Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2593

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/10/712718 / KG ZA 26-2
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253k BWArt. 1:349 BWArt. 1019h Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overdracht en beheer Instagram-account in zakelijk geschil tandartspraktijk

In een kort geding tussen mede-eigenaren van een tandartspraktijk ontstond een geschil over het beheer van het gezamenlijke Instagram-account. De eisers vorderden overdracht van het account en een verbod op onrechtmatige publicaties door de gedaagde.

De rechtbank oordeelde dat minderjarige eisers niet-ontvankelijk zijn wegens gebrek aan machtiging. De primaire vordering tot overdracht van het account werd afgewezen omdat beide partijen gezamenlijk eigenaar zijn en toegang moeten behouden. Wel werd de gedaagde veroordeeld om binnen 48 uur alle inloggegevens en toegangscodes te verstrekken aan een van de eisers.

De overige vorderingen tot verbod op publicaties en onrechtmatige uitingen werden afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en onvoldoende aannemelijkheid van dreiging van herhaling. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Gedaagde moet binnen 48 uur alle inloggegevens van het Instagram-account verstrekken; overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712718 / KG ZA 26-2
Vonnis in kort geding van 26 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,wonend in [woonplaats] ,2. [eiser sub 2] ,wonend in [woonplaats] ,3. [eiser sub 3] ,wonend in [woonplaats] ,4. [eiser sub 4] ,

wonend in [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. I. van Beers,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. E. Barioglu.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 februari 2026, met producties 1 tot en met 9;
- de akte aanvullende producties van [eisers] , met producties 10 tot en met 18;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;
- de mondelinge behandeling op 12 februari 2026;
- de spreekaantekeningen van [eisers] ;
- de pleitnota van [gedaagde] .
Na de mondelinge behandeling hebben [eisers] bij brief van 12 februari 2026 . verzocht de zaak aan te houden in verband met een bij de kantonrechter ingediend spoedverzoek tot verlening van een machtiging op grond van artikel 1:349 BW Pro voor het optreden namens minderjaren. [gedaagde] heeft bij brief van 12 februari 2026 [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen het verzoek tot aanhouding van de zaak.
Bij brief van 13 februari 2026 is namens de voorzieningenrechter meegedeeld dat gelet op artikel 12.6 van het procesreglement en het verzet van [gedaagde] een nader bericht (in de zin van een nadere productie) buiten beschouwing wordt gelaten.

2.De feiten

2.1.
In 2021 hebben eiser sub 1 (hierna: [eiser sub 1] ) en [gedaagde] de tandheelkundige onderneming [naam bedrijf] B.V. (hierna: de tandartspraktijk) opgezet.
2.2.
[eiser sub 1] en [gedaagde] hebben gezamenlijk het Instagram-account @ [naam bedrijf] (hierna: het Instagram-account) aangemaakt ten behoeve van de tandartspraktijk. Dit account is openbaar toegankelijk. Dat betekent dat zowel de ‘@handle’ (hierna: de gebruikersnaam) en de ‘bio’ (hierna: de accountomschrijving), als de op het account geplaatste foto’s en video’s voor iedereen zichtbaar zijn.
2.3.
Tussen [eiser sub 1] en [gedaagde] is in 2025 een zakelijk geschil ontstaan over de tandartspraktijk.
2.4.
[eiser sub 1] beschikt niet (meer) over de inloggegevens van het Instagram-account.
2.5.
Op 30 december 2025 stonden er in de ‘stories’ (foto’s en/of video’s die na 24 uur automatisch verdwijnen) van het Instagram-account twee foto’s van eiseres sub 2 (hierna: [eiser sub 2] ), de echtgenote van [eiser sub 1] . Bij de foto’s waren de volgende teksten geplaatst (vertaald vanuit het Arabisch naar het Nederlands): “ik verontschuldig me bij mijn schatje Fofo, ik besprong hem, ik hou van je lul dokter Fofo” en “mijn vader heeft mijn moeder bedrogen en neukte en trouwde met een ander en daarom heb ik mijn man [eiser sub 1] omdat hij geen stijve kan krijgen”. In de stories van het Instagram-account stonden ook één foto van eiseres sub 4 (hierna: [eiser sub 4] ), de minderjarige dochter van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , en twee foto’s van eiseres sub 3 (hierna: [eiser sub 3] ), de andere minderjarige dochter van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . Bij één van de twee foto’s van [eiser sub 3] stond de volgende tekst (vertaald vanuit het Arabisch naar het Nederlands): “mijn vader dwong me tot prostitutie omdat zijn kliniek gesloten is en er geen werk meer is”. Verder stonden er in de stories van het Instagram-account twee video’s, één van [eiser sub 4] en één van [eiser sub 3] . Bij de video van [eiser sub 3] stond de tekst (vertaald vanuit het Arabisch naar het Nederlands): “een uurtje kost 50 Euro, wat dacht jij dan?”.
2.6.
Op 30 december 2025 was de oorspronkelijke gebruikersnaam @ [naam bedrijf] van het Instagram-account gewijzigd naar @ [naam] (vertaald vanuit het Arabisch naar het Nederlands: @ [naam] ).
2.7.
De in 2.5. bedoelde foto’s stonden vervolgens in de ‘highlights’ van het Instagram-account. Foto’s en/of video’s in de highlights blijven zichtbaar, totdat de beheerder van het account deze verwijdert.
2.8.
Op 31 december 2025 en op 1 januari 2026 hebben de broer van [eiser sub 2] en [gedaagde] elkaar ontmoet.
2.9.
Op 1 januari 2026 zijn de foto’s in de highlights van het Instagram-account verwijderd.
2.10.
Op 2 januari 2026 hebben de broer van [eiser sub 2] en [gedaagde] een telefoongesprek met elkaar gevoerd.
2.11.
Op 2 januari 2026 is de gebruikersnaam @ [naam] gewijzigd naar de oorspronkelijke gebruikersnaam @ [naam bedrijf] .

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde] te gebieden om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen redelijke termijn, het Instagram-account over te doen dragen aan [eiser sub 1] en daartoe alle benodigde stappen te zetten om die overdracht te bewerkstelligen, meer in het bijzonder door het verstrekken van alle inloggegevens en toegangscodes, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag – een gedeelte van de dag daaronder begrepen – waarmee aan de vordering geen (of niet volledig) gehoor wordt gegeven;
[gedaagde] te verbieden om na betekening van dit vonnis foto’s, video’s of andere publicaties waarin [eisers] (herkenbaar) zijn afgebeeld, te plaatsen op enig social media platform, waaronder inbegrepen maar niet uitsluitend Instagram, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding van dit verbod;
[gedaagde] te verbieden om na betekening van dit vonnis onrechtmatige uitingen in de @handle, naam en bio van enig account op social media platforms, waaronder inbegrepen maar niet uitsluitend Instagram, op te nemen en online te houden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag – een gedeelte van de dag daaronder begrepen – dat dit verbod wordt overtreden;
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, waaronder (maar niet uitsluitend) voor zover dit geschil ziet op de inbreuk van auteursrechten (20 %) de volledige (artikel 1019h Rv) advocaatkosten, griffierechten en kosten voor de gerechtsdeurwaarder, vermeerderd met de wettelijke rente daarover;
de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak te stellen op zes maanden na de datum van dit vonnis.
3.2.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.

4.De beoordeling

[eiser sub 3] en [eiser sub 4] zijn niet-ontvankelijk in hun vorderingen
4.1.
In de aanhef van de dagvaarding zijn [eiser sub 3] en [eiser sub 4] vermeld als zelfstandige procespartijen. Omdat zij minderjarig zijn, zijn zij in beginsel procesonbekwaam en om die reden niet-ontvankelijk in hun vorderingen.
4.2.
In het lichaam van de dagvaarding staat dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hun minderjarige dochters in rechte wensen te vertegenwoordigen. In de gegeven situatie is dat niet mogelijk. Nog daargelaten dat die vertegenwoordiging niet als zodanig is vermeld in de aanhef van de dagvaarding, geldt dat een ouder die als eisende partij in rechte optreedt voor het minderjarige kind op grond van artikel 1:253k BW, gelezen in samenhang met artikel 1:349 lid 1 BW Pro, een machtiging van de kantonrechter nodig heeft. Een dergelijke machtiging ontbreekt.
4.3.
De voorzieningenrechter gaat daarom bij de verdere beoordeling uit van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] als procespartijen.
[gedaagde] moet de inloggegevens en toegangscodes van het Instagram-account verstrekken aan [eiser sub 1]
4.4.
en [eiser sub 2] hebben ter zitting nader toegelicht dat vordering i als volgt moet worden begrepen. Zij vorderen primair [gedaagde] te gebieden om binnen 48 uur het Instagram-account aan [eiser sub 1] over te dragen. Subsidiair vorderen zij [gedaagde] te gebieden om binnen 48 uur alle inloggegevens en toegangscodes van het Instagram-account aan [eiser sub 1] te verstrekken. Zowel in de primaire als in de subsidiaire variant wordt gevorderd het gebod op straffe van verbeurte van een dwangsom uit te spreken.
4.5.
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang hebben bij deze vordering. Dat volgt uit hun onweersproken stellingen dat via het Instagram-account mogelijk privéberichten met onrechtmatige uitlatingen over hen aan derden zijn verzonden. Als dat het geval is, kunnen deze uitlatingen (verdere) schade veroorzaken. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben er daarom belang bij om spoedig duidelijkheid te verkrijgen over de inhoud en verspreiding van eventuele berichten en, zo nodig, deze berichten te kunnen rectificeren.
4.6.
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] stellen dat [gedaagde] toegang heeft tot het Instagram-account en verantwoordelijk is voor de onrechtmatige publicaties en uitlatingen, te weten (de teksten bij) de foto’s, video’s, de gebruikersnaam en de accountomschrijving op het Instagram-account. Ter onderbouwing daarvan verwijzen zij naar de door hen overgelegde verklaring van de broer van [eiser sub 2] en het (transcript van het) telefoongesprek dat op 2 januari 2026 plaatsvond tussen de broer van [eiser sub 2] en [gedaagde] . Uit die stukken blijkt dat de broer van [eiser sub 2] en [gedaagde] elkaar op 31 december 2025 en 1 januari 2026 hebben ontmoet. Tijdens deze ontmoetingen heeft [gedaagde] aangegeven dat hij de betreffende foto’s en video’s op het Instagram-account had geplaatst en de gebruikersnaam en gebruikersomschrijving had gewijzigd, vanwege het zakelijke geschil tussen hem en [eiser sub 1] . De broer van [eiser sub 2] heeft [gedaagde] ertoe bewogen de betreffende foto’s en video’s te verwijderen en de accountnaam te wijzigen. Vervolgens heeft [gedaagde] de foto’s en video’s inderdaad verwijderd, maar heeft hij nagelaten de gebruikersnaam en de accountomschrijving te wijzigen. [gedaagde] gaf tijdens het telefoongesprek aan dat hem dit was ontschoten. Na het telefoongesprek heeft [gedaagde] de accountnaam en de beschrijving alsnog gewijzigd, aldus [eiser sub 1] en [eiser sub 2] .
4.7.
Volgens [gedaagde] heeft hij al maanden geen toegang meer tot het Instagram-account. Hij ontkent dat hij betrokken is geweest bij het maken, wijzigen, in stand houden of verwijderen van de gestelde content. De wijze waarop de verklaring van de broer van [eiser sub 2] is geformuleerd, roept volgens [gedaagde] twijfels op over de spontaniteit, onafhankelijkheid en authenticiteit daarvan. Daarnaast bevat de opname van het telefoongesprek abrupte stiltes en lijkt er sprake te zijn van knip en plak-momenten, aldus [gedaagde] .
4.8.
De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt.
4.9.
[gedaagde] ontkent niet dat op 31 december 2025 en op 1 januari 2026 ontmoetingen tussen hem en de broer van [eiser sub 2] plaatsvonden en dat hij op 2 januari 2026 het betreffende telefoongesprek met de broer van [eiser sub 2] voerde. Hij betwist de inhoud van de betreffende gesprekken ook niet. Dat maakt dat voldoende aannemelijk is dat de ontmoetingen en het telefoongesprek hebben plaatsgevonden en dat, gelet op de inhoud van deze gesprekken, voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] de betreffende foto’s en video’s van het Instagram-account heeft verwijderd, de accountnaam en gebruikersomschrijving heeft gewijzigd en dus ook dat [gedaagde] toegang heeft tot het Instagram-account.
4.10.
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben onweersproken betoogd dat [eiser sub 1] en [gedaagde] het Instagram-account gezamenlijk hebben aangemaakt en dat [eiser sub 1] en [gedaagde] op dit moment beiden eigenaar zijn van de tandartspraktijk. Gelet hierop zijn zowel [gedaagde] als [eiser sub 1] gerechtigd tot de toegang en het gebruik van het Instagram-account. De primair onder i gevorderde overdracht van het Instagram-account voert daarom te ver. Overdracht van het Instagram-account door [gedaagde] aan [eiser sub 1] betekent immers dat [gedaagde] na die overdracht geen toegang meer heeft tot het Instagram-account. Aangezien [eiser sub 1] en [gedaagde] (op dit moment nog) gezamenlijk eigenaar zijn van de tandartspraktijk, is dat niet redelijk. Die vordering wordt daarom afgewezen. [gedaagde] moet wel binnen 48 uur na betekening van dit vonnis alle inloggegevens en toegangscodes van het Instagram-account aan [eiser sub 1] verstrekken, zodat beiden toegang hebben tot het Instagram-account. [gedaagde] heeft nog betoogd dat niet hij maar [naam bedrijf] B.V. de eigenaar is van het Instagram-account en dat daarom de verkeerde partij is gedagvaard. Gebleken is echter dat [gedaagde] de feitelijke macht over het Instagram-account heeft, zodat dit verweer wordt verworpen. Dat betekent dat de subsidiaire vordering onder i wordt toegewezen.
4.11.
Als prikkel tot nakoming wordt aan deze veroordeling een dwangsom verbonden. Dat wil zeggen dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van
€ 5.000,00 ineens en € 500,00 per dag dat hij niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000,00.
De vorderingen ii, iii en v worden afgewezen
4.12.
Omdat vorderingen ii en iii zijn gegrond op onrechtmatige publicaties en uitlatingen, geldt als uitgangspunt dat het spoedeisend belang in beginsel wordt aangenomen zolang het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt of er een reële dreiging van herhaling bestaat.
4.13.
Volgens [gedaagde] ontbreekt het spoedeisend belang met betrekking tot deze vorderingen omdat de foto’s in de highlights zijn verwijderd en de gebruikers en accountomschrijving zijn aangepast, zodat er geen sprake is van onrechtmatig handelen. Hij betwist dat er sprake is van een reële dreiging van herhaling.
4.14.
De voorzieningenrechter overweegt dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] geen spoedeisend belang hebben bij vorderingen ii en iii, gelet op het volgende.
4.15.
Niet is in geschil dat de betreffende foto’s en video’s zijn verwijderd en dat de gebruikersnaam en accountomschrijving zijn aangepast, zodat er op dit moment geen sprake is van de gestelde onrechtmatige handelingen. Bovendien hebben de gestelde onrechtmatige publicaties en uitlatingen maximaal twee dagen geduurd (van 31 december 2025 tot 2 januari 2026), waren zij al verwijderd voordat het kort geding is aangevraagd en is, ook al omdat er sinds 2 januari 2026 niets meer is gepubliceerd, een reële dreiging van herhaling (daarom) niet aannemelijk. De stelling van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat een reële dreiging van verder onrechtmatig handelen blijft bestaan omdat [gedaagde] het gestelde onrechtmatig handelen ontkent, geen excuses maakt en niet overgaat tot het afgeven van een toereikende onthoudingsverklaring, is daartoe in ieder geval onvoldoende.
4.16. Vooropgesteld zij dat – nog daargelaten dat afgedwongen excuses veelal als inhoudsloos worden aangemerkt – er geen vordering is ingesteld die strekt tot het maken van excuses. Het afgeven van een onthoudingsverklaring kan in intellectuele-eigendomszaken een rol spelen. Deze zaak betreft echter geen intellectuele-eigendomszaak, in tegenstelling tot wat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] menen. Deze zaak gaat immers niet over een dreigende inbreuk op een portretrecht of auteursrecht, maar in de kern om (een verbod op) onrechtmatig handelen, wat wezenlijk anders is. Hetzelfde geldt voor vordering v. Een dergelijke vordering kan alleen worden ingesteld als er sprake is van een intellectuele-eigendomszaak.
4.17.
Daar komt bij dat vorderingen ii en iii te onbepaald zijn geformuleerd, gelet op de zinsnede: “
waaronder inbegrepen maar niet uitsluitend”. Bovendien wordt [gedaagde] veroordeeld om alle inloggegevens en toegangscodes aan [eiser sub 1] te verstrekken, zodat [eiser sub 1] ten aanzien van eventuele onrechtmatige publicaties of uitlatingen op het Instagram-account, indien nodig, zelf actie kan ondernemen.
4.18.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen ii, iii en v worden afgewezen.
Proceskosten
4.19.
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder (maar niet uitsluitend) voor zover dit geschil ziet op de inbreuk op de auteursrechten (20 %) de volledige (artikel 1019h Rv) advocaatkosten, griffierechten en kosten voor de gerechtsdeurwaarder, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
4.20. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat artikel 1019h Rv hier toepassing mist. De proceskosten moeten daarom in beginsel worden begroot volgens het liquidatietarief. De voorzieningenrechter ziet in deze zaak echter aanleiding om de proceskosten te compenseren, gelet op het volgende.
4.21.
Enerzijds zijn [eisers] grotendeels in het ongelijk gesteld, anderzijds heeft [gedaagde] in deze zaak niet volledig naar waarheid verklaard door te blijven ontkennen betrokken te zijn bij het plaatsen en verwijderen van de betreffende foto’s, video’s, gebruikersnaam en accountnaam op het Instagram-account, terwijl voor zijn betrokkenheid sterke aanwijzingen bestaan. Alles bij elkaar genomen leidt dit tot compensatie van de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verklaart [eiser sub 3] en [eiser sub 4] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;
5.2.
gebiedt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis alle inloggegevens en toegangscodes van het Instagram-account aan [eiser sub 1] te verstrekken;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 ineens en € 500,00 voor iedere dag dat [gedaagde] niet voldoet aan de veroordeling onder 5.2, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
[3894/2009]