Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2714

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/10/713172 / JE RK 26-59
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 4.1.1 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2009. De minderjarige verblijft officieel bij zijn moeder, maar is voornamelijk bij zijn vader. De ondertoezichtstelling was reeds verlengd tot 5 maart 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot die datum, maar van deze machtiging was nog geen gebruik gemaakt.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd door een instabiele opvoedsituatie, kenmerken van ADHD, ODD en een autismespectrumstoornis, en problemen met emotie- en gedragsregulatie. Na een periode van verblijf bij een jeugdhulpaanbieder zijn er incidenten geweest waardoor de minderjarige niet langer welkom is bij die instelling. Er is nog geen passende vervolgplek gevonden ondanks intensieve zoektocht.

De moeder en de gecertificeerde instelling zijn het erover eens dat verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van de minderjarige is. De kinderrechter oordeelt dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is en verlengt de ondertoezichtstelling tot 5 maart 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 5 juni 2026. Tevens wordt de gemeente Rotterdam opgeroepen om te verschijnen en toe te lichten waarom geen passende plek is gevonden. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en er is een vervolgzitting gepland.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging en het ontbreken van een passende hulpverleningsplek.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/713172 / JE RK 26-59
Datum uitspraak: 26 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A.C. van ’t Hek, kantoorhoudende in Dordrecht.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 7 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder en haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [persoon A] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft officieel bij de moeder, maar is voornamelijk bij zijn vader, [naam vader] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 februari 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 5 maart 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 december 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 1 december 2025 tot 5 maart 2025 (de kinderrechter begrijpt: 5 maart
2026). Van deze machtiging is tot op heden geen gebruik gemaakt.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 december 2025 het verzoek van de GI afgewezen om een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] te verlenen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 5 maart 2026.

3.Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
Medio december 2025 is sprake geweest van een incident waardoor Horizon (iHub) heeft aangegeven dat [voornaam minderjarige] niet meer welkom is. Ook hebben recent wat kleine incidenten op straat plaatsgevonden. Deze hebben echter niets te maken gehad met de dreiging rond [voornaam minderjarige] . De zoektocht naar een passende vervolgplek is complex. Door iHub is een beeld van [voornaam minderjarige] geschetst waardoor de dreiging ten onrechte op de voorgrond staat. [voornaam minderjarige] heeft vanwege zijn problematiek professionele sturing en begeleiding nodig. In de afgelopen periode zijn 84 partijen benaderd, maar er is geen passende plek voor [voornaam minderjarige] gevonden. De GI is nog steeds met de gemeente op zoek naar andere partijen.
4.2.
Namens de moeder is ter zitting aangevoerd dat het in het belang van [voornaam minderjarige] is om de ondertoezichtstelling te verlengen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen zodat de jeugdbescherming bij [voornaam minderjarige] betrokken blijft. Er behoort snel een passende plek voor hem gevonden te worden.
4.3.
De moeder heeft ter zitting verklaard dat [voornaam minderjarige] rustiger is geworden en dat hij met name bij zijn vader is, waar regels gelden. De moeder vindt het belangrijk dat er nu snel een passende plek binnen de regio voor haar zoon wordt gevonden.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] nog steeds ernstig wordt bedreigd. [voornaam minderjarige] is opgegroeid in een instabiele opvoedsituatie. Zo heeft hij meerdere woonplekken gehad waardoor hij zich onvoldoende heeft kunnen hechten aan belangrijke gehechtheidsfiguren. Er zijn bij [voornaam minderjarige] kenmerken zichtbaar die passen bij ADHD en ODD. [voornaam minderjarige] is snel overprikkeld. Ook laat [voornaam minderjarige] kenmerken zien van een autismespectrumstoornis. [voornaam minderjarige] heeft moeite met het reguleren van zijn emoties en gedrag en om over zijn gevoelens te praten. [voornaam minderjarige] weet niet altijd hoe hij zich op een passende wijze kan uiten.
5.3.
Na een lang verblijf op de groep MyPlace bij iHub is [voornaam minderjarige] op 1 september 2025 bij de Studio’s geplaatst. Drie maanden lang ging het daar goed met hem. In een korte periode hebben echter een aantal incidenten plaatsgevonden, waarbij [voornaam minderjarige] meermalen met politie en justitie in aanraking is gekomen. Horizon heeft toen besloten dat het verblijf van [voornaam minderjarige] per direct moest worden beëindigd. Hierdoor was er geen passende plek meer voor hem en is hij met veiligheidsafspraken bij zijn moeder gaan verblijven. Inmiddels verblijft hij ook veel bij zijn vader, maar dit is een tijdelijke situatie. Er dient zo snel mogelijk een passende plek voor hem gevonden te worden met passende begeleiding waar hij langere tijd kan blijven.
5.4.
Gelet op al het voorgaande kan de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De moeder is immers niet in staat om de bedreigde ontwikkeling van [voornaam minderjarige] zelfstandig af te wenden; daarvoor is de situatie veel te complex. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.5.
Horizon heeft aangegeven dat er binnen de open jeugdzorg geen opties zijn in de zoektocht naar een plek voor [voornaam minderjarige] en heeft de opdracht volgens de GI bij de gemeente Rotterdam teruggelegd. Tot op heden is er echter geen passende vervolgplek voor [voornaam minderjarige] gevonden, zoals door de GI ter zitting is toegelicht. De ouders vangen deze complexe situatie nu al een paar maanden op. Momenteel lijkt de situatie rustig te zijn. De ouders en [voornaam minderjarige] verdienen daarvoor een compliment. [voornaam minderjarige] krijgt echter niet de voor hem passende hulp en begeleiding en hij heeft geen passende dagbesteding.
5.6.
Op grond van art. 4.1.1. van de Jeugdwet dient de GI verantwoorde hulp aan [voornaam minderjarige] te verlenen, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is en die is afgestemd op de reële behoefte van [voornaam minderjarige] . Op grond van de Jeugdwet is het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente er verantwoordelijk voor dat [voornaam minderjarige] , via de GI, de jeugdhulp krijgt die hij nodig heeft. Gelet op al het voorgaande acht de kinderrechter zich dan ook onvoldoende ingelicht over de vraag waarom de gemeente niet in staat is een passende plek voor [voornaam minderjarige] te (laten) realiseren. De kinderrechter zal dan ook de gemeente Rotterdam gelasten tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip ter zitting te verschijnen om een nadere toelichting te geven. De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] zal worden beperkt tot drie maanden en het verzoek zal voor het overige worden aangehouden tot de hierna vermelde zittingsdatum.
5.7.
De GI wordt verzocht uiterlijk een week voor de hierna vermelde zittingsdatum de kinderrechter te informeren in een briefrapportage over de stand van zaken op dat moment en een afschrift daarvan te sturen aan de belanghebbende en de advocaat.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 5 maart 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 juni 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
En alvorens verder te beslissen:
6.4.
Bepaalt dat het verhoor van de GI, de belanghebbende en de advocaat in deze zaak zal plaatsvinden op
20 mei 2026 om 9:30 uurin het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125.
6.5.
De zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter.
6.6.
Bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de belanghebbende en de advocaat.
6.7.
Verzoekt de GI uiterlijk een week voor de genoemde zittingsdatum de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen, met afschrift aan de belanghebbende en de advocaat.
6.8.
Gelast de oproeping van de gemeente Rotterdam tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip.
6.9.
Gelast de oproeping van [voornaam minderjarige] tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026 door
mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 17 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.