Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2503

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
12024721 VZ VERZ 25-7309
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:291 BWArt. 7:292 BWArt. 7:293 BWArt. 7:294 BWArt. 7:295 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Goedkeuring afwijkend huurbeding in huurovereenkomst bedrijfsruimte Markthal Rotterdam

Verhuurder Klépierre Markthal B.V. en huurder hebben gezamenlijk verzocht om goedkeuring van bedingen in een allonge bij hun huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte in de Markthal te Rotterdam. Deze bedingen wijken af van de wettelijke bepalingen in artikel 7:292 e.v. BW en betreffen onder meer een verlenging van de huurovereenkomst tot 2031 met een einde van rechtswege zonder opzegging en zonder huur- of ontruimingsbescherming voor de huurder.

De kantonrechter heeft op basis van de stukken besloten geen mondelinge behandeling te houden. Bij de beoordeling is vastgesteld dat de maatschappelijke positie van huurder niet zodanig is dat hij de wettelijke bescherming niet nodig heeft, zodat de vraag was of de bedingen een wezenlijke aantasting van zijn rechten vormen.

De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is, mede omdat de huurder al een bestaande huurovereenkomst heeft en ervaring met afwijkende bedingen, een eenmalige tussentijdse opzeggingsmogelijkheid na drie jaar, en geen vaste huurprijs verschuldigd is over de eerste maand na afloop van de verlenging. De bedingen worden daarom goedgekeurd en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De kantonrechter verleent goedkeuring aan de afwijkende bedingen in de huurovereenkomst en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12024721 VZ VERZ 25-7309
datum uitspraak: 5 maart 2026
beschikking van de kantonrechter
op het verzoek van
Klépierre Markthal B.V.,
vestigingsplaats: Utrecht,
verzoekster,
hierna: ‘verhuurder’,
en
[naam], handelend onder de naam
[bedrijf 1],
woonplaats: [woonplaats] ,
medeverzoeker,
hierna: ‘huurder’.
Als gemachtigde voor verhuurder en huurder treedt mr. I.S. Blonk op.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Verhuurder en huurder hebben gezamenlijk een verzoek ingediend voor de goedkeuring van één of meer bedingen die afwijken van de artikelen 7:292 e.v. BW.
1.2.
De kantonrechter heeft op grond van de inhoud van de stukken een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege gelaten.

2.Het verzoek

2.1.
Verhuurder en huurder hebben een huurovereenkomst gesloten voor de bedrijfsruimte bekend als unit [nummer] en magazijnruimte [nummer] in de Markthal in Rotterdam.
Het gehuurde is bestemd om te worden gebruikt
“voor de verkoop van huisgemaakte ambachtelijk bereide kokosproducten, waaronder cocosbalis en cocospastries volgens de formule en onder de handelsnaam ‘ [bedrijf 2] ”.
2.2.
Huurder huurt het gehuurde sinds 1 februari 2017. De huurovereenkomst is aanvankelijk aangegaan voor een periode van 2 jaar minus 1 dag. De huurovereenkomst is daarna met 5 jaar verlengd. Daarna is de huurovereenkomst met nog eens 2 jaar verlengd, eindigend op 30 januari 2026.
2.3.
Partijen zijn nog een verlenging van de huurovereenkomst overeengekomen en hebben de nieuwe afspraken vastgelegd in een nieuwe allonge (“Allonge III”). Verhuurder en huurder vragen goedkeuring van de volgende bedingen die zijn opgenomen in deze allonge en die afwijken van de bepalingen genoemd in artikel 7:292 e.v. BW:

Artikel 1 – Duur huurovereenkomst
1.1
In afwijking van artikel 3.1 van de huurovereenkomst, artikel 1.1 van Allonge I en artikel 3.1 van Allonge II zijn partijen overeengekomen dat de huurovereenkomst per 31 januari 2026 voor de duur van vijf (5) jaar zal worden verlengd en van rechtswege zal eindigen op 30 januari 2031.
1.2
Na ommekomst van de in 1.1 genoemde bepaalde periode eindigt de huurovereenkomst van rechtswege zonder dat opzegging door één van partijen is vereist. Huurder kan na ommekomst van de in 1.1 genoemde termijn geen aanspraak maken op enige vorm van huur-, termijn- of ontruimingsbescherming en doet uitdrukkelijk afstand van enig recht ter zake. Huurder zal het gehuurde op de genoemde einddatum ontruimd en leeg aan verhuurder opleveren, op de wijze als bepaald in de huurovereenkomst en de algemene bepalingen.
1.3
De artikelen 7:292 tot en met 7:300 BW zijn niet van toepassing op de huurovereenkomst.”

3.De beoordeling van het verzoek

3.1.
Goedkeuring van een beding is op grond van artikel 7:291 lid 3 BW Pro mogelijk indien het beding de rechten die huurder aan deze afdeling ontleent niet wezenlijk aantast of wanneer de maatschappelijke positie van huurder in vergelijking met die van verhuurder zodanig is dat huurder de bescherming van de afdeling in redelijkheid niet behoeft. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. De beide goedkeuringsgronden kunnen in onderling verband worden beoordeeld.
3.2.
Uit het verzoekschrift volgt dat de maatschappelijke positie van huurder in vergelijking met de maatschappelijke positie van verhuurder niet zodanig is dat huurder de wettelijke bescherming in redelijkheid niet nodig heeft. Er moet daarom beoordeeld worden of sprake is van een wezenlijke aantasting van de rechten van huurder.
3.3.
Bij de beoordeling of sprake is van een wezenlijke aantasting van de rechten van huurder is het volgende van belang. Tussen partijen bestaat al een huurovereenkomst met betrekking tot de unit in de Markthal zodat met het sluiten van een nieuwe huurovereenkomst huurder meer tijd heeft om reeds gedane investeringen terug te verdienen. Huurder zal zijn bedrijfsvoering op de huurtermijn afstemmen. Alleen huurder heeft na 3 jaar een eenmalige mogelijkheid de huurovereenkomst tussentijds op te zeggen. Daarnaast is huurder over de eerste maand vanaf 31 januari 2026 geen vaste huurprijs in de zin van artikel 4.1 sub a van de huurovereenkomst verschuldigd. Verder is van belang dat partijen al eerder van de wet afwijkende afspraken hebben gemaakt en voor die afwijkingen is ook goedkeuring van de kantonrechter gekregen. Huurder is dus ervaren op dit vlak.
3.4.
Op basis van bovengenoemde omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de genoemde bedingen geen wezenlijke aantasting vormen van de rechten van huurder. De bedingen zullen worden goedgekeurd.
3.5.
Omdat het gaat om een gemeenschappelijk verzoek compenseert de kantonrechter de kosten. Dit betekent dat elke partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De kantonrechter:
verleent goedkeuring aan de van artikel 7:292 e.v. BW afwijkende bedingen die zijn opgenomen in de artikelen 1.1, 1.2 en 1.3 van allonge III bij de huurovereenkomst en die zijn geciteerd in 2.3 van deze beschikking;
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. I.K. Rapmund en uitgesproken op de openbare terechtzitting.
26975