Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2518

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
11708460 CV EXPL 25-12124
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:203 BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering onverschuldigde betaling na annulering huurovereenkomst binnen bedenktijd

Eiser huurde via een online platform per 1 maart 2025 een woning van gedaagde en betaalde vooraf een waarborgsom en administratiekosten van in totaal €2.400. Op de dag van aanvang van de huurovereenkomst meldde eiser gebreken aan de woning, waarna gedaagde de boeking annuleerde. Eiser vorderde daarop de terugbetaling van het betaalde bedrag.

De kantonrechter stelde vast dat gedaagde de overeenkomst binnen de 24-uurs bedenktijd annuleerde, waardoor de overeenkomst niet definitief tot stand kwam. Hierdoor was de betaling van de waarborgsom en administratiekosten onverschuldigd. Het verweer van gedaagde dat zij tot annulering was gedwongen door bedreigingen van eiser werd niet onderbouwd en faalde.

De rechter veroordeelde gedaagde tot terugbetaling van het volledige bedrag van €2.400, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 maart 2025. Tevens werden de proceskosten van €945,64 aan de zijde van eiser toegewezen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat onmiddellijke uitvoering mogelijk is.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van €2.400 met rente en proceskosten wegens onverschuldigde betaling na annulering binnen bedenktijd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11708460 CV EXPL 25-12124
datum uitspraak: 27 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiser,
die zelf procedeert,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 9 mei 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de e-mails van [gedaagde] van 10 juni 2025, met bijlagen;
  • de e-mail van [gedaagde] van 15 december 2025, met bijlagen;
  • de e-mail van [eiser] van 17 januari 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 16 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [naam 1] namens [eiser] en [gedaagde] met [naam 2] (partner).

2.Kern van de zaak

[eiser] heeft via een online platform per 1 maart 2025 een woning gehuurd, die door eigenaar [gedaagde] via dat platform werd aangeboden. Op 28 februari 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] een waarborgsom van € 2.000,00 en administratiekosten van € 400,00 betaald, in totaal € 2.400,00. Op 1 maart 2025 heeft [eiser] via het platform en rechtstreeks aan [gedaagde] gemeld dat er sprake zou zijn van gebreken aan de woning. Naar aanleiding van de communicatie daarover heeft [gedaagde] de boeking tot huur van de woning op 1 maart 2025 geannuleerd. Daarom vordert [eiser] terugbetaling van € 2.400,00, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten. [gedaagde] voert verweer. De vordering wordt toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

3.De beoordeling

Onverschuldigde betaling
3.1.
[eiser] beroept zich primair op onverschuldigde betaling, als bedoeld in artikel 6:203 BW Pro. Daarvoor is van belang dat wordt vastgesteld dat [gedaagde] geld heeft ontvangen van [eiser] zonder dat daar een rechtsgrond voor bestaat.
3.2.
Vaststaat dat [eiser] naar aanleiding van het sluiten van de huurovereenkomst een totaalbedrag van € 2.400,00 aan [gedaagde] heeft betaald. Ook staat vast dat [gedaagde] de overeenkomst op 1 maart 2025 heeft geannuleerd en [eiser] de woning feitelijk nooit heeft betrokken. [eiser] heeft diezelfde dag verzocht om terugbetaling van het bedrag van € 2.400,00, maar [gedaagde] heeft dit niet gedaan.
3.3.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij zich gedwongen voelde tot annulering van de boeking vanwege bedreigingen door [eiser] . Eiser betwist dit. [gedaagde] heeft haar stelling gelet op deze betwisting met onvoldoende concrete feiten of stukken onderbouwd. Bovendien geldt dat een bedreiging van de zijde van [eiser] niet betekent dat hij een waarborgsom of administratiekosten is verschuldigd. Dit verweer slaagt daarom niet.
3.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van de algemene voorwaarden van het platform de overeenkomst binnen 24 uur kon worden geannuleerd. Dit betekent dat partijen weliswaar een overeenkomst zijn aangegaan, maar dat deze gedurende 24 uur kon worden ontbonden of herroepen. Nu vaststaat dat [gedaagde] binnen deze termijn de boeking heeft geannuleerd, is de overeenkomst niet definitief tot stand gekomen dan wel rechtsgeldig beëindigd binnen de overeengekomen bedenktijd. Dat betekent dat de verbintenis tot betaling van de waarborgsom met terugwerkende kracht is komen te vervallen en onverschuldigd is betaald. Wat betreft de administratiekosten geldt dat deze samenhangen met de uitvoering van de overeenkomst. Los van de vraag of [gedaagde] dit bedrag aan administratiekosten aan [eiser] als huurder in rekening mocht brengen, ontbreekt door annulering van de huurovereenkomst ook voor deze betaling een rechtsgrond. De betaling van € 400,00 moet daarom eveneens als onverschuldigd worden aangemerkt.
3.5.
Gelet op het voorgaande is het volledige bedrag van € 2.400,00 onverschuldigd betaald en dient [gedaagde] dit bedrag terug te betalen aan [eiser] .
Rente
3.6.
Omdat [gedaagde] in verzuim is met terugbetaling van de waarborgsom en de administratiekosten, wordt de rente zoals gevorderd vanaf 22 maart 2025 toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.7.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 257,00 aan griffierecht, € 434,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 217,00) en € 108,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 945,64. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 2.400,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 22 maart 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 945,64;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.
48436