Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2622

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
C/10/713091 / JE RK 26-50 en C/10/711714 / JE RK 25-2582
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:264 BWArt. 1:265c BWArt. 1:265f BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige met afwijzing verzoek vervallen schriftelijke aanwijzing

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die in een pleeggezin verblijft. De moeder verzoekt daarnaast de schriftelijke aanwijzing van de GI, die de omgang tussen haar en de minderjarige beperkt, geheel te laten vervallen.

De kinderrechter constateert dat de ondertoezichtstelling sinds de geboorte van de minderjarige van kracht is vanwege zorgen over de opvoedvaardigheden en emotionele stabiliteit van de ouders. Ondanks hulpverlening zijn er onvoldoende verbeteringen en blijft de situatie zorgelijk. De moeder heeft een verstandelijke beperking en ernstige psychische problematiek, waardoor zij intensieve zorg nodig heeft. De vader werkt mee aan hulpverlening, maar is nog niet in staat de zorg volledig op zich te nemen.

De omgang tussen moeder en minderjarige verloopt met veel ontregeling bij het kind, wat de GI reden geeft de contactmomenten te beperken. De moeder betwist dit en wil de omgang uitbreiden. De kinderrechter oordeelt dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig is genomen en in het belang van het kind is. Daarom wordt het verzoek tot vervallenverklaring afgewezen.

De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar en verklaart deze besluiten uitvoerbaar bij voorraad. Het perspectiefonderzoek naar de toekomst van de minderjarige zal worden voortgezet. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor een jaar en wijst het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing af.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/713091 / JE RK 26-50 en C/10/711714 / JE RK 25-2582
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter
in de zaken van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
en
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. E.H. van de Gein, kantoorhoudende te Den Haag,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt in alle zaken als belanghebbende aan:
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. W. de Deugd, kantoorhoudende te Dordrecht.
De kinderrechter merkt in de zaak van de GI als belanghebbende aan:
de moeder, voornoemd.
De kinderrechter merkt in de zaak van de moeder als belanghebbende aan:
de GI, voornoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In de zaak met zaaknummer: C/10/713091 / JE RK 26-50
  • het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 9 januari 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 12 januari 2026;
  • het verweerschrift van mr. E.H. van de Gein van 1 maart 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 2 maart 2026.
In de zaak met zaaknummer: C/10/711714 / JE RK 25-2582
  • het verzoekschrift van mr. S. Klootwijk (voorheen de advocaat van de moeder) van 12 december 2025, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • aanvullende stukken van de GI omtrent het NIKA-traject en de evaluatie van Enver, binnengekomen bij de rechtbank op 8 januari 2026;
  • foto’s en video-opnames van mr. S. Klootwijk van omgangsmomenten tussen de moeder en [voornaam minderjarige] , binnengekomen bij de rechtbank op 21 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 maart 2025 [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 10 maart 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 oktober 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 10 maart 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft op 23 januari 2026 de behandeling van het verzoek van de moeder, vanwege afwezigheid van de moeder, aangehouden.
2.6.
De GI heeft op 5 december 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de moeder. Hierin heeft de GI de volgende aanwijzingen gegeven aan de moeder:
-
Het contact tussen u en [voornaam minderjarige] zal plaatsvinden één keer per twee weken, gedurende een bezoek van 30 minuten.
-
De bezoeken vinden plaats onder begeleiding van de pleegoma en de jeugdbeschermer of pleegzorgwerker, omdat zij nodig zijn voor de veiligheid van [voornaam minderjarige] en om het contactmoment te kunnen ondersteunen en bijsturen.
-
De frequentie, duur en aanwezigen kunnen op dit moment niet verder worden uitgebreid of aangepast, omdat is vastgesteld dat [voornaam minderjarige] na de bezoeken met u meerdere dagen ontregeld raakt en extra ondersteuning nodig heeft.
-
Deze regeling wordt vastgesteld in het belang van de rust, veiligheid en ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . Mocht in de toekomst blijken dat [voornaam minderjarige] minder ontregeling laat zien, dan kan opnieuw worden bekeken of aanpassing van de contactregeling mogelijk is.
De regeling geldt voor de duur van de uithuisplaatsing, tot 9 maart 2026.

3.De (aangehouden) verzoeken

Ten aanzien van het zaaknummer: C/10/713091 / JE RK 26-50
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ten aanzien van het zaaknummer: C/10/711714 / JE RK 25-2582
3.2.
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI van 2 december 2025 geheel vervallen te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Ten aanzien van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing handhaaft de GI het verzoek en licht dit als volgt toe. [voornaam minderjarige] laat een behoorlijke reactie zien nadat er een omgangsmoment is geweest, met name als dit met de moeder was. Na de omgang slaapt hij slecht, gilt hij veel en heeft hij moeite met eten. De GI hoopt dat door EMDR het trauma van [voornaam minderjarige] minder kan worden en hij beter reageert op contact met zijn ouders. De komende periode zal het perspectiefonderzoek starten en zal duidelijk moeten worden waar het perspectief van [voornaam minderjarige] ligt. Hiervoor is een aanmelding gedaan en de verwachting is dat dit traject zes tot negen maanden zal duren. De GI is bezig om te kijken of er voor de vader opvoedondersteuning kan worden ingezet. De GI wil ook voor de moeder kijken of een vorm van opvoedondersteuning passend is, maar uit het NIKA-traject komt duidelijk naar voren dat de moeder eerst echt aan zichzelf moet werken. Daarna kan zij zich op [voornaam minderjarige] richten.
Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing voert de GI aan dat zij de omgang tussen de moeder en [voornaam minderjarige] zo willen houden, omdat [voornaam minderjarige] tijd nodig heeft om te herstellen van de omgangsmomenten met de moeder en iedere week omgang daarom te veel is. De GI hoopt dat door de EMDR dit patroon kan worden doorbroken en de omgang weer kan worden uitgebreid.
4.2.
Door en namens de moeder wordt ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder voert geen verweer tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar verzoekt het verzoek ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. Subsidiair verzoekt moeder de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor een kortere duur van drie maanden, dan wel voor de duur die de kinderrechter wenselijk acht. De omstandigheden die geleid hebben tot de uithuisplaatsing zijn niet meer aanwezig. De moeder woont zelfstandig en kan beter op zichzelf focussen. Zij is bezig met een cursus, Prisma kan binnenkort starten en zij staat op de wachtlijst voor meerdere behandelingen. De zorgen die er op dit moment nog zijn, kunnen binnen de ondertoezichtstelling worden weggenomen. De moeder mist [voornaam minderjarige] en wil hard aan zichzelf werken, zodat hij weer thuis kan komen wonen. De moeder ervaart veel onduidelijkheid en wil weten wanneer haar kind weer thuiskomt.
Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing handhaaft de moeder het verzoek. Uit de video-opnames blijkt dat de omgang met [voornaam minderjarige] goed verloopt. Het is belangrijk voor de hechtingsrelatie dat er frequent omgang plaatsvindt. De moeder kan dan ook laten zien dat zij wel voor [voornaam minderjarige] kan zorgen. In het kader van een terugplaatsing is de beperking van de omgang niet wenselijk.
4.3.
Door en namens de vader wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De vader wil zelf voor [voornaam minderjarige] zorgen en heeft de wens dat [voornaam minderjarige] bij hem komt wonen. Ondanks deze wens verzet de vader zich niet tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de verzochte duur. Door de verlenging van de maatregelen kan [voornaam minderjarige] tot rust komen. De vader hoopt wel dat de omgang in de toekomst kan worden uitgebreid en dat hij leuke dingen met [voornaam minderjarige] kan doen tijdens deze omgangsmomenten. Op dit moment zijn veel mensen aanwezig bij de omgangsmomenten en is het erg druk. De vader wil graag een band met [voornaam minderjarige] opbouwen. De vader staat open voor alle hulpverlening.

5.De beoordeling

Ten aanzien van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er geen verweer wordt gevoerd tegen het verzoek van de GI met betrekking tot de ondertoezichtstelling. [voornaam minderjarige] is als ongeboren baby onder toezicht gesteld van de GI, vanwege zorgen over de opvoedvaardigheden en emotionele stabiliteit van de ouders. De ingezette hulpverlening heeft nog onvoldoende tot verbetering geleid. Tijdens de omgangsmomenten lukt het de ouders onvoldoende om aan te sluiten bij [voornaam minderjarige] . Het is belangrijk dat beide ouders open staan voor begeleiding en behandeling om aan te kunnen sluiten bij de behoeftes van [voornaam minderjarige] . De vader krijgt begeleiding vanuit ASVZ en ter zitting heeft de GI aangegeven te gaan kijken of er vanuit ASVZ ook opvoedondersteuning kan komen voor de vader. Het is positief dat de vader openstaat voor de hulp. Daarnaast komt vanuit ASVZ komt naar voren dat de moeder intensieve 24-uurszorg nodig heeft, zij heeft daarvoor ook een WLZ-indicatie, die op dit moment niet wordt gebruikt. Het is positief dat de moeder ter zitting aangegeven heeft hiervoor open te staan. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de ouders voortvarend aan de slag gaan met de hulpverlening. Het is namelijk in het belang van [voornaam minderjarige] dat het goed gaat met de ouders.
5.2.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] [voornaam minderjarige] verblijft sinds april 2025 in het huidige pleeggezin en hij ontwikkelt zich daar goed. [voornaam minderjarige] is als baby van een maand oud onder zeer zorgelijke omstandigheden met spoed uit huis geplaatst. De moeder heeft vanuit haar verstandelijke beperking, ADHD en PTSS zeer intensieve behandeling en begeleiding nodig. Zij verbleef daarom met [voornaam minderjarige] in een Ouder-Kind voorziening van ASVZ. Ondanks de intensieve begeleiding waren er zorgen over de lichamelijke verzorging van [voornaam minderjarige] door de moeder en de sociaal-emotionele ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . De moeder toonde zich instabiel en had stemmingswisselingen, waardoor het haar niet lukte om zich aan de gemaakte veiligheidsafspraken te houden. De moeder liet de begeleiding niet toe, was verbaal agressief en slecht benaderbaar. De kinderrechter constateert dat de moeder nog geen, of in ieder geval onvoldoende, stappen heeft gezet om haar situatie te verbeteren en is daarom van oordeel dat [voornaam minderjarige] op dit moment niet bij haar kan worden geplaatst. Ook de vader is bij de huidige stand van zaken niet in staat om de zorg voor [voornaam minderjarige] op zich te nemen. Toen [voornaam minderjarige] uit huis werd geplaatst was sprake van forse ruzies en escalaties tussen de moeder en de vader, ook in bijzijn van [voornaam minderjarige] . De ouders zijn inmiddels uit elkaar, maar er is nog altijd sprake van forse spanningen tussen hen. Vader werkt mee aan de hulpverlening, wat positief is. Anderzijds heeft hij nog altijd moeite met consequent het belang van [voornaam minderjarige] voorop stellen en zijn behoeftes daaraan aan te passen. Ook is nog niet duidelijk welk effect de door hem gevolgde therapie als het gaat om agressieregulatie heeft gehad. De kinderrechter begrijpt de wens van de ouders om [voornaam minderjarige] thuis te hebben, maar gezien de huidige situatie zijn de vader en de moeder niet in staat om voor [voornaam minderjarige] te zorgen. Het is knap dat de vader, ondanks zijn sterke wens, inziet dat [voornaam minderjarige] gebaat is bij de rust en stabiliteit die hij krijgt in het huidige pleeggezin. [voornaam minderjarige] is nog erg jong en het is belangrijk dat er onderzoek komt naar het perspectief van [voornaam minderjarige] . De GI heeft ter zitting aangegeven dat hiervoor een aanmelding is gedaan.
5.3.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] voor de duur van een jaar. Daarnaast verlengt de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van een jaar. De kinderrechter ziet geen aanleiding om de machtiging te verlengen voor een kortere duur dan is verzocht. Het perspectiefonderzoek dient grondig te gebeuren en dit zal tijd kosten. De kinderrechter is er van overtuigd dat de GI naar hetgeen zal handelen wat uit het onderzoek komt.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing om ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing
5.5.
Op grond van artikel 1:265f, eerste lid, BW kan de GI voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Op grond van artikel 1:265f, tweede lid, BW geldt de beslissing van de GI als een schriftelijke aanwijzing.
5.6.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:264, eerste lid, BW op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.
5.7.
De kinderrechter is van oordeel dat het besluit van de GI zorgvuldig tot stand is gekomen, dat de relevante belangen kenbaar zijn afgewogen en het besluit deugdelijk is gemotiveerd.
5.8.
De kinderrechter begrijpt het verdriet van de moeder. Echter, de kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing in het belang van [voornaam minderjarige] is. [voornaam minderjarige] heeft baat bij rust en stabiliteit. [voornaam minderjarige] reageert heftig op de omgangsmomenten met de moeder en hij heeft veel tijd nodig om daarvan te herstellen. Meerdere jeugdbeschermers van de GI en ook pleegzorg hebben de omgang tussen de moeder en [voornaam minderjarige] geobserveerd en komen tot diezelfde conclusie. Binnenkort zal [voornaam minderjarige] starten met EMDR en dit zal veel van hem vragen. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de behandeling verandering brengt in de situatie. Het is de wens van iedereen dat [voornaam minderjarige] onbelast contact met beide ouders kan hebben. De kinderrechter benadrukt dat deze beslissing niet wil zeggen dat de moeder iets verkeerd doet, laat staan dat dit expres zou zijn. Maar wel kan worden vastgesteld dat de omgangsmomenten met de moeder op dit moment te belastend zijn voor [voornaam minderjarige] om deze wekelijks te laten plaatsvinden. De GI zal de komende tijd moeten monitoren hoe de behandeling en de omgangsmomenten verlopen. Dan kan worden bekeken of en op welke manier de omgang kan worden uitgebreid. Daarbij is het belang van [voornaam minderjarige] leidend. Ook benadrukt de kinderrechter in dit verband het belang dat de moeder aan zichzelf werkt en stabieler wordt.
5.9.
De kinderrechter wijst het verzoek van de moeder af.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Ten aanzien van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 10 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 10 maart 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
Ten aanzien van het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing
6.4.
wijst het verzoek van de moeder af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 door mr. A.L. Pöll, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 11 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.