Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2669

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
C/10/701926 / HA ZA 25-518
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:9 BWArt. 2:11 BWArt. 2:19 lid 4 BWArt. 2:19b BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid bestuurders wegens misbruik turboliquidatie en selectieve betaling schuldeisers

Holding vordert betaling van schadevergoeding van bestuurders van [bedrijf 2] wegens het niet voldoen aan een veroordelend vonnis. Tussen mondelinge behandeling en vonnis werd [bedrijf 2] ontbonden via turboliquidatie, waarbij activa werden verkocht en opbrengsten selectief aan schuldeisers werden betaald, zonder Holding te informeren.

De rechtbank oordeelt dat bestuurders ernstig verwijtbaar hebben gehandeld door misbruik te maken van turboliquidatie en onvoldoende transparantie te bieden, in strijd met de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie. Holding werd bewust onbetaald gelaten terwijl andere schuldeisers wel werden voldaan.

De bestuurders zijn hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade van € 56.412,29, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. De vordering is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden en op 11 maart 2026 uitgesproken.

Uitkomst: Bestuurders worden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor schadevergoeding wegens misbruik turboliquidatie en selectieve betaling schuldeisers.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Civiel recht
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/701926 / HA ZA 25-518
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
[naam 1] HOLDING B.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: Holding,
advocaat: mr. E.J.L. Mulderink,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te Rotterdam,
2.
[bedrijf 1] B.V.,
te Rotterdam,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] , en elk voor zich [gedaagde 1] en [bedrijf 1]
advocaat: mr. M. Spaa.

1.De zaak in het kort

Holding vordert dat [gedaagden] als bestuurders van [bedrijf 2] worden veroordeeld om de schade te vergoeden die Holding heeft geleden, doordat [bedrijf 2] niet heeft voldaan aan een veroordelend vonnis van deze rechtbank. Tussen de mondelinge behandeling en de dag van het vonnis is [bedrijf 2] door [gedaagden] ontbonden met toepassing van artikel 2:19 lid 4 BW Pro (turboliquidatie). Voorafgaand aan de turboliquidatie zijn de activa van [bedrijf 2] kennelijk verkocht. De koopprijs is gebruikt om selectief crediteuren te betalen. [gedaagden] treft hiervan een ernstig verwijt en zij zijn aansprakelijk.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 juni 2025 met producties 1-5;
- de conclusie van antwoord van 6 augustus 2025 met producties 1-3;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 20 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[naam 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van Holding.
3.2.
[gedaagde 1] houdt indirect alle aandelen in [bedrijf 1] . Hij is ook middellijk bestuurder van [bedrijf 1] .
3.3.
[bedrijf 1] hield tot 30 augustus 2024 9.510 van de 10.000 aandelen in het kapitaal van [bedrijf 2]. De overige 490 aandelen werden gehouden door [naam 2] . [bedrijf 1] was tot die datum bestuurder van [bedrijf 2].
3.4.
In het handelsregister stond [bedrijf 2] ingeschreven met het bezoekadres Stoomloggerweg 6 C in Vlaardingen.
3.5.
In juni 2020 heeft Holding alle aandelen in het kapitaal van Forza Unita B.V. verkocht aan [bedrijf 2] (toen nog in oprichting). De koopovereenkomst is niet gedateerd. Partijen bij die overeenkomst waren Holding en [naam 1] enerzijds en [bedrijf 2] en [gedaagde 1] anderzijds.
3.6.
In artikel 5 van Pro de koopovereenkomst is, samengevat, overeengekomen dat [naam 1] vanaf de levering van de aandelen tot 4 december 2023 één dag per week beschikbaar zal zijn voor de onderneming tegen betaling van een maandelijkse beloning van € 2.500,00 die aan Holding op factuur zal worden betaald. [bedrijf 2] heeft deze beloning vanaf oktober 2022 niet meer aan Holding betaald.
3.7.
Holding heeft bij dagvaarding van 31 maart 2023 een vordering ingesteld tegen [bedrijf 2] tot nakoming van artikel 5 van Pro de koopovereenkomst. De zaak is ingeleid bij de kantonrechter en na verwijzing verder door de handelskamer van deze rechtbank behandeld.
3.8.
Op 27 juni 2024 heeft in de procedure tussen Holding en [bedrijf 2] een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Toen de rechter mondeling uitspraak wilde doen, heeft [bedrijf 2] een wrakingsverzoek gedaan.
3.9.
Bij beslissing van 21 augustus 2024 is het wrakingsverzoek als ongegrond afgewezen.
3.10.
Bij aandeelhoudersbesluit van 30 augustus 2024 is [bedrijf 2] per die datum ontbonden met toepassing van artikel 2:19 lid 4 BW Pro (turboliquidatie). In het aandeelhoudersbesluit wordt overwogen dat er geen baten zijn. In het aandeelhoudersbesluit staat onder meer:
“De voorzitter stelt aan de orde dat de activiteiten van de door de vennootschap gedreven onderneming in 2023 zijn komen stil te liggen. Er is bijna geen omzet meer en er zijn ook geen baten meer ter vereffening.”
3.11.
Holding is niet op de hoogte gesteld van de ontbinding van [bedrijf 2].
3.12.
Op 13 september 2024 heeft de Kamer van Koophandel de formulieren ontvangen, waarmee de ontbinding is ingeschreven. Op die formulieren staat dat zij door [gedaagde 1] namens [bedrijf 2] zijn ingediend. Op een “Formulier Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie” is namens [bedrijf 2] het volgend ingevuld:
“De activiteiten met de daaraan verbonden goodwill van de vier groepsvennootschappen, te weten:
[bedrijf 2] Personeel B.V. (KvK 78168333)
Fiax People B.V. (KvK 73163244)
[bedrijf 2] Bouw en Techniek B.V. (KvK 78179130)
[bedrijf 2] Bouw en Techniek ZZP services B.V. (KvK 72940174)
zijn, vanwege het immer verlieslatend zijn van de activiteiten vanaf de oprichting in het jaar 2020, het niet slagen van verbeterplannen en het voor de directie ontbreken van perspectief van de activiteiten in de toekomst, per 1 juli 2023 overgedragen aan een samenwerkingspartner.
Na de overdracht van de activiteiten per 1 juli 2023 is er geen te realiseren actief meer. Er is in september 2024 geen actief voor verdeling beschikbaar.”
3.13.
Bij vonnis van 25 september 2024 is [bedrijf 2] veroordeeld om € 42.350,00 met rente en kosten aan Holding te betalen.
3.14.
Bij email van 26 september 2024 heeft de advocaat van Holding [bedrijf 2] via haar advocaat gesommeerd om € 56.412,29 te betalen. Dat is het bedrag waartoe [bedrijf 2] was veroordeeld, vermeerderd met rente en kosten.
3.15.
Op 3 oktober 2024 is de inschrijving van de ontbinding van [bedrijf 2] door het handelsregister verwerkt. Op diezelfde dag heeft de advocaat van [bedrijf 2] geschreven dat [bedrijf 2] was ontbonden en dat het bestuur betreurt dat er geen betaling meer zal kunnen plaatsvinden.

4.Het geschil

4.1.
Holding vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 42.350,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente tot en met 26 september 2024 ten bedrage van € 7.533,10, een bedrag van € 986,75 aan buitengerechtelijke kosten en een bedrag van € 5.542,44 aan proceskosten waarin [bedrijf 2] bij vonnis van 25 september 2024 is veroordeeld. Dat komt in totaal neer op een bedrag van € 56.412,29 een en ander vermeerderd met rente en proceskosten.
4.2.
Holding legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagden] hebben als (indirect) bestuurders van [bedrijf 2] op ernstig verwijtbare wijze verhinderd dat [bedrijf 2] aan haar verplichtingen jegens Holding voldeed. Dat is gebeurd door de incasso van de vordering moedwillig te vertragen, door geen transparantie te betrachten over de vermogenstoestand van [bedrijf 2] en uiteindelijk door misbruik te maken van turboliquidatie.
4.3.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Holding, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Holding, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Holding in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Het toepasselijke normenkader
5.1.
Holding spreekt [gedaagden] aan in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurders van [bedrijf 2] vanwege de benadeling van Holding als schuldeiser van [bedrijf 2] door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van haar vordering.
5.2.
Voor deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap ([bedrijf 2]) mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In het algemeen mag alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld als hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW Pro, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. De betrokken bestuurder kan voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen [1] .
5.3.
Een van de verwijten die Holding [gedaagden] maken is dat zij misbruik hebben gemaakt van turboliquidatie. Van turboliquidatie wordt gesproken, indien een rechtspersoon wordt ontbonden zonder vereffening van zijn vermogen. Dat is op grond van artikel 2:19 lid 4 BW Pro mogelijk, indien de rechtspersoon op het moment van zijn ontbinding geen baten heeft. De rechtspersoon houdt in dat geval direct op te bestaan als het ontbindingsbesluit is genomen.
5.4.
De Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie van 15 maart 2023 beoogt misbruik van turboliquidatie te voorkomen. De wet heeft onder meer geleid tot de invoering van artikel 2:19b BW. In lid 1 van dat artikel staat dat in het handelsregister een beschrijving moet worden gedeponeerd van de oorzaak van het ontbreken van baten op het tijdstip van de ontbinding, indien aan de orde, de wijze waarop de baten van de rechtspersoon te gelde zijn gemaakt en de opbrengsten zijn verdeeld en indien aan de orde, de redenen waarom een schuldeiser of schuldeisers geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven. In lid twee staat dat het bestuur onverwijld nadat deze deponeringen zijn gedaan, daarvan schriftelijk mededeling doet aan de schuldeisers.
5.5.
In de wetsgeschiedenis [2] is over het doel van deze bepaling het volgende opgemerkt:
“Voor zover een feitelijke vereffening heeft plaatsgevonden, wordt inzichtelijk gemaakt welke baten aanwezig waren, voor welk bedrag deze te gelde zijn gemaakt en hoe de opbrengsten vervolgens zijn verdeeld. Voor schuldeisers is deze informatie van belang. Als bijvoorbeeld voorraden onder de marktprijs zijn verkocht, terwijl niet alle schuldeisers zijn voldaan, zou dat op pauliana kunnen wijzen. Als gelieerde schuldeisers zonder geldige reden zijn bevoordeeld, dan kan dat wijzen op een onrechtmatig selectieve betaling.
(…)
Bij de beschrijving van de redenen waarom een schuldeiser of schuldeisers geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven, kan aan het volgende worden gedacht. Als sommige schuldeisers wel volledig zijn voldaan en sommige niet, wordt inzage gegeven in de keuzes die daaraan ten grondslag liggen. Er kan bijvoorbeeld voor gekozen zijn om vorderingen van derden wel te voldoen en die van groepsmaatschappijen niet of om schuldeisers die in een vergelijkbare positie verkeren hetzelfde percentage van hun vordering uit te keren. Niet voldoende is de enkele constatering dat de schulden de baten overtroffen.”
[gedaagden] zijn aansprakelijk
5.6.
De rechtbank oordeelt dat onder de omstandigheden van dit geval aan de hiervoor weergegeven maatstaf is voldaan en dat [gedaagden] als (indirect) bestuurders van [bedrijf 2] aansprakelijk zijn voor de schade die Holding heeft geleden doordat haar vordering op [bedrijf 2] onbetaald is gebleven. De rechtbank baseert dat oordeel op de volgende omstandigheden.
5.7.
Uit de door [gedaagde 1] bij het handelsregister ingediende formulieren volgt dat [bedrijf 2] haar activiteiten en goodwill heeft overgedragen aan een “samenwerkingspartner”. Dat is volgens die formulieren gebeurd op 1 juli 2023. Dat was na 31 maart 2023, toen [bedrijf 2] door Holding was gedagvaard. Met de mogelijkheid van een veroordelend vonnis moest [bedrijf 2] vanaf 31 maart 2023 ernstig rekening houden.
5.8.
Tijdens de mondelinge behandeling in de onderhavige procedure heeft [gedaagde 1] desgevraagd het volgende verklaard. De samenwerkingspartner waarover in de formulieren wordt gesproken, is Hollandse Jongens B.V. [gedaagde 1] heeft met Hollandse Jongens geen banden. Hollandse Jongens heeft voor de activiteiten en goodwill van [bedrijf 2] een koopprijs betaald. Welk bedrag is betaald, weet [gedaagde 1] niet meer. Die koopprijs is aangewend om de schuldeisers van [bedrijf 2] te betalen die naar het oordeel van [gedaagde 1] en Hollandse Jongens nodig waren om de onderneming voort te zetten.
5.9.
Holding was kennelijk niet een van de schuldeisers die uit de opbrengst van de verkoop is betaald. Holding is ook niet van de verkoop op de hoogte gesteld.
5.10.
Tot en met de mondelinge behandeling op 27 juni 2024 is [bedrijf 2], hoewel zij volgens de opgave bij het handelsregister sinds 1 juli 2023 over geen enkel actief meer beschikte, verweer blijven voeren tegen de vordering van Holding. De gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling op 27 juni 2024 en de afwijzing van het wrakingsverzoek op 21 augustus 2024 maakten voor [bedrijf 2] vanaf 21 augustus 2024 voorzienbaar dat de vordering van Holding zou worden toegewezen.
5.11.
De turboliquidatie vond plaats op 30 augustus 2024. In het ontbindingsbesluit van die datum wordt over de verkoop per 1 juli 2023 aan Hollandse Jongens niet gesproken. Er staat dat de activiteiten van [bedrijf 2] “in 2023 zijn komen stil te liggen” en ook dat er “bijna geen omzet meer [is]”. Dat roept vragen op over de gestelde verkoop op 1 juli 2023, temeer omdat [gedaagden] over die verkoop in juli 2023 geen enkel stuk in het geding hebben gebracht. De rechtbank zal echter uitgaan van de lezing van [gedaagden] en aannemen dat de activiteiten en goodwill van [bedrijf 2] zijn verkocht.
5.12.
Wat [gedaagden] hebben ingevuld op het formulier dat bij het handelsregister is gedeponeerd om uitvoering te geven aan artikel 2:19b lid 1 BW is onvoldoende om te voldoen aan de eisen die die bepaling stelt. Er staat niet wat Hollandse Jongens voor de activa en de goodwill hebben betaald en ook niet hoe die opbrengst vervolgens is verdeeld. Er is ook geen opgave gedaan van de redenen waarom schuldeisers geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven. Dat dat niet aan de orde was, kan niet worden aangenomen, omdat er wel een opbrengst is geweest en - kennelijk - sommige schuldeisers wel en andere niet zijn betaald. Nog daargelaten of de verkoop al op 1 juli 2023 heeft plaatsgevonden, zoals [gedaagden] stellen, rechtvaardigt het tijdsverloop tussen 1 juli 2023 en 30 augustus 2024 niet dat de vereiste transparantie niet is betracht. [gedaagden] hebben ook niet overeenkomstig de eisen van artikel 2:19b lid 2 BW van deze deponeringen onverwijld schriftelijk mededeling aan Holding gedaan.
5.13.
Tijdens de mondelinge behandeling is ook besproken dat [bedrijf 2] nog een actieve website heeft, waarop het adres Stoomloggerweg 6 C in Vlaardingen als bezoekadres is vermeld. [gedaagde 1] heeft verklaard dat het pand aan de Stoomloggerweg 6 C eigendom is van [bedrijf 3] B.V., een vennootschap waarvan [gedaagde 1] de enig aandeelhouder en bestuurder is. [gedaagde 1] heeft echter ook verklaard dat [bedrijf 2] thans geen huurder meer is van [bedrijf 3] en dat hij niet weet waarom [bedrijf 2] op haar website dat bezoekadres nog hanteert. Dat roept weer vragen op over de gestelde verkoop. Bovendien maken deze omstandigheden dat inzicht in de schuldeisers die wel en niet zijn betaald en de redenen die aan die selectie ten grondslag hebben gelegen niet gemist konden worden in de opgave bij het handelsregister. [bedrijf 2] had als huurder, naar mag worden aangenomen, huurverplichtingen aan [bedrijf 3] . Als [bedrijf 2] ervoor heeft gekozen om voorafgaand aan de turboliquidatie een huurschuld te betalen aan [bedrijf 3] , een gelieerde vennootschap, en Holding onbetaald te laten, zou sprake kunnen zijn van onrechtmatige selectieve betaling. De Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie beoogt door die transparantievereisten misbruik nu juist te voorkomen.
5.14.
Dit alles leidt in samenhang tot het oordeel dat [gedaagden] zodanig onzorgvuldig met de belangen van Holding als schuldeiser zijn omgesprongen, dat hen daarvan een ernstig verwijt is te maken. [gedaagden] wisten of hadden redelijkerwijs behoren te begrijpen dat het verkopen van de activiteiten en de goodwill, gevolgd door het aanwenden van de opbrengst voor selectieve betaling van schuldeisers en een turboliquidatie het gevolg zou hebben dat Holding onbetaald zou blijven. Ook al stond de vordering van Holding tot 25 september 2024 nog niet vast, [gedaagden] moesten er vanaf 31 maart 2023 ernstig rekening mee houden dat die vordering zou komen vast te staan en na 21 augustus 2023 was dat voorzienbaar. Dat [gedaagden] dit traject van verkoop en ontbinding hebben ingezet nadat [bedrijf 2] op 31 maart 2023 was gedagvaard en Holding op cruciale momenten (de verkoop van de activa, het besluit tot ontbinding en de deponeringen bij het handelsregister) niet onverwijld hebben geïnformeerd, wijst op betalingsonwil. Daarop wijst ook het gebrek aan transparantie in weerwil van de eisen die daaraan op grond van de wet gesteld worden. Dat levert voldoende aanwijzingen op dat de turboliquidatie in dit geval is ingezet om van Holding als schuldeiser af te komen zonder bemoeienis van een vereffenaar of curator. Daarom zijn [gedaagden] aansprakelijk voor de schade die Holding door hun handelwijze heeft geleden.
5.15.
[gedaagden] zijn hoofdelijk aansprakelijk, omdat [gedaagde 1] middellijk bestuurder is van [bedrijf 1] en [bedrijf 1] bestuurder was van [bedrijf 2] (artikel 2:11 BW Pro). Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Causaal verband en omvang van de schade
5.16.
Het causaal verband tussen de onrechtmatige gedragingen van [gedaagden] en de schade moet worden vastgesteld door de hypothetische situatie, waarin die gedragingen worden weggedacht, te vergelijken met de werkelijke situatie. Omdat vast staat dat [bedrijf 2] in elk geval tot 1 juli 2023 beschikte over activiteiten en goodwill waarvoor Hollandse Jongens een koopprijs wilde betalen en na 1 juli 2023 over die koopprijs, had Holding bij het uitblijven van de onrechtmatige gedragingen in ieder geval een deel van haar vordering betaald kunnen krijgen. Andere schuldeisers hebben volgens de eigen verklaringen van [gedaagden] immers wél van die opbrengsten geprofiteerd. Het causaal verband staat daarmee vast.
5.17.
De omvang van de schade kan niet nauwkeurig worden vastgesteld. Welk deel van de totale vordering van Holding uit de opbrengsten betaald had kunnen worden, kan de rechtbank niet vaststellen, omdat [gedaagden] Holding en de rechtbank niet hebben geïnformeerd over de opbrengsten, de schulden die ten laste van die opbrengsten zijn voldaan en de schulden die [bedrijf 2] – naast de schuld aan Holding - onbetaald heeft gelaten. Die informatie ligt in het domein van [gedaagden] en om die reden konden zij de stelling van Holding dat [gedaagden] het verhaal illusoir hebben gemaakt voor het gehele bedrag tot betaling waarvan [bedrijf 2] bij vonnis van 25 september 2024 is veroordeeld niet slechts betwisten met de opmerking dat het op de weg van Holding had gelegen om haar stellingen op dit punt goed uit te werken. De rechtbank zal de omvang van de schade schatten op het bedrag van de veroordeling die door de rechtbank bij vonnis van 25 september 2024 is uitgesproken. Dat bedrag is het gevorderde bedrag van € 56.412,29.
5.18.
Deze schatting is in overeenstemming met de aard van de schade, die immers mede is veroorzaakt doordat [gedaagden] bij het afwikkelen van [bedrijf 2] onvoldoende transparant zijn geweest over de financiële toestand van [bedrijf 2]. Hierdoor hebben [gedaagden] het vermoeden de turboliquidatie in dit geval is misbruikt onvoldoende weggenomen.
5.19.
[gedaagden] hebben tenslotte nog het volgende verweer gevoerd. Uit het vonnis van 25 september 2024 volgt, dat Holding in die procedure nakoming heeft gevorderd van een derdenbeding dat Holding ten behoeve van [naam 1] was overeengekomen. De vordering van Holding tegen [bedrijf 2] is ook op die grondslag toegewezen. Holding heeft echter geen eigen vordering tot schadevergoeding, omdat niet zij, maar [naam 1] schade heeft geleden als gevolg van het niet-nakomen door [bedrijf 2] van dat derdenbeding, aldus [gedaagden]
5.20.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Het is juist dat degene die ten behoeve van een derde iets bedingt in beginsel zelf geen schade lijdt als de verbintenis ten behoeve van die derde door de schuldenaar niet wordt nagekomen, maar hier liggen de zaken anders. Het vonnis van 25 september 2024 heeft kracht van gewijsde en staat hier niet meer ter discussie. De vordering die hier voorligt strekt tot vergoeding van de schade die Holding heeft geleden, doordat [gedaagden] op onrechtmatige wijze hebben verhinderd dat [bedrijf 2] betaalt wat zij op grond van het vonnis van 25 september 2024 aan Holding verschuldigd was. Dat heeft geleid tot eigen schade van Holding en die schade komt voor vergoeding in aanmerking.
Rente
5.21.
Holding vordert dat [gedaagden] worden veroordeeld tot het vergoeden van de wettelijke handelsrente over € 42.350,00 vanaf 26 september 2024 tot de dag van betaling. Hiertegen hebben [gedaagden] geen afzonderlijk verweer gevoerd. De rechtbank zal [gedaagden] veroordelen om over dat bedrag vanaf 26 september 2024 de wettelijke rente te betalen als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro. De vordering is immers gegrond op onrechtmatige daad en in dat geval is geen handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW verschuldigd.
Uitvoerbaarheid bij voorraad; geen zekerheidstelling
5.22.
[gedaagden] hebben bij conclusie van antwoord geconcludeerd dat een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard moet worden, althans dat daaraan de voorwaarde moet worden verbonden dat Holding zekerheid stelt (artikel 233 lid 3 Rv Pro). Zij hebben aangevoerd dat anders een onaanvaardbaar restitutierisico voor [gedaagden] bestaat aangezien Holding geen verhaal biedt.
5.23.
De rechtbank oordeelt anders. Het uitgangspunt is dat een partij belang heeft bij uitvoerbaarheid bij voorraad als haar vordering strekt tot betaling van een geldsom. De enkele niet-onderbouwde stelling dat Holding geen verhaal biedt, is onvoldoende om van dat uitgangspunt af te wijken. Die stelling is ook onvoldoende om aan de uitvoerbaarheid bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat Holding zekerheid stelt.
[gedaagden] moeten de proceskosten betalen
5.24.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Holding worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.884,78

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan [bedrijf 1] van een schadevergoeding van € 56.412,29, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 42.350,00 vanaf 26 september 2024 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 5.884,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
[3669/106]

Voetnoten

1.HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/X).
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 172, nr. 3, p. 22.