Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De kern van de zaak
3.De feiten
4.Het verzoek en het verweer
fee earnersen ondersteunend personeel werkzaam bij Buren), in het laatste kwartaal van 2019 (de periode waarin het gesprek heeft plaatsgevonden) tot het tweede semester van 2021, waarin [verzoeker] voornaam en/of achternaam en/of een acroniem van [verzoeker] voornaam en/of achternaam en/of bijnaam en/of zaakkenmerk(en) van zijn dossier(s) bij Buren wordt of worden genoemd;
fee earnersen ondersteunend personeel werkzaam bij Buren), met inbegrip van geluidsbestanden, afbeeldingen, video’s en andere bestanden die onderdeel of bijlage zijn van een chat/conversatie, waaronder in ieder geval berichten op WhatsApp, LinkedIn, Telegram, Signal, Messenger en sms-berichten in het laatste kwartaal van 2019 (de periode waarin het gesprek heeft plaatsgevonden) tot het tweede semester van 2021 waarin [verzoeker] voornaam en/of achternaam en/of een acroniem van [verzoeker] voornaam en/of achternaam en/of bijnaam en/of zaakkenmerk(en) van zijn dossier(s) bij Buren wordt of worden genoemd.
5.De beoordeling
mr. [voormalige advocaat] en mr. [toenmalige collega] en (leden van het team insolventie van) de rechtbank Den Haag. Naar aanleiding daarvan wil [verzoeker] eventueel een hoofdprocedure beginnen tegen de Staat der Nederlanden. Het verzoek is niet in strijd met de goede procesorde en er is geen sprake van misbruik van bevoegdheid. Bovendien zijn er geen gewichtige redenen aangevoerd die zich verzetten tegen de toewijzing van het verzoek. De van Buren gevraagde gegevens kunnen van belang zijn in het kader van de rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad die volgens [verzoeker] bestaat met de Staat der Nederlanden.
De door Buren aangevoerde verweren geven geen aanleiding om het verzoek af te wijzen op grond van (een van) de uitzonderingsgronden van artikel 196 Rv Pro. Buren heeft haar verweren overigens ook niet ingekleed in die uitzonderingsgronden.
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)