten. Woonplus heeft de huurovereenkomsten voor de woning en de garage ontbonden met een brief. Met deze rechtszaak wil Woonplus dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld de woning en de garage te verlaten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn het daar niet mee eens. De kantonrechter geeft Woonplus ongelijk. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] mogen in de woning blijven wonen. Woonplus mag nog aangeven wat zij in dat geval met de garage wil. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is van de zaak.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] mogen in de woning blijven wonen
2.2.
De ontbinding van de huurovereenkomst van de woning door Woonplus tijdens de sluiting is niet proportioneel en er is geen tekortkoming van de huurders die ontbinding van de huurovereenkomst van de woning door de rechter rechtvaardigt. Dat wordt hierna uitgelegd.
2.3.
Wat is er gebeurd? De woning is in juni 2024 doorzocht door de politie. De politie heeft onder meer twee gasdrukpistolen, vier dozen munitie, een busje pepperspray, vijf gripzakjes met cocaïne, een gripzakje met MDMA en ruim € 20.000,- contant geld gevonden. De hoeveelheid drugs was meer dan de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik en dus een handelshoeveelheid. De burgemeester heeft de woning met spoed gesloten. Op 4 juli 2024 heeft Woonplus met een brief aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de huurovereenkomst voor de woning ontbonden (artikel 7:231 lid 2 BW Pro). De burgemeester heeft de sluiting van de woning na twee weken opgeheven. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn daarna teruggekeerd naar de woning.
2.4.
Woonplus stelt dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en hun gezin de woning uit moeten, omdat Woonplus de huurovereenkomst tijdens de tijdelijke woningsluiting heeft ontbonden. Zij vordert dat de huurders worden veroordeeld de woning te verlaten. De kantonrechter stelt voorop dat een ontruiming van een woning een inmenging is in het recht op respect voor privéleven en woning. Een ontruiming heeft ook bijzonder vergaande gevolgen. De kantonrechter moet beoordelen of de ontruimingsvordering proportioneel is en daarbij ook de belangen van minderjarige kinderen meewegen (artikelen 8 EVRM, 6:248 lid 2 BW, 3:13 BW en 3 IVRK). Om te beoordelen of de gevorderde ontruiming proportioneel is, kan ook worden meegewogen of de huurders persoonlijk iets te verwijten valt, de ernst van de overtreding die de basis vormt voor de sluiting van de woning en de overige omstandigheden van het geval, waaronder de mogelijk verstrekkende gevolgen van ontbinding van de huurovereenkomst in de huidige woningmarkt.
2.5.
In dit geval is het volgende meegewogen bij de beoordeling van de ontbinding van de huurovereenkomst door Woonplus.
2.5.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] wonen al zo’n 25 jaar (vanaf 1999) aan het [adres 1] in [woonplaats] . Voor de politie-inval woonden zij in de woning met hun drie meerderjarige zoons en hun minderjarige dochter. Het gezin is geworteld in de buurt.
2.5.2.
De gasdrukwapens, de munitie, de drugs en een bedrag van € 4.122,- aan contant geld zijn gevonden in (de kledingkast in) de eerste slaapkamer aan de rechterzijde van de woning. Deze slaapkamer werd alleen gebruikt door de oudste zoon, [naam 3] . Er zijn geen aanwijzingen dat deze slaapkamer, ondanks de aanwezigheid van een stapelbed, ook door een van de andere gezinsleden werd gebruikt. De andere twee zoons zijn niet betrokken in het strafrechtelijke onderzoek en sliepen volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de andere slaapkamer met een stapelbed; de dochter sliep bij de ouders op de kamer. In de slaapkamer van de ouders is € 17.395,- aan contant geld gevonden. Dat geld is teruggegeven, nadat uit onderzoek bleek dat dit afkomstig was van het eigen bedrijf van [gedaagde 1] .
2.5.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren aan dat zij niets wisten van de drugs en wapens in de slaapkamer van hun oudste zoon. Woonplus vindt dat de ouders alerter hadden moeten zijn en hebben toegelaten dat de zoon de spullen in de woning bracht. De kantonrechter ziet echter niet dat er enige aanleiding voor de ouders was om een vermoeden te hebben dat er drugs of wapens in de slaapkamer zouden zijn of dat er een andere aanleiding was om de kamer daarop te controleren: [naam 3] had een vaste baan als bezorger, geen dure kleding of dure spullen en geen strafrechtelijke antecedenten. De drugs en wapens lagen niet in het zicht. Uit het verslag van de politie blijkt dat het in de kledingkast tussen of in kleding en tussen andere spullen lag. Hoewel Woonplus erop wijst dat in de bestuurlijke rapportage staat dat de oudste zoon tijdens een verhoor heeft verklaard dat hij een van de gasdrukwapens zo’n zes of zeven jaar geleden heeft gekocht, blijkt nergens uit dat het wapen al die tijd in de woning aanwezig was. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft hun zoon gezegd dat het slechts een korte tijd in de woning lag, anders was het wel ontdekt door zijn moeder tijdens het schoonmaken. Hoe lang het wapen in de woning lag, kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld.
2.5.4.
De woning is na de politie-inval met spoed gesloten door de burgemeester en na twee weken is de sluiting opgeheven en mocht het gezin terugkeren. De oudste zoon is strafrechtelijk veroordeeld naar aanleiding van de politie-inval. Nergens blijkt uit dat de ouders of een van de andere gezinsleden betrokken waren bij strafbare feiten.
2.5.5.
Woonplus stelt dat er kans is op herhaling omdat de oudste zoon nog tot 3 juni 2025 ingeschreven heeft gestaan op het adres van de woning en [gedaagde 2] lange tijd op haar Woonpas had staan dat zij met alle kinderen – en dus ook met de oudste zoon [naam 3] – wil(de) verhuizen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] lichten toe dat zij na de politie-inval [naam 3] direct de deur hebben gewezen en dat zij het contact met hem hebben verbroken om hun andere kinderen te beschermen. Nadat [naam 3] zijn tijd in detentie had uitgezeten, heeft hij niet mogen terugkeren naar de woning. Hij heeft zich daarna ook uitgeschreven bij de gemeente. Vanwege zijn detentie kon hij dat niet eerder doen. Dat er in de bijlagen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een mail of appje te zien is afkomstig van oudste zoon [naam 3] met een schriftelijke verklaring, is volgens hun gemachtigde te verklaren omdat een van de andere zoons op verzoek van de gemachtigde met dat doel contact heeft gezocht met [naam 3] . Hiermee hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de stelling van Woonplus dat er gevaar is voor herhaling omdat [naam 3] nog welkom is in de woning voldoende gemotiveerd weersproken. Dit komt dus niet vast te staan.
2.5.6.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren aan dat zij ondertussen zelf op zoek zijn gegaan naar een andere passende woning om kostbare juridische procedures te voorkomen maar dat het niet is gelukt die te vinden. Zij houden rekening met de gezinsgrootte van vijf personen, een veilige buurt en de locatie van de school van hun minderjarige dochter. Woonplus stelt dat het qua financiële middelen niet moeilijk zal zijn om een andere huurwoning of een koopwoning te verkrijgen, maar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] weerspreken dat gemotiveerd. Eigenlijk willen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook helemaal niet weg.
2.6.
Alles overziend oordeelt de kantonrechter dat de maatregel van ontbinding van de huurovereenkomst door Woonplus in deze omstandigheden niet proportioneel is.
2.7.
Woonplus stelt subsidiair dat de kantonrechter de huurovereenkomst moet ontbinden en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moet veroordelen de woning te ontruimen omdat zij zijn tekortgeschoten in het nakomen van hun verplichtingen als huurders.
Vooropgesteld wordt dat de kantonrechter een huurovereenkomst van een woning kan ontbinden als de huurders zo ernstig zijn tekortgeschoten dat die tekortkoming ontbinding van de huurovereenkomst en alle gevolgen rechtvaardigt (artikel 6:265 BW Pro). Bij de beoordeling worden alle omstandigheden van het geval meegewogen. [1]
2.7.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn wat de vondst van de drugs en wapens in de woning betreft niet tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichting om zich als een goed huurder te gedragen (artikel 7:213 BW Pro). Alleen de oudste zoon is verantwoordelijk voor de aanwezigheid van de drugs en wapens. De kantonrechter heeft hiervoor al overwogen dat er geen aanleiding was voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om te vermoeden dat hun oudste zoon drugs of wapens in de woning had of om zijn slaapkamer daarop te controleren. Dat er overlast in de woning of in de woonomgeving is geweest, blijkt nergens uit.
2.7.2.
Woonplus brengt voor het eerst tijdens de zitting naar voren dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een huurachterstand hebben en dat zij de afgelopen jaren vaker achterstanden (van meer dan drie maanden) hebben laten ontstaan. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten niet dat er een (enkele) keer een huurachterstand is geweest in het verleden, maar zij voeren aan dat dat toen is opgelost. Er is volgens hun nog wel een achterstand die te maken heeft met de afrekening van stookkosten, waarvoor een betalingsregeling is afgesproken.
De kantonrechter passeert het bewijsaanbod dat Woonplus tijdens de zitting heeft gedaan voor de huurachterstanden. Woonplus had in een veel eerdere fase van deze procedure kunnen aanvoeren dat, wanneer en hoe lang er huurachterstanden hebben bestaan en van die achterstanden specificaties kunnen voegen bij de stukken als zij dit aan haar vordering ten grondslag had willen leggen.. Woonplus heeft nu te laat in de procedure ongemotiveerd een vrij onbepaalde stelling ingenomen.
2.8.
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake is van een tekortkoming door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
2.9.
De conclusie is dat de vorderingen van Woonplus over het ontbinden van de huurovereenkomst en het ontruimen van de woning worden afgewezen. Ook de vorderingen die hiermee verband houden (het betalen van een gebruiksvergoeding en de kosten van de ontruiming) worden afgewezen.
Woonplus mag nog aangeven wat zij met de garage wil
2.10.
Partijen hebben zich in de procedure geconcentreerd op de woning. Hierdoor is niet duidelijk geworden wat er met de garage moet gebeuren als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de woning mogen blijven wonen. Uit de brief van 4 juli 2024 waarmee Woonplus de huurovereenkomst van de garage heeft opgezegd, leidt de kantonrechter af dat deze opzegging verband hield met de beëindiging van de huurovereenkomst van de woning. Dit roept de vraag op of Woonplus nog steeds wil dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de garage ontruimen. Woonplus wordt daarom in de gelegenheid gesteld om hierover duidelijkheid te geven. De zaak wordt om die reden naar de hierna vermelde rolzitting verwezen. In afwachting van de reactie van Woonplus worden alle verdere beslissingen aangehouden.
2.11.
Als Woonplus nog steeds wil dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de garage ontruimen, moet zij aangeven wat het juiste adres van de garage is. Er wordt namelijk ontruiming gevorderd van het [adres 2] in [woonplaats] , terwijl in de huurovereenkomst staat dat het gaat om een garage aan het [adres 3] in [woonplaats] .

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 31 maart 2026 om 11.30 uur voor een reactie van Woonplus als hiervoor onder 2.10 en 2.11 bedoeld;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
34286

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.