Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2705

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
11892144 HA VERZ 25-75
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 BWArt. 7:629a BWArt. 7:673 lid 1 BWArt. 7:673 lid 7 BWArt. 7:686a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkgever moet loon en transitievergoeding betalen na ongeldig ontslag op staande voet

De werknemer was sinds 1 januari 2025 in dienst bij de werkgever als medewerker binnen- en buitendienst. De werkgever stelde dat zij de werknemer op 12 juni 2025 op staande voet had ontslagen met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2025, waardoor zij geen loon meer verschuldigd zou zijn over juni. De werknemer betwistte het ontslag en stelde dat hij geen loon had ontvangen over juni 2025.

De kantonrechter oordeelde dat een ontslag op staande voet niet met terugwerkende kracht kan worden gegeven en dat niet is komen vast te staan dat de werknemer de ontslagbrief heeft ontvangen. Hierdoor is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig en bleef de arbeidsovereenkomst doorlopen tot 30 juni 2025.

De werknemer had zich ziek gemeld en medische stukken ondersteunden zijn ziekmelding. De werkgever had geen bedrijfsarts ingeschakeld en kon daarom niet eisen dat de werknemer een deskundigenverklaring overlegt. De werkgever moet het loon inclusief vakantiegeld en wettelijke rente betalen. De wettelijke verhoging werd gematigd tot nihil vanwege de omstandigheden.

Daarnaast moet de werkgever een correcte eindafrekening verstrekken binnen veertien dagen, met een dwangsom bij te late betaling. De werknemer heeft recht op een transitievergoeding van €176,00 met wettelijke rente. De werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De werkgever is veroordeeld tot betaling van loon, transitievergoeding, wettelijke rente en het verstrekken van een eindafrekening na ongeldig ontslag op staande voet.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 11892144 HA VERZ 25-75
datum uitspraak: 16 maart 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoeker],
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. S. van Buuren,
tegen
[naam] B.V.,
vestigingsplaats: Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard,
verweerster,
vertegenwoordigd door: de heer C.P. Pannekoek.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van [verzoeker] (op de rechtbank ontvangen op 24 september 2025), met bijlagen;
  • het verweerschrift van [naam] , met bijlagen;
  • de nadere bijlagen 6 en 7 van [verzoeker] .
1.2.
Op 16 februari 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met [verzoeker] en zijn gemachtigde besproken. Namens [naam] was niemand aanwezig. [naam] heeft wel schriftelijk gereageerd en in die reactie ook aangegeven dat er niemand namens haar aanwezig zou zijn tijdens de zitting. Het verzoekschrift en de brief van de rechtbank met de datum van de zitting zijn op 18 december 2025 door de deurwaarder aan [naam] betekend.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[verzoeker] werkte sinds 1 januari 2025 bij [naam] als medewerker binnen- en buitendienst. Volgens [verzoeker] is de arbeidsovereenkomst per 30 juni 2025 geëindigd, maar heeft hij geen loon ontvangen over de periode 1 juni tot en met 30 juni. Hij eist nu dat [naam] dat alsnog betaalt, evenals het vakantiegeld, met wettelijke verhoging en wettelijke rente. Ook wil [verzoeker] dat [naam] de transitievergoeding betaalt (met rente) en een eindafrekening (op straffe van een dwangsom) aan hem verstrekt. [naam] stelt zich op het standpunt dat zij [verzoeker] op 12 juni 2025 op staande voet heeft ontslagen met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2025 en aan hem daarom geen loon meer is verschuldigd. De kantonrechter oordeelt dat dit ‘ontslag’ niet rechtsgeldig is gegeven. Daarom is de arbeidsovereenkomst pas geëindigd per 30 juni 2025. [naam] moet tot die datum loon (inclusief vakantiegeld en rente) aan [verzoeker] betalen en door het eindigen van de arbeidsovereenkomst ook de transitievergoeding, alsmede een deugdelijke eindafrekening verstrekken. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.
Einde arbeidsovereenkomst per 30 juni 2025
2.2.
[naam] stelt dat zij op 12 juni 2025 een brief aan [verzoeker] heeft gestuurd waarin zij hem op staande voet ontslaat ‘met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2025.’ Niet alleen kan een ontslag op staande voet niet met terugwerkende kracht worden gegeven, ook betwist [verzoeker] dat hij deze brief heeft ontvangen, hoewel hij normaal gesproken wel post ontvangt op zijn huisadres. [verzoeker] voert aan dat hij tot het moment dat hij het verweerschrift in deze procedure ontving überhaupt niets wist van een ontslag op staande voet. [verzoeker] stelt dat hij vanaf zijn ziekmelding (op 28 mei per 30 mei 2025) helemaal niets meer heeft gehoord van [naam] . Ook niet in reactie op e-mails die hij in de maand juni 2025 aan [naam] heeft gestuurd.
[naam] noemt de ontslagbrief in zijn schriftelijke verweerschrift een ‘concept’ brief. Niet duidelijk is of zij dit ‘concept’ ook heeft verstuurd. Omdat er niemand namens [naam] is verschenen tijdens de zitting, heeft [naam] hierover geen nadere informatie kunnen geven. Daarom kan niet worden vastgesteld dat [verzoeker] deze ontslagbrief heeft ontvangen. Er is dus geen geldig ontslag op staande voet gegeven.
[naam] moet het loon doorbetalen
2.3.
Doordat het ontslag op staande voet niet geldig is, is de arbeidsovereenkomst blijven bestaan tot 30 juni 2025. [naam] moet daarom het overeengekomen loon doorbetalen vanaf 1 juni tot die einddatum. [verzoeker] heeft in deze periode weliswaar niet meer gewerkt, maar hij was ziek, althans had zich ziek gemeld. Daarom heeft [verzoeker] gewoon recht op loon (artikel 7:629 BW Pro). De ziekmelding van [verzoeker] wordt ondersteund door medische stukken waaruit blijkt dat [verzoeker] op 2 en 10 juni 2025 een afspraak bij de orthopeed had voor problemen met zijn enkel/voet en op 11 juni ook nog een telefonische afspraak. Er is geen informatie beschikbaar van een bedrijfsarts die de ziekmelding tegenspreekt, [naam] heeft kennelijk geen bedrijfsarts ingeschakeld. [verzoeker] betwist dat hij de ‘concept’ brieven van 6 juni en 12 juni (ontslagbrief) 2025 van [naam] heeft ontvangen. Dat betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat [verzoeker] niet eerder dan in deze procedure wist van deze brieven. Voor zover de inhoud daarvan zo moet worden uitgelegd dat [naam] de ziekte van [verzoeker] betwist, levert dat in dit geval gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden geen verplichting voor [verzoeker] op om (alsnog) een deskundigenverklaring van het UWV over te leggen (artikel 7:629a BW), omdat dit in redelijkheid niet van [verzoeker] kan worden gevraagd. Omdat [naam] het loon niet op tijd heeft betaald, moet zij wettelijke rente over het loon betalen vanaf de eerste dag na de maand die zij niet op tijd heeft betaald. [1]
[naam] hoeft geen wettelijke verhoging te betalen
2.4.
Omdat [naam] het loon niet op tijd heeft betaald, moet zij in beginsel de wettelijke verhoging betalen. [2] Zij was echter kennelijk in de veronderstelling dat zij [verzoeker] op staande voet had ontslagen en dat [verzoeker] daarmee instemde. In de omstandigheden, het verloop van de (al dan niet aangekomen) berichten en de interactie tussen partijen ziet de kantonrechter aanleiding om de verhoging te matigen tot nihil.
[naam] moet een eindafrekening verstrekken
2.5.
[naam] is verplicht om voor ieder maandloon een salarisspecificatie aan [verzoeker] te geven. [3] [naam] heeft niet betwist dat zij geen loonstrook voor de maand juni 2025 en dus geen correcte eindafrekening heeft verstrekt. Zij wordt veroordeeld om dat wel te doen. Zij krijgt daarvoor een termijn van veertien dagen na deze uitspraak. Voor iedere dag dat [naam] hiermee te laat is, moet zij € 100,00 aan [verzoeker] betalen, met een maximum van € 1.000,00.
[naam] moet een transitievergoeding betalen
2.6.
[verzoeker] heeft recht op een transitievergoeding omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en het eindigen van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] (artikel 7:673 lid 1 en Pro lid 7 BW).
De hoogte van het gevorderde bedrag van € 176,00 is niet betwist en wordt toegewezen. Dit bedrag moet [naam] betalen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a BW).
[naam] moet de proceskosten betalen
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van [naam] , omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [naam] aan [verzoeker] moet betalen op € 90,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dit is totaal € 811,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend.
Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.8.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [verzoeker] dat heeft gevraagd en [naam] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 288 Rv Pro). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [naam] om aan [verzoeker] te betalen het loon over de maand juni 2025, met vakantiegeld en overige emolumenten, vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 juli 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [naam] om aan [verzoeker] de transitievergoeding van € 176,00 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [naam] om binnen veertien dagen na de datum van deze uitspraak aan [verzoeker] een eindafrekening te verstrekken en bepaalt dat [naam] voor iedere dag dat zij hiermee te laat is € 100,00 aan [verzoeker] moet betalen, met een maximum van € 1.000,00;
3.4.
veroordeelt [naam] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoeker] worden begroot op € 811,00;
3.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. W.P.M. Jurgens en in het openbaar uitgesproken.
703

Voetnoten

1.De rente is namelijk verschuldigd vanaf het moment van verzuim volgens artikel 6:119 BW Pro
2.Zoals staat in artikel 7:625 van Pro het Burgerlijk Wetboek
3.Dat staat in artikel 7:626 van Pro het Burgerlijk Wetboek