ECLI:NL:RBROT:2026:2538
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot gedwongen schuldregeling wegens onvoldoende aannemelijkheid uiterste voorstel
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a lid 1 Faillissementswet om een schuldeiser, BE-Mobile N.V., te bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling. Deze regeling voorzag in een betaling van 55,29% aan preferente en 27,65% aan concurrente schuldeisers. Veertien schuldeisers stemden in, BE-Mobile niet.
Verzoeker verscheen niet op de zittingen, terwijl BE-Mobile ook niet kwam opdagen. Schuldhulpverlener was wel aanwezig. De rechtbank beoordeelde of BE-Mobile in redelijkheid haar weigering kon handhaven, waarbij werd gekeken naar de belangenafweging tussen schuldeiser en verzoeker.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Verzoeker heeft niet toegelicht of hij na oktober 2025 nog fulltime werkte of actief solliciteerde. Ook ontbraken recente loonstroken. Hierdoor kon de rechtbank de actuele situatie niet controleren. De belangen van BE-Mobile wegen zwaarder dan die van verzoeker en overige schuldeisers. Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht.