ECLI:NL:RBROT:2026:2564

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
EOB-I-2025016349 en EBB-I-2025042952 en 25/023937
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4.3 SvArt. 5.4.4 SvArt. 5.4.6 SvArt. 5.4.10 SvArt. 5.5.3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beklag tegen beslag op grond van Europees Onderzoeksbevel en Europees Bevriezingsbevel

Op 18 juni 2025 vond een doorzoeking en inbeslagname plaats bij de klaagster ter uitvoering van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) van de Franse autoriteiten, waarbij onder meer een geldbedrag van €1.685,- en een Nokia-telefoon in beslag werden genomen. Naar aanleiding hiervan werd op 26 juni 2026 een Europees Bevriezingsbevel (EBB) uitgevaardigd. De klaagster diende een beklag in tot teruggave van deze goederen, stellende dat het geld toebehoorde aan haar moeder en de telefoon werd gebruikt voor het regelen van financiële zaken van haar partner, die verdacht wordt van illegale handel in verdovende middelen.

De rechtbank behandelde het klaagschrift op 23 februari 2026 in openbare raadkamer, waarbij de klaagster, haar advocaat, de officier van justitie en een belanghebbende werden gehoord. De officier van justitie stelde dat het beklag ongegrond moest worden verklaard omdat het EOB en EBB rechtmatig waren erkend en uitgevoerd, en er een strafvorderlijk belang bestond bij het handhaven van het beslag.

De rechtbank oordeelde dat het onderzoek naar het klaagschrift summier van aard is en dat de rechtmatigheid van het beslag en de voortduring daarvan getoetst moeten worden. De rechtbank stelde vast dat het EOB en EBB voldeden aan de wettelijke eisen, dat er geen weigeringsgronden waren en dat het persoonlijke belang van de klaagster bij teruggave niet door de Nederlandse rechter kan worden meegewogen. Daarom werd het beklag tegen het beslag ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.

Uitkomst: Het beklag tegen het beslag op grond van het Europees Onderzoeksbevel en het Europees Bevriezingsbevel wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
Lurisnummers : EOB-I-2025016349; EBB-I-2025042952
Raadkamernummer : 25/023937
Datum : 23 februari 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van de artikelen 5.4.10 juncto 552a en de artikelen 5.5.18 juncto 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klaagster] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
voor deze zaak domicilie kiezende te (1053 DC) Amsterdam, Kinkerstraat 23H ten kantore van haar advocaat mr. M. Aynan.
hierna te noemen: de klaagster.

Feiten

Op 18 juni 2025 heeft ter uitvoering van een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) van de Franse autoriteiten van 4 april 2025 een doorzoeking en inbeslagname plaatsgevonden onder de klaagster.
Daarbij is ter uitvoering van het EOB op grond van artikel 94 Sv Pro beslag gelegd op onder andere de volgende goederen:
  • een geldbedrag van € 1.685,-;
  • een Nokia telefoon;
  • twee simkaarten.
Naar aanleiding van de inbeslagname van het bovengenoemd geldbedrag hebben de Franse autoriteiten op 26 juni 2026 een Europees Bevriezingsbevel (hierna: EBB) uitgevaardigd.
Het EOB en het EBB zijn uitgevaardigd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen onder andere [persoon A] (de partner van de klaagster). Hij wordt daarin verdacht van – kort gezegd – illegale handel in verdovende middelen.

Procedure

Het klaagschrift is op 27 augustus 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De Franse autoriteiten hebben ten aanzien van het door hen uitgevaardigde EOB respectievelijk EBB verzocht om geheimhouding van het onderliggende onderzoek.
Noch het EOB, noch het EBB is daarom verstrekt aan de klaagster en haar raadsman.
De rechtbank heeft op 23 februari 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de klaagster, de advocaat mr. M. Aynan en de officier van justitie
mr. E.M. ter Braak in raadkamer gehoord. Tevens is de belanghebbende [persoon B] in raadkamer gehoord.

Beklag

Het beklag strekt, na wijziging van het petitum in raadkamer, tot teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag en de Nokia telefoon. Daartoe is aangevoerd dat het bij klaagster inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.685,- toebehoort aan haar moeder [persoon B] . Klaagster zou de financiën voor haar moeder beheren en bewaarde dit geldbedrag voor haar. Met de Nokia telefoon regelde klaagster (geld)zaken voor haar man toen hij gedetineerd zat. Het strafvorderlijk belang verzet zich niet tegen teruggave van de in beslag genomen goederen en daarnaast is het hoogst onwaarschijnlijk dat deze goederen verbeurd zullen worden verklaard door een rechter.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. Aangevoerd is dat sprake is van een voor erkenning vatbaar EOB en EBB, dat bij de inbeslagneming is voldaan aan de daarvoor geldende voorschriften, dat er geen sprake is van weigeringsgronden en dat er een strafvorderlijk belang is bij handhaving van de beslagen. Inhoudelijke bezwaren ten aanzien van de inbeslagname dienen ingebracht te worden bij de Franse rechter in Frankrijk.

Beoordeling

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. In het geval van inbeslagname op grond van een EOB en EBB toetst de beklagrechter in verband met de rechtmatigheid van het beslag en de voortduring van het beslag, of aan de eisen van de wet is voldaan, en of anderszins geen fundamentele beginselen zijn geschonden.
Beklag tegen beslag ter uitvoering van het EOB
De rechtbank stelt vast dat de Franse autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek tegen onder meer de partner van klaagster. Hij wordt verdacht van illegale handel in verdovende middelen.
Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd. De inbeslagneming naar aanleiding van dit EOB heeft plaatsgevonden overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften, zoals vermeld in de artikelen 94 en 96 Sv. De inzet van deze bevoegdheid heeft naar Nederlands recht rechtmatig plaatsgevonden.
De inbeslaggenomen goederen zijn in beslag genomen met het oog op de waarheidsvinding en ter verbeurdverklaring in het genoemde Franse strafrechtelijke onderzoek. Zoals hiervoor overwogen wordt met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat verondersteld aanwezig te zijn. Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of en in hoeverre de in beslag genomen goederen daadwerkelijk aan de waarheidsvinding kunnen bijdragen en ook niet of het beslag tot dat doel in een redelijke verhouding staat. Dat staat ter beoordeling van de Franse autoriteiten. De rechtbank maakt hierbij geen belangenafweging. Het gestelde persoonlijke belang bij teruggave van deze goederen kan daarom door de Nederlandse rechter niet worden meegewogen.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat zich geen weigeringsgronden op grond van de artikelen 5.4.3 en 5.4.4 Sv voordoen en evenmin gronden voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB op grond van artikel 5.4.6 Sv.
Gelet op het voorgaande zal het beklag tegen het beslag ter uitvoering van het EOB ongegrond worden verklaard.
Beklag tegen beslag ter uitvoering van het EBB
Het EBB is door de officier van justitie rechtmatig erkend en tenuitvoergelegd. Het bevel bevat de vereiste informatie en is dus in overeenstemming met de eisen die artikel 5.5.15, eerste lid, Sv jo. artikel 4, eerste lid, van Verordening 2018/1805 stelt. Het beslag naar aanleiding van dit EBB heeft plaatsgevonden overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften, zoals vermeld in de artikelen 5.5.3 en 5.5.5 Sv.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat zich geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Verordening 2018/1805 voordoen.
Gelet op het voorgaande zal het beklag tegen het beslag ter uitvoering van het EBB ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beklag tegen het beslag ter uitvoering van het EOB en het EBB ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. L. Feraaune, voorzitter,
mrs. N. van Esch en B. Vaz, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.
De oudste rechter is niet in staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.