ECLI:NL:RBROT:2026:268

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/10/669583 / FA RK 23-8718
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van het gezamenlijk gezag over minderjarigen en omgangsregeling onder regie van de GI

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 8 januari 2026 een beschikking gegeven over het gezag en de omgangsregeling van twee minderjarigen, geboren in 2017 en 2019. De moeder, vertegenwoordigd door advocaat mr. V.T.E. Kuijpers, verzoekt om het gezag over de minderjarigen alleen aan haar toe te kennen, terwijl de vader, vertegenwoordigd door mr. F.O. Ligeon-Merton, verzoekt om gezamenlijk gezag. De rechtbank oordeelt dat het gezamenlijk gezag beëindigd moet worden, omdat de vader niet meewerkt aan de noodzakelijke hulpverlening voor de minderjarigen, wat hen in een kwetsbare positie plaatst. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vader sinds oktober 2023 geen contact heeft gehad met de minderjarigen en dat er signalen zijn van huiselijk geweld en controle door de vader. De rechtbank wijst het verzoek van de vader om een concrete omgangsregeling af en handhaaft de voorlopige regeling onder regie van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (GI). De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de hulpverlening voor de minderjarigen zo snel mogelijk kan starten. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/669583 / FA RK 23-8718
Beschikking van 8 januari 2026 over het gezag, de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht dan wel de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[naam moeder], hierna: de moeder,
wonende op een geheim adres,
advocaat mr. V.T.E. Kuijpers te Capelle aan den IJssel,
t e g e n
[naam vader], hierna: de vader,
wonende op een geheim adres,
advocaat mr. F.O. Ligeon-Merton te Capelle aan den IJssel.
Deze zaak gaat om de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] .
In deze zaak wordt als belanghebbende aangemerkt:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna: de GI, gevestigd te Rotterdam.

1.De verdere procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van 28 april 2025
.
1.2.
De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 11 december 2025, gelijktijdig met de mondelinge behandeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen (C/10/ 693750 / JE RK 25-228), waarop afzonderlijk is beslist.
Daarbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de advocaat van de vader;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] ,
  • een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] .
De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
De minderjarige [voornaam minderjarige 1] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2.De verdere vaststaande feiten

2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 28 april 2025 is – voor zover relevant – bepaald dat de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de minderjarigen voorlopig zal plaatsvinden onder begeleiding en regie van de GI, waar beide partijen zich aan moeten houden en waarbij als minimumzorgregeling geldt een aantal uur per maand en is de behandeling ten aanzien van de definitieve zorgregeling (of omgangsregeling) en het gezag pro forma aangehouden tot 1 oktober 2025.
2.2.
Bij beschikking van 11 december 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 31 maart 2026.

3.De verdere beoordeling

3.1.
Gezag
3.1.1.
De moeder verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarigen alleen aan haar toekomt.
3.1.2.
De vader voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek te bepalen dat het gezag over de minderjarigen alleen aan hem toekomt.
3.1.3.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
3.1.4.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
3.1.5.
De rechtbank zal beslissen dat de moeder voortaan alleen belangrijke beslissingen over de minderjarigen mag nemen. In de beschikking van 12 december 2024 is als vaststaand feit opgenomen: ‘
De man heeft in oktober 2023 de echtelijke woning van partijen verlaten. Sindsdien heeft de man geen contact met de minderjarigen.’Dit contact is tot op heden, ruim twee jaar later, niet hersteld. Daarin ziet de rechtbank een wijziging van omstandigheden.
3.1.6.
In de beschikking van 28 april 2025 staat: ‘
In genoemde mondelinge beslissing van 31 maart 2025 inzake de ondertoezichtstelling van de minderjarigen, is overwogen dat indien de man niet meewerkt aan wat voor de minderjarigen aan hulpverlening nodig is, zal worden overwogen om het verzoek van de vrouw in deze procedure om het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar alleen te belasten met het gezag over de minderjarigen, toe te wijzen. Dit omdat de man hulpverlening voor de minderjarigen belemmert door hulpverleners te verbieden gesprekken met hen alleen te voeren en dat bij toekenning van het eenhoofdig gezag aan de vrouw de voor de minderjarigen benodigde hulpverlening alsnog van de grond kan komen. Ook zijn uit het onderzoek van de raad signalen van dwingende controle/intiem terreur door de man naar de vrouw toe, gebleken, te weten huiselijk geweld tijdens het huwelijk en stalking na het einde van het huwelijk. De raad adviseert in dit verband om met betrekking tot de hulpverlening, voorlopig niet in te zetten op verbetering van de communicatie tussen partijen, maar om hen eerst een individueel hulptraject aan te bieden en om toe te werken naar veiligheid en verwerking van traumagerelateerde klachten.’De rechtbank heeft daarmee aan de vader een laatste kans gegeven om mee te werken aan het opstarten van de benodigde hulpverlening voor de minderjarigen en zo te laten zien dat hij in staat is samen met de moeder het ouderlijk gezag uit te oefenen. De vader heeft nog altijd niet meegewerkt aan hulpverlening voor de minderjarigen. De toezegging van de advocaat van de vader tijdens de mondelinge behandeling om nogmaals daarover met vader in gesprek te gaan, komt te laat. Het niet meewerken van de vader betekent dat de minderjarigen niet de hulp krijgen die zij nodig hebben en die de moeder wil inzetten. Daarmee zitten de minderjarigen klem tussen hun ouders. De rechtbank heeft er, gelet op de ondertoezichtstelling én de duidelijke winstwaarschuwing aan de vader in de laatste beschikking, geen vertrouwen in dat hierin op korte termijn nog verbetering valt te verwachten. Daarnaast is de vader, naast de informatie die hij van de moeder krijgt, niet op de hoogte van wat er speelt in het leven van de minderjarigen. Dat maakt dat de vader niet weet welke beslissingen in hun belang zijn.
3.2.
Omgangsregeling
3.2.1.
Omdat het gezag van de vader wordt beëindigd zal de rechtbank hierna niet spreken over een zorgregeling, maar over een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling).
3.2.2.
De vader verzoekt bij zelfstandig verzoek een concrete omgangsregeling vast te stellen.
3.2.3.
De moeder voert gemotiveerd verweer.
3.2.4.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd als:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
3.2.5.
De rechtbank wijst het verzoek van de vader af onder handhaving van de voorlopige regeling zoals eerder bepaald als definitieve regeling zolang de ondertoezichtstelling van kracht is. Ondanks de betrokkenheid van het Rotterdams Omgangshuis en de GI is het contact tussen de vader en de minderjarigen nog altijd niet (blijvend) hersteld. Beide partijen zien het belang van het contact althans de vader neemt dat standpunt in. De vader handhaaft zijn verzoek om een reguliere omgangsregeling vast te stellen, terwijl volgens de moeder een reguliere regeling op dit moment niet mogelijk is. De raad en de GI geven aan dat het op dit moment niet mogelijk is om een omgangsregeling vast te leggen. In het kader van de ondertoezichtstelling wordt een laatste poging gedaan om het contact te herstellen onder regie van de GI. De rechtbank is van oordeel dat het aan de vader is om te laten zien dat hij daadwerkelijk wil dat het contact met de minderjarigen wordt hersteld en zich volledig in te zetten om de samenwerking met de GI alsnog tot een succes te maken. Eerder is de samenwerking niet tot stand gekomen door een conflict tussen de vader en de jeugdbeschermer. Over dat conflict hebben de vader en de GI verklaringen afgelegd die lijnrecht tegenover elkaar staan. Door dat conflict is er geen contactherstel geweest én geen hulpverlening voor de minderjarigen. Ook op dit punt is er dus sprake van een laatste kans voor de vader. Want als de ondertoezichtstelling eindigt, zal er in de praktijk geen uitvoering gegeven kunnen worden aan de regeling onder regie van de GI.
3.3.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.3.1.
De rechtbank zal deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beschikking zal gelden ook wanneer één van de partijen daartegen hoger beroep zou instellen (hoger beroep schort de tenuitvoerlegging van de beschikking niet op). De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen dat er nu eindelijk hulpverlening gestart kan worden, ook als een van partijen in hoger beroep zou gaan. Het belang van de minderjarigen om op korte termijn hulp te krijgen bij alles wat zij de afgelopen jaren hebben meegemaakt, weegt zwaarder dan het belang van een van partijen om de beslissing van de rechtbank te toetsen in hoger beroep.
3.4.
Proceskosten
3.4.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] voortaan alleen aan de moeder toekomt;
4.2.
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
4.3.
stelt vast, zolang de minderjarigen onder toezicht zijn gesteld, dat de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht tussen de vader en de minderjarigen zal plaatsvinden onder begeleiding en regie van de GI, waar beide partijen zich aan moeten houden en waarbij als minimumzorgregeling geldt een aantal uur per maand;
4.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.P. van Driel, griffier, op 8 januari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.