ECLI:NL:RBROT:2026:2674

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
C/10/688392 / FA RK 24-8048 en C/10/692716 / FA RK 25/337
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 815 lid 2 RvArt. 815 lid 6 RvArt. 3 Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingenArt. 20 Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en verdeling huwelijksgemeenschap met toepasselijk Turks recht op partneralimentatie

De rechtbank Rotterdam heeft op 18 maart 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een vrouw en een man, beiden met de Nederlandse nationaliteit, gehuwd in Turkije. De vrouw verzocht de echtscheiding uit te spreken wegens duurzame ontwrichting, wat door de man niet werd betwist. De rechtbank verklaarde het verzoek ontvankelijk ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan.

De vrouw had een verzoek tot partneralimentatie ingediend, maar de rechtbank oordeelde dat op grond van het Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen het Turks recht van toepassing is, omdat de vrouw haar gewone verblijfplaats naar Turkije heeft verplaatst. De rechtbank vond dat de vrouw onvoldoende had onderbouwd dat zij behoeftig is volgens het Turkse recht en wees het verzoek af.

Verder werd het verzoek van de man om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan hem toe te wijzen voor zes maanden toegewezen. De rechtbank regelde ook de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waarbij partijen het niet eens waren over diverse onderdelen, waaronder de waarde van een perceel in Turkije en de verkoop van de woning. De rechtbank gelastte taxatie van het perceel en stelde een procedure voor verkoop van de woning vast. Verzoeken tot verbeurdverklaring van spaargeld werden afgewezen wegens gebrek aan bewijs van benadeling binnen de wettelijke termijn.

Tot slot bepaalde de rechtbank dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding zelf.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, wijst het partneralimentatieverzoek af op grond van Turks recht en regelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap en het voortgezet gebruik van de woning.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummers / rekestnummers: C/10/688392 / FA RK 24-8048 en
C/10/692716 / FA RK 25/337
Beschikking van 18 maart 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. S. Süzen te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. E. Cekic te Uitgeest.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 29 oktober 2024;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, ingekomen op 15 januari 2025;
  • het bericht van de man van 23 oktober 2025;
  • het bericht van de vrouw van 12 januari 2026 met stukken en gewijzigd/aanvullend verzoek met bijlagen van de vrouw;
  • het bericht van de man van 13 januari 2026 met bijlagen;
  • de vermeerdering zelfstandige verzoeken met bijlagen van de man, ingekomen op 16 januari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.
1.3.
De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier gebruik van gemaakt.
1.4.
Zoals afgesproken tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw de rechtbank bij brief van 4 februari 2026 nog over diverse onderwerpen bericht. De advocaat van de man heeft daarop gereageerd bij brieven van 11 en 13 februari 2026.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te Karatay, Turkije op [huwelijksdatum] .
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ,
2.3.
Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. De man heeft op 30 maart 2000, derhalve voorafgaand aan het huwelijk, afstand gedaan van de Turkse nationaliteit.

3.De beoordeling

3.1.
Procesorde
3.1.1.
Aan het begin van de mondelinge behandeling is beslist dat de (financiële) stukken van de vrouw van 12 januari 2026 en de (financiële) stukken van de man van 13 januari 2026 niet zijn binnengekomen binnen de door de rechtbank gestelde 10-dagentermijn vóór de mondelinge behandeling en om die reden buiten beschouwing worden gelaten.
3.1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar aanvullend verzoek te bepalen dat de man op grond van artikel 843a Rv inzage dient te geven in bankafschriften ingetrokken, zodat de rechtbank niet meer op dit verzoek hoeft te beslissen.
3.1.3.
De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen het in behandeling nemen van de aanvullende zelfstandige verzoeken van de man van 16 februari 2026 omdat zij deze niet met haar cliënt heeft kunnen bespreken, behoudens het verzoek dat betrekking heeft op het perceel in Turkije.
3.1.4.
De rechtbank heeft aan het begin van de mondelinge behandeling beoordeeld of de gewijzigde verzoeken van de man in strijd zijn met de goede procesorde. De rechtbank heeft beslist het subsidiaire verzoek van de man om de partneralimentatie in duur te beperken, niet in behandeling nemen omdat dit een heel ingrijpend verzoek is en de man dit eerder had kunnen indienen omdat de man wist dat de vrouw in Turkije verbleef. Het verzoek om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning zal de rechtbank wel in behandeling nemen omdat dit verzoek, gelet op de feitelijke situatie, niet heel ingrijpend is. Het verzoek dat de vrouw dient bij te dragen in de eigenaarslasten is verstrekkend en zal gelet op het late tijdstip van indiening niet in behandeling worden genomen. In het verzoek omtrent de belastingschuld ziet de rechtbank geen gewijzigd verzoek. Ten aanzien van de verzoeken om inzage in bankafschriften en verbeurdverklaring van een aanzienlijk bedrag: ook dit verzoek is te laat gedaan en verstrekkend. De rechtbank ziet wel aanleiding om partijen in de gelegenheid te stellen zich daarover nog schriftelijk uit te laten omdat de man dit verzoek pas heeft kunnen doen naar aanleiding van de stukken van de vrouw van 12 januari 2026. Het verzoek betreffende het perceel in Turkije zal de rechtbank in behandeling nemen omdat daar geen bezwaar tegen is gemaakt.
3.2.
Scheiding
3.2.1.
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
3.2.2.
De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet en doet een gelijkluidend verzoek.
3.2.3.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv Pro, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv Pro).
3.2.4.
De vrouw heeft geen ouderschapsplan overgelegd. De vrouw heeft voldoende gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt de vrouw daarom in haar verzoek tot echtscheiding.
3.2.5.
Het verzoek tot echtscheiding wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
3.3.
Verblijfplaats
3.3.1.
De vrouw heeft haar verzoek te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn ingetrokken, zodat de rechtbank daar niet meer op hoeft te beslissen.
3.4.
Kinderbijdrage
3.4.1.
De vrouw heeft haar verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige ingetrokken, zodat de rechtbank daar niet meer op hoeft te beslissen.
3.5.
Partnerbijdrage
3.5.1.
De vrouw verzoekt – na wijziging- een door de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift (29 oktober 2024) te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 1.000,- per maand vast te stellen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij haar verzoek gewijzigd in die zin, dat zij vaststelling verzoekt met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking.
3.5.2.
De man voert gemotiveerd verweer. Hij betwist de behoefte en stelt dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij volledig in haar behoefte voorziet. Hij betwist dat hij draagkracht heeft voor het verzochte bedrag.
3.5.3.
De rechtbank constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrouw sinds juli 2025 feitelijk in Turkije verblijft. Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht over het alimentatieverzoek. De man stelt dat het verblijf van de vrouw in Turkije permanent is. De vrouw betwist dit gemotiveerd. Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om zich na de mondelinge behandeling nog uit te laten over het toepasselijk recht met betrekking tot dit nevenverzoek. De advocaat van de vrouw heeft daarvoor twee weken de tijd gekregen en de advocaat van de man aansluitend twee weken om op het standpunt van de vrouw te reageren. De advocaat van de vrouw heeft het standpunt van de vrouw bij brief van 4 februari 2026 gedeeld en de advocaat van de man heeft daarop gereageerd bij brief van 11 februari 2026.
3.5.4.
De vrouw stelt dat op grond van artikel 3 van Pro het Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 23 november 2007 (hierna: het Protocol) het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde van toepassing is. De vrouw stelt -verkort weergegeven- dat haar gewone verblijfplaats Nederland is en blijft, hoewel zij thans tijdelijk in Turkije verblijft. Daarom is op het verzoek het Nederlands recht van toepassing, aldus de vrouw.
De man betwist dit gemotiveerd en stelt dat de gewone verblijfplaats van de vrouw in Turkije is, zodat op het verzoek op grond van het Protocol het Turks recht van toepassing is.
3.5.5.
De rechtbank overweegt dat voor beoordeling van de vraag van het toepasselijk recht het Protocol van toepassing is. Op grond van artikel 3 is Pro van toepassing het recht van de Staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn of haar gewone verblijfplaats heeft. Het Protocol bevat geen definitie van “de gewone verblijfplaats”. Op grond van artikel 20 dient Pro bij de uitleg van het Protocol echter rekening te worden gehouden met de noodzaak om de uniforme uitleg van het Protocol te bevorderen. De gewone verblijfplaats is een autonoom en feitelijk begrip in het internationaal privaatrecht en ziet op het centrum van iemands maatschappelijk leven. Het gaat om het hebben van een duurzame band met een bepaald land, waarbij allerlei feitelijke factoren een rol spelen. Gelet op het bepaalde in artikel 20 sluit Pro de rechtbank bij dit uniform gedachtegoed aan.
3.5.6.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar gewone verblijfplaats in Turkije heeft en overweegt daartoe het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw in juli 2025 met de meerderjarige dochter van partijen naar Turkije is vertrokken en dat zij daar sindsdien verblijven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man onweersproken gesteld dat de betreffende dochter in Konya, Turkije studeert en dat het de bedoeling is dat de minderjarige, als hij aan het einde van het schooljaar 2025/2026 klaar is met school, ook bij de vrouw in Turkije gaat wonen. Ook heeft de vrouw haar vaste dienstverband opgezegd en heeft zij niet bij de betreffende werkgever aangegeven dat zij weer terugkeert naar Nederland, aldus de man. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat zij in Nederland staat ingeschreven voor een huurwoning en dat zij actief op zoek is naar een woning. Volgens de man heeft de vrouw zich ingeschreven voor een huurwoning in Nederland maar zij reageert niet op woningen. Ondanks de gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw haar stelling in haar brief van 4 februari 2026 niet nader met stukken onderbouwd. De man heeft in zijn brief van 11 februari 2026 zelfs aangegeven dat de vrouw in Konya, Turkije een appartement heeft gekocht. Al deze omstandigheden wijzen er naar het oordeel van de rechtbank op dat de vrouw haar leven naar Turkije verplaatst heeft zodat de gewone verblijfplaats van de vrouw in Turkije is en op het verzoek Turks recht van toepassing is.
3.5.7.
De man stelt met betrekking tot de situatie dat Turks recht van toepassing is, dat de vrouw haar verzoek onvoldoende onderbouwt. Zij beperkt zich tot het citeren en enigszins uitwerken van het wettelijk kader maar stelt noch onderbouwt waarom in haar situatie sprake is van behoeftige omstandigheden die een partnerbijdrage noodzakelijk maken.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 175 Turks Pro Burgerlijk Wetboek (hierna: TBW) degene die – voor zover van belang- door echtscheiding in behoeftige omstandigheden komt te verkeren van de ander levensonderhoud voor onbepaalde tijd kan vragen in overeenstemming met diens vermogenskracht. In de Turkse rechtspraktijk is dat uitgewerkt op de volgende wijze. Indien een echtgenoot in het kader van een echtscheidingsprocedure om partneralimentatie verzoekt, moet hij bewijzen dat hij met het onherroepelijk worden van de echtscheidingsbeslissing behoeftig zal zijn of dreigt te worden. De strekking van partneralimentatie is te voorkomen dat een partij door de echtscheiding in een financieel onhoudbare situatie zal komen te verkeren. De behoeftigheid van een echtgenoot moet een direct gevolg zijn van de echtscheiding. Een echtgenoot die ten opzichte van zijn huwelijkse periode minder te besteden heeft, maar nog steeds voor zichzelf kan zorgen, is niet behoeftig, zodat partneralimentatie uitblijft.
De rechtbank constateert dat de vrouw weliswaar stelt dat zij voldoet aan de criteria van artikel 175 TBW Pro, maar dat zij ter onderbouwing volstaat met de stelling dat haar inkomen aanzienlijk lager is dan dat van de man en dat de man draagkracht heeft om een bijdrage te voldoen. De rechtbank is van oordeel dat deze onderbouwing niet volstaat ten opzichte van voormeld wettelijk kader, de vrouw heeft niet aan haar stelplicht voldaan. Dat het inkomen van de vrouw lager is dan dat van de man betekent niet automatisch dat sprake is van behoeftige omstandigheden en dat zij (financieel) niet meer voor zichzelf kan zorgen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
3.6.
Voortgezet gebruik echtelijke woning
3.6.1.
De man verzoekt om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan hem toe te wijzen voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
3.6.2.
De vrouw voert geen verweer.
3.6.3.
De rechtbank zal het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.
3.7.
Afwikkeling huwelijksvermogen
3.7.1.
De vrouw verzoekt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen op de door haar voorgestelde wijze.
3.7.2.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen op de door hem voorgestelde wijze.
3.7.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man gesteld dat, in weerwil van de stelling van de vrouw, hij ten tijde van de huwelijkssluiting niet ook de Turkse maar uitsluitend de Nederlandse nationaliteit had. De man heeft zijn stelling ook nader onderbouwd bij brief van 13 februari 2026. Partijen zijn daarom in de gelegenheid gesteld zich nog uit te laten over het op het huwelijksvermogensregime van partijen toepasselijke recht.
De vrouw stelt dat dit op grond van artikel 4 lid 3 Haags Pro Huwelijksvermogensverdrag van 1978 (hierna: het Verdrag) het Nederlands recht is, zijnde het recht van de Staat waarmee het regime het nauwst verbonden is.
De man stelt dat op basis van voormeld artikel van het Verdrag het Turks recht van toepassing is, omdat het regime het nauwst verbonden is met Turkije.
Rechtsmacht
3.7.4.
Omdat de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening Pro huwelijksvermogensstelsels).
Toepasselijk recht
3.7.5.
Partijen hadden bij de sluiting van het huwelijk geen gemeenschappelijke nationaliteit. Tussen partijen is niet in geschil dat zij bij de sluiting van het huwelijk geen rechtskeuze hebben gemaakt. Ook is niet in geschil dat zij na de sluiting van het huwelijk ieder hun gewone verblijfplaats hadden op het grondgebied van een andere Staat. Op grond van artikel 4 lid 3 van Pro het Haag huwelijksvermogensverdrag 1978 werd daarom hun huwelijksvermogensregime bij sluiting van het huwelijk beheerst door het interne recht van de Staat waarmee het, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het nauwst is verbonden. De rechtbank volgt de man niet in zijn nader ingenomen stelling dat partijen altijd het nauwst verbonden zijn gebleven met Turkije, ondanks dat zij in Nederland hebben gewoond. De rechtbank is van oordeel dat de nauwste verbondenheid bestaat met Nederland. Partijen zijn weliswaar getrouwd in Turkije maar de man had zijn Turkse nationaliteit al opgegeven. De man woonde voor het huwelijk al geruime tijd in Nederland in een koopwoning, hij is daar blijven wonen en de vrouw is binnen een jaar na de huwelijksdatum, bij de man in Nederland komen wonen. Sindsdien hebben partijen altijd in Nederland gewoond en hier hun leven opgebouwd. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat partijen hun leven na hun huwelijk zagen in Nederland, niet in Turkije. Dat partijen volgens de man persoonlijk nog altijd het nauwst verbonden waren met Turkije, terwijl de man zijn nationaliteit had opgegeven, is door de man verder niet onderbouwd. Dat partijen de Nederlandse taal nog altijd niet goed of voldoende machtig zijn doet daar naar het oordeel van de rechtbank ook niet aan af. Partijen hebben meer dan 20 jaar hier hun leven geleefd. Uit het voorgaande volgt dat sinds de huwelijksdatum sprake is van een algehele gemeenschap van goederen.
3.7.6.
Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef Pro en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 29 oktober 2024.
Overeenstemming
3.7.7.
Partijen hebben over de volgende onderdelen van de gemeenschap overeenstemming bereikt. De rechtbank zal deze overeenstemming opnemen in deze beschikking.
Inboedel
3.7.8.
De inboedel wordt aan ieder bij helfte toegedeeld, in overleg overeen te komen. Partijen twisten over de vraag of deze verdeling al heeft plaatsgevonden maar dat is iets wat niet ter beoordeling aan de rechtbank voorligt.
Bankrekeningen
3.7.9.
De saldi op de peildatum op de bij partijen genoegzaam bekende bankrekeningen worden aan ieder bij helfte toegedeeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man gesteld dat hij op verzoek van de vrouw en na de peildatum gelden van zijn rekening heeft overgemaakt naar de spaarrekeningen van de minderjarigen. De vrouw heeft dit erkend en heeft toegezegd dat zij bij de verdeling van de saldi op deze bedragen geen aanspraak zal maken.
Schulden
3.7.10.
Ieder is draagplichtig voor de helft van de schulden van de gemeenschap op de peildatum.
In geschil
3.7.11.
Partijen hebben geen (volledige) overeenstemming over de verdeling van de volgende bestanddelen van de huwelijksgemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW Pro.
3.7.12.
Voor zover de gelaste wijze van verdeling inhoudt dat het betreffende goed aan de andere partij wordt toegedeeld, moet voor de overgang van dat goed nog een leveringshandeling door partijen worden verricht op dezelfde manier als voor overdracht is voorgeschreven (artikel 3:186 lid 1 BW Pro). Bij een onroerende zaak vindt levering plaats door een daartoe bestemde notariële akte, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers (artikel 3:89 BW Pro).
Belastingschulden
3.7.13.
De man verzoekt te bepalen dat de schuld aan de Belastingdienst voor 2023
€ 13.467,- en voor 2024 € 14.553,- bedraagt.
De vrouw betwist het bestaan van belastingschulden op de peildatum.
De rechtbank interpreteert het verzoek aldus dat de man verzoekt om een verklaring voor recht ter zake deze vermeende schulden. Het verzoek zal bij gebrek aan belang worden afgewezen, omdat partijen het erover eens zijn dat ieder van hen draagplichtig is voor de helft van de op de peildatum bestaande schulden van de gemeenschap. Daaronder vallen ook eventuele belastingschulden.
3.7.14.
De man verzoekt voorts te bepalen dat de vrouw de belastingschuld waarvoor zij draagplichtig is uit de overwaarde van de woning dient te voldoen.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en stelt dat de man pas recht heeft op verrekening van haar deel van de schuld met de overwaarde, indien de man aantoont dat hij ook het (of een) deel van de schuld waarvoor de vrouw aansprakelijk is heeft afgelost.
De rechtbank zal het verzoek bij gebrek aan wettelijke grondslag (artikel 6:10 BW Pro) afwijzen, omdat gesteld noch gebleken is dat de man regres heeft op de vrouw in verband met deze schulden. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de vrouw ten opzichte van de schuldeiser hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden.
De echtelijke woning
3.7.15.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de woning op korte termijn wordt verkocht en dat de overwaarde bij helfte aan ieder van partijen wordt toegedeeld. Zij verzoekt de man te veroordelen om binnen een week na de beschikking mee te werken aan het verlenen van een verkoopopdracht aan een NVM-makelaar en al het overige dat nodig is voor verkoop van de woning. Voorts verzoekt zij daarbij te bepalen dat, indien de man zijn medewerking aan het verkoopproces weigert te verlenen, de beschikking in de plaats zal treden van zijn toestemming.
3.7.16.
De man voert verweer en verzoekt om de woning aan hem toe te delen, met toedeling van de helft van de overwaarde aan de vrouw. Hij verzoekt om hem een termijn van drie maanden vanaf datum beschikking te geven voor onderzoek naar de financieringsmogelijkheden. Indien hij de woning niet kan overnemen verzoekt hij het zogeheten “spoorboekje” op te leggen voor verkoop van de echtelijke woning.
3.7.17.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat de woning, indien mogelijk, kan worden toegedeeld aan de man en dat het spoorboekje zal worden opgenomen voor het geval de man de woning niet kan overnemen. De vrouw heeft echter verweer gevoerd tegen de door de man verzochte termijn van drie maanden voor financieringsonderzoek. Zij stelt dat de man al ruim de tijd heeft gehad voor dit onderzoek en dat hij al hypotheekoffertes had kunnen overleggen. De rechtbank volgt de vrouw niet omdat een hypotheekverstrekker doorgaans geen concrete offerte kan opmaken zonder een rechterlijke beslissing over de financiële gevolgen van de echtscheiding. Bovendien is gesteld noch gebleken dat de vrouw de man heeft verzocht haast te maken door de woning alvast te laten taxeren. Omdat een termijn van drie maanden voor financieringsonderzoek redelijk en gebruikelijk is zal de rechtbank deze termijn hanteren. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg tot een taxateur kunnen komen bij gebreke waarvan de taxateur gekozen wordt zoals hierna opgenomen ten aanzien van de makelaar.
Het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming zal worden afgewezen, omdat de man tijdens de mondelinge behandeling zijn volledige medewerking aan het proces heeft toegezegd en de vrouw niet heeft onderbouwd waarom de man zich daar niet aan zal houden.
3.7.18.
Het voorgaande betekent dat, indien binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van deze beschikking blijkt dat de man de woning niet kan overnemen, de echtelijke woning in het kader van de verdeling moet worden verkocht. De rechtbank bepaalt dat dit geschiedt op de volgende manier.
Binnen twee weken nadat bekend is dat overname niet mogelijk is selecteert de vrouw drie NVM-makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week uit die selectie de verkopende makelaar. Daarna verrichten partijen zo spoedig mogelijk de volgende handelingen:
  • invullen en ondertekenen van door de makelaar geleverde formulieren ten behoeve van de opdracht tot verkoop,
  • aanleveren van door de makelaar verzochte documenten;
  • betaling van hun deel van de aanbetaling aan de makelaar, binnen de gestelde betalingstermijn van de makelaar,
  • leveren van een set sleutels aan de makelaar, binnen de door de makelaar gestelde termijn,
  • meewerken aan het bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, binnen de door de makelaar gestelde termijn,
  • meewerken aan geplande bezichtigingen,
  • zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging,
  • alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en oplevering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen,
  • het tekenen van de koopovereenkomst,
  • het meewerken aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, waaronder het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn.
3.7.19.
Bij dit alles geldt nog het volgende:
  • voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft,
  • in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde,
  • partijen dragen de aan de verkoop verbonden kosten ieder bij helfte,
  • als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van een van partijen, voldoet de niet-meewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers,
  • met de verkoopopbrengst van de woning en de opbrengst van de polissen die zijn gekoppeld aan de hypothecaire lening wordt de hypothecaire lening afgelost. Als na aflossing een hypothecaire schuld resteert, dragen partijen deze gelijkelijk. Als na aflossing een overwaarde resteert, verdelen partijen deze gelijkelijk.
Perceel in Turkije
3.7.20.
De man stelt dat partijen in 2023 een perceel in Turkije hebben gekocht dat inmiddels op naam van de vrouw staat. Hij verzoekt te bepalen dat het perceel wordt toebedeeld aan de vrouw onder de verplichting dat zij € 3.000,- aan de man dient te voldoen.
De vrouw erkent dat partijen het perceel hebben aangekocht maar voert verweer tegen het verzoek. Zij stelt dat de man het perceel aan haar heeft geschonken, dat het daarom op haar naam staat en dat het perceel is aangekocht om (uiteindelijk) aan de kinderen van partijen te schenken. Daarom moet het perceel buiten de verdeling blijven, aldus de vrouw.
3.7.21.
De rechtbank overweegt dat het perceel tijdens het huwelijk door partijen is verworven zodat dit onderdeel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap. Dat het perceel is geschonken aan de vrouw is door de man betwist. Het had op de weg van de vrouw gelegen om haar stelling nader te onderbouwen, maar dat heeft zij niet gedaan. Dat het perceel bedoeld zou zijn voor de kinderen van partijen doet er niet aan af dat het perceel in de gemeenschap is gevallen. Dit betekent dat het perceel moet worden verdeeld. Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel dient te worden toegedeeld aan de vrouw zodat de rechtbank dienovereenkomstig zal beslissen. Tegen welke waarde deze toedeling dient te geschieden is in geschil. De man stelt de waarde op € 6.000,- en de vrouw op het aankoopbedrag van € 1.000,-. De vrouw stelt voor om het perceel te laten taxeren. De man maakt geen bezwaar, anders dan dat hij bij zijn standpunt omtrent de waarde blijft. De rechtbank is op basis van het gestelde niet in staat om de waarde vast te stellen, zodat de rechtbank taxatie van de waarde van het perceel noodzakelijk en redelijk acht. Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. Partijen zijn geen andere datum overeengekomen en gesteld noch gebleken is dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. Daarom dient taxatie te geschieden met als peildatum de datum van deze beschikking, omdat het perceel in deze beschikking aan de vrouw wordt toegedeeld. De rechtbank bepaalt dat taxatie geschiedt op de wijze zoals weergegeven in de rechtsoverweging 3.7.18. van deze beschikking, met dien verstande dat de man drie erkende Turkse taxateurs bekend in de regio selecteert en de vrouw één van die taxateurs aanwijst.
3.8.
Benadeling van de gemeenschap
3.8.1.
De man stelt dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de vrouw de gemeenschap heeft benadeeld. In het zicht van de echtscheiding heeft de vrouw spaargeld van haar privé-rekening opgenomen dat nu niet meer te traceren is. Hij verzoekt daarom primair te bepalen dat de vrouw € 25.247,- aan de man verbeurt en zij dit bedrag aan hem dient te betalen en subsidiair te bepalen dat de vrouw € 12.623,50 aan hem dient te betalen.
In aanvulling hierop verzoekt de man te bepalen dat de vrouw inzage moet geven in de bankafschriften van haar privérekening met nummer [rekeningnummer] met ingang van 23 april 2024.
3.8.2.
De vrouw heeft bij brief van 4 februari 2026 gemotiveerd verweer gevoerd. Zij betwist de gemeenschap te hebben benadeeld. De man heeft dit onvoldoende onderbouwd. De vrouw stelt dat partijen voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding al een tijd in onmin leefden. De man betaalde uitsluitend de hypotheeklasten en de vrouw draaide op voor alle overige (huishoudelijke) kosten. Daardoor heeft zij moeten interen op het spaargeld. De vrouw verzoekt om afwijzing van de verzoeken.
3.8.3.
De man betwist bij brief van 11 februari 2026 dat de vrouw heeft ingeteerd op spaargeld. Zij had tot haar verhuizing naar Turkije in augustus 2025 net als de man loon uit arbeid en beschikte voor de huishoudelijke kosten over beide inkomens. Van buitengewoon grote uitgaven is nimmer sprake geweest. De vrouw heeft niet onderbouwd waar zij het verdwenen geld aan heeft uitgegeven.
3.8.4.
Hoewel de vrouw door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling een termijn van een week is verleend om te reageren op de reactie van de man heeft de vrouw daar geen gebruik van gemaakt.
3.8.5.
De man voert als wettelijke grondslag voor zijn primair en subsidiair verzoek artikel 3:194 BW Pro aan. Dit artikel maakt onderdeel uit van het algemeen vermogensrecht en heeft betrekking op een bijzondere gemeenschap van goederen. Het betreft hier echter goederen die vóór de peildatum door de vrouw zouden zijn weggemaakt. Vóór de peildatum is sprake van een huwelijksgemeenschap, zodat de wettelijke grondslag gevonden moet worden in de bepalingen die betrekking hebben op de huwelijksgemeenschap in boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van artikel 1:164 lid 1 BW Pro is een echtgenoot, na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, gehouden de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden, als een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door deze echtgenoot is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 1:88 BW Pro zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht.
3.8.6.
De door de wet gebruikte terminologie l
ichtvaardigen
verspillen, veronderstelt dat er sprake moet zijn van opzettelijk benadelen of zonder enige redelijke grond verteren van gemeenschapsgoederen. De rechtbank overweegt dat de man, naar aanleiding van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet stelt dat de vrouw de gemeenschap opzettelijk heeft benadeeld. Bovendien blijkt uit de aangifte inkomstenbelasting 2023 van de man dat hij in paragraaf 3.2.1. (waarde van de bezittingen) het privé-rekeningnummer van de vrouw eindigend op 753 heeft vermeld met een saldo van € 25.247,- per 1-1-23. In zijn belastingaangifte van 2024 vermeldt hij dit rekeningnummer en saldo echter niet meer bij de waarde van de bezittingen per 1-1-24. Dit betekent dat volgens de stukken het door de man primair gevorderde bedrag en het daarvan afgeleide subsidiair gevorderde bedrag al per 1 januari 2024 geen onderdeel meer uitmaakten van de huwelijksgemeenschap. Omdat deze procedure op 29 oktober 2024 is aangevangen kan geen sprake zijn van benadeling in de zin van artikel 1:164 lid 1 BW Pro, omdat het spaargeld niet is verdwenen binnen zes maanden vóór 29 oktober 2024. De verzoeken van de man zullen daarom worden afgewezen.
3.9.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] te Karatay, Turkije;
4.2.
bepaalt dat de man, als hij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan [adres] te [plaats] , die aan de man uitsluitend of onder andere toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de vrouw bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking;
4.3.
neemt op in deze beschikking de onderlinge regeling die partijen ter zake de verdeling hebben getroffen zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.7.8. tot en met 3.7.10.;
4.4.
gelast de wijze van verdeling van de gemeenschap zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.7.11. tot en met 3.7.21.;
4.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
4.6.
wijst af het meer of anders verzochte;
4.7.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.W. Panhuizen, griffier, op 18 maart 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.