ECLI:NL:RBROT:2026:25

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
25/4895
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.P. Heijne
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag WIA-uitkering en beoordeling arbeidsongeschiktheid

In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam op 7 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een WIA-uitkering behandeld. Eiser, die lijdt aan de chronische aandoening myasthenia gravis, heeft zijn aanvraag ingediend na zijn ziekmelding op 12 augustus 2021. Het UWV heeft de aanvraag afgewezen op basis van de conclusie dat eiser in staat is meer dan 65% van zijn laatstverdiende loon te verdienen. Eiser is het niet eens met deze beslissing en heeft beroep ingesteld, waarbij hij verschillende beroepsgronden aanvoert.

De rechtbank oordeelt dat het UWV de afwijzing van de WIA-aanvraag terecht heeft gehandhaafd. Eiser heeft geen objectief medisch bewijs ingebracht dat de conclusies van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige in twijfel trekt. De rechtbank stelt vast dat de rapporten van de betrokken artsen voldoen aan de eisen van zorgvuldigheid en begrijpelijkheid. Eiser heeft niet aangetoond dat zijn beperkingen niet correct zijn vastgesteld, en de rechtbank concludeert dat het UWV de belastbaarheid van eiser juist heeft beoordeeld. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4895

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV), verweerder
(gemachtigde: [persoon A] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het UWV acht eiser ondanks zijn beperkingen in staat meer dan 65% van het loon te verdienen dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat het UWV de aanvraag om een WIA-uitkering terecht heeft afgewezen. Eiser heeft geen objectief (medisch) bewijs ingebracht op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten. Het UWV heeft de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet WIA. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 8 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
2.3.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser werkt tot zijn ziekmelding op 12 augustus 2021 als orderpicker voor 37,57 uur per week. Op 19 mei 2023 vraagt eiser een WIA-uitkering aan.
3.1.
Voor de beoordeling van de aanvraag is eiser op het spreekuur geweest van de arts van het UWV. Deze arts heeft onderzocht wat de arbeidsbeperkingen van eiser zijn. Deze beperkingen zijn opgenomen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 17 oktober 2023 en geldig vanaf 19 augustus 2023. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige van het UWV in het rapport van 31 oktober 2023 vastgesteld welk werk eiser kan doen met die beperkingen. Volgens hem is eiser niet geschikt voor zijn eigen werk. De arbeidsdeskundige heeft wel vijf andere functies geselecteerd die eiser, ondanks zijn beperkingen, nog zou kunnen doen. De arbeidsdeskundige heeft berekend dat eiser met de middelste van de eerste drie functies 81,06% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziek meldde. Omdat eiser meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziek meldde, heeft het UWV bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. [1]
3.2.
Eiser maakt bezwaar. In bezwaar doet de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het UWV [2] opnieuw onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschrijft in het rapport van 16 april 2025 de conclusies van de eerste arts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 13 mei 2025 één functie verworpen. De overige functies blijven gehandhaafd. Zo blijven nog genoeg functies over waarmee de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid kan berekenen. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kan eiser 73,47% verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziek meldde. Het UWV heeft daarom met het besluit van 14 mei 2025 aan eiser laten weten dat hij bij zijn standpunt blijft dat eiser meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziek meldde. Daarom heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld.
Toetsingskader
4. Een verzekerde heeft recht op een WIA-uitkering als hij de wachttijd heeft doorlopen, hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is. [3] Een verzekerde is gedeeltelijk arbeidsongeschikt als hij ten hoogste 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voor hij ziek werd. [4] Indien een verzekerde meer kan verdienen dan 65% van het laatst verdiende loon heeft de verzekerde geen recht op een WIA-uitkering. De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. [5]
4.1.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft het UWV de beperkingen van eiser correct vastgesteld?
5. Eiser vindt dat zijn medische situatie is onderschat en dat hij lichamelijk meer beperkt is dan het UWV heeft vastgesteld in de FML. Eiser lijdt aan de chronische aandoening myasthenia gravis (MG), een spieraandoening met een progressief verloop. Eiser stelt dat hij als gevolg van zijn aandoening ook beperkt is in zijn hand- en vingergebruik en dit ook is vastgesteld in het arbeidsdeskundige rapport van P-Centrum Nederland. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit ten onrechte niet onderkend. Ook is geen rekening gehouden met de prognose van de MG, waarbij het tijdsverloop niet te voorspellen is maar wel vaststaat dat eiser niet beter zal worden. Ook heeft eiser meerdere operaties ondergaan aan zijn voet vanwege een kaposisarcoom waardoor hij verder beperkt is.
5.1.
Het UWV verwijst in reactie op de beroepsgronden naar de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Daarin heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat het rapport van P-Centrum Nederland ziet op de belastbaarheid van eiser tien maanden voor de datum in geding en geen onderbouwing bevat voor de beperkte belastbaarheid van de handen en vingers. Daarbij stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de MG gevolgen heeft voor de proximale spieren die zich het dichtst bij de romp bevinden. De handspieren zijn geen proximale spieren zodat onvoldoende grond bestaat om beperkingen aan te nemen voor hand- en vingergebruik. De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft ook aan dat vanwege de MG in de FML al beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van staan en lopen. De voetoperaties van eiser geven geen aanleiding meer beperkingen op te nemen dan al in de FML staan vermeld.
5.2.
De rechtbank overweegt dat het UWV de besluitvorming heeft gebaseerd op rapporten van (verzekerings)artsen en arbeidsdeskundigen. Het UWV mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op die rapporten als die rapporten:
  • op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
  • geen tegenstrijdigheden bevatten; en
  • voldoende begrijpelijk zijn.
Als iemand vindt dat de besluiten van het UWV over zijn arbeidsongeschiktheid niet juist zijn, moet hij aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan deze voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Om aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat eiser lijdt aan MG en dat die aandoening chronisch is en een progressief verloop kent. De verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigt dat als gevolg van de MG door de eerste arts voldoende beperkingen zijn opgenomen in de FML en dat de operaties aan zijn voet niet leiden tot aanvullende beperkingen. De rechtbank vindt dat de rapporten van de eerste arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoen aan de onder overweging 5.2 genoemde voorwaarden. De eerste arts heeft eiser op 17 oktober 2023 gezien en hem lichamelijk en psychisch onderzocht. Ook heeft er een gesprek over de gezondheid en het functioneren van eiser plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, heeft eiser gezien en eiser kort onderzocht tijdens de hoorzitting op 24 februari 2025. Ook heeft hij extra informatie bij de neuroloog van eiser opgevraagd. Deze informatie heeft hij bij zijn beoordeling meegewogen. Ter zitting is door het UWV aangegeven dat uit het medisch dossier volgt dat de neuroloog geen verband kan leggen tussen de MG en de verminderde kracht in de handen en vingers van eiser. De rechtbank meent op grond hiervan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een volledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiser.
5.4.
De rechtbank begrijpt dat eiser meer beperkingen ervaart, maar uit vaste rechtspraak volgt dat het bij de beoordeling gaat om de beperkingen die objectief medisch kunnen worden onderbouwd. [6] De klachten die iemand ervaart of een gestelde diagnose is niet beslissend bij de beoordeling. Omdat eiser niet met nieuwe medische gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op datum in geding een onjuist beeld had van zijn gezondheidstoestand op de datum in geding, twijfelt de rechtbank niet aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts. Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de het UWV de beperkingen van eiser correct heeft vastgesteld en dat de beperkingen in de FML juist zijn. Anders dan eiser stelt, ontkent de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet dat de MG een progressief verloop kent, maar dat de beperkingen van eiser op de datum in geding bepalend zijn. De beperkingen voor het hand- en vingergebruik zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet vastgesteld en ook de behandelend arts kan geen verband leggen tussen de klachten en de MG. Eiser heeft ter zitting verklaard dat zijn situatie de afgelopen twee jaar niet is veranderd. De rechtbank overweegt dat een herbeoordeling kan worden aangevraagd als de situatie alsnog verslechtert, maar dat voor nu terecht is uitgegaan van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
5.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kan eiser de geselecteerde functies verrichten?
6. Eiser vindt dat hij de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies niet kan verrichten. Hij stelt dat zijn belastbaarheid in deze functies wordt overschreden. Daarbij wordt gewezen op de beperkingen van eiser op het onderdeel traplopen en de beperkingen in het hand- en vingergebruik. Voor het laatste punt verwijst eiser naar de bevindingen van de arbeidsdeskundige van P-centrum.
6.1.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vindt dat, nadat één functie in bezwaar is verworpen, in ieder geval de functies van productiemedewerker industrie (SBC‑code 1111180), telefonisch verkoper (SBC‑code 315173) en assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBC-code 267071) geschikt zijn voor eiser. Anders dan eiser stelt, overschrijden de werkzaamheden die horen bij deze functies, de belastbaarheid van eiser in de FML niet. Eiser is weliswaar beperkt voor traplopen (per uur 4 x 15 treden in één keer) maar dat komt in de geselecteerde functie beperkt voor en is niet taakgebonden. Daarbij hanteert het UWV als uitgangspunt dat als sprake is van een trap die de belastbaarheid in aantal overschrijdt (hier 20 treden), maar per uur niet vaker wordt genomen dan het totaal aantal treden waarvoor eiser is beperkt (hier 60 treden), geen sprake is van een overschrijding. Omdat het in de geselecteerde functie gaat om een trap naar de kantine die maximaal drie keer per dag genomen hoeft te worden, is geen sprake van een overschrijding van de belastbaarheid zoals opgenomen in de FML. Ten aanzien van het beperkte hand- en vingergebruik stelt de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vast dat de FML op dat onderdeel geen beperking bevat.
6.2.
De rechtbank overweegt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het kader van het bestreden besluit voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom de geselecteerde functies de beperkingen van eiser niet overschrijden. Zoals de rechtbank in overweging 5.2 heeft aangegeven, mag van de juistheid van de bevindingen van de arbeidsdeskundige worden uitgegaan, tenzij daarover op objectieve gronden twijfel bestaat. De rechtbank overweegt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep terecht heeft vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld door de verzekeringsarts en niet door een arbeidsdeskundige van P-Centrum Nederland. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarom de FML als uitgangspunt kunnen nemen en voor het selecteren van de functies en geen rekening hoeven houden met een beperking voor het hand- en vingergebruik. De rechtbank oordeelt verder dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ook overtuigend heeft gemotiveerd dat de belasting als gevolg van het traplopen de belastbaarheid van eiser niet te boven gaat en de geselecteerde functie om die reden ook passend is. [7]
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank oordeelt dat het UWV zich bij de beoordeling van de aanvraag om een WIA-uitkering heeft kunnen baseren op de verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige rapporten. Daaruit volgt dat eiser meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziek meldde. Het UWV heeft daarom terecht bepaald dat eiser op datum in geding geen recht heeft op een WIA-uitkering.
7.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen recht heeft op een WIA-uitkering. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van A. van Duijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.
De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving

Wet WIA
Artikel 5 Definitie gedeeltelijk arbeidsgeschikt
Gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Artikel 6 Nadere bepalingen definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en definitie gedeeltelijk arbeidsgeschikt
1. De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
(…)
3. Onder arbeid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, en 5 wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Artikel 54 Ontstaan van het recht op een WGA-uitkering
1. Recht op een WGA-uitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek wordt indien:
a. hij de wachttijd heeft doorlopen;
b. hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is; en
c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.

Voetnoten

1.Het UWV heeft dit gebaseerd op artikel 5 van de Wet WIA.
2.De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoekt in bezwaar of de eerste verzekeringsarts de beperkingen van iemand juist heeft vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoekt vervolgens of de eerste arbeidsdeskundige juist heeft vastgesteld welk werk iemand kan doen met die beperkingen.
3.Dit volgt uit artikel 54 van de Wet WIA.
4.Dit volgt uit artikel 5 van de Wet WIA.
5.Dit volgt uit artikel 6 van de Wet WIA.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 juli 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1654), onder 4.4.
7.Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 augustus 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2894), onder 4.2.