ECLI:NL:RBROT:2026:276

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
10-193559-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor het bezit van 10 kilo cocaïne

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het bezit van ongeveer 10 kilo cocaïne. De verdachte, geboren in 1983, werd op 12 juni 2024 in Rotterdam aangehouden. De officier van justitie beschuldigde hem ervan opzettelijk cocaïne in zijn bezit te hebben gehad, wat in strijd is met de Opiumwet. Tijdens de zitting op 31 december 2025 pleitte de verdediging voor vrijspraak, maar de rechtbank oordeelde dat er voldoende bewijs was om de verdachte schuldig te verklaren. De rechtbank baseerde haar oordeel op getuigenverklaringen en het bewijs dat de verdachte in paniek een tas met cocaïne uit zijn woning had gegooid toen de politie aan de deur kwam. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn medische toestand en het feit dat hij een first offender was. De rechtbank oordeelde dat de ernst van het feit en de bijdrage aan het criminele drugscircuit een aanzienlijke straf rechtvaardigden. De voorlopige hechtenis van de verdachte werd geschorst, en hij moet zich houden aan de voorwaarden die zijn opgelegd door de reclassering.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-193559-24
Datum uitspraak: 14 januari 2026
Datum zitting: 31 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. H. Raza
Officier van justitie: mr. H.H. Balk

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat – ongeveer tien kilo cocaïne in zijn bezit heeft gehad.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 12 juni 2024 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10.000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd wordt bewezen verklaard.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit.
Het standpunt van de verdediging wordt bij de beoordeling van het bewijs besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte op 12 juni 2024 in Rotterdam ongeveer 10 kilo cocaïne aanwezig heeft gehad.
De volledige bewezenverklaring luidt dat:
hij op 12 juni 2024 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 10.000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande nadere bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte [2]
Op 12 juni 2025 woonde ik samen met mijn vrouw [persoon A] en onze kinderen in de woning aan de [adres 2] te Rotterdam.
2.
Proces-verbaal van bevindingen van de politie [3] Op 12 juni 2025 gingen wij naar de woning aan de [adres 2] in Rotterdam. Dit is een portiekwoning op de tweede etage. Wij klopten aan en hoorden van binnenuit de woning een vrouwenstem en een mannenstem. Wij hoorden dat de mannenstem zei: "Hallo?". Wij maakten ons hierop kenbaar als politie. Wij hoorden dat de mannenstem zei: "Oh, fuck". Wij zagen dat na enkele seconden de voordeur voor ons werd geopend door mevrouw [persoon A] .
Ik liep de woning in en zag geen man. Ik zag dat de deur van het inpandige balkon open stond en dat mevrouw [persoon A] naar beneden keek en schreeuwde. Ik keek naar beneden en zag een man tussen twee geparkeerde auto’s op de weg liggen en begreep dat dit de man van [persoon A] was die naar beneden gesprongen was.
De dochter vertelde: “Ik hoorde dat de bel ging. Ik zag dat papa in paniek raakte en een tas met fruit achter de bank vandaan pakte en vervolgens uit het raam naar beneden sprong. Toen zag ik de politie binnen komen”
3.
Proces-verbaal van bevindingen van de politie [4]
Op 12 juni 2024 zag ik op de [naam locatie] in Rotterdam een man op de grond liggen tussen twee personenauto’s, waaronder een witte Volkswagen. Ik zag dat deze man dicht bij het raam van de woning [adres 2] lag. De man bleek te zijn genaamd [verdachte] .
Ik trof op het trottoir van de [naam locatie] , naast de witte Volkswagen, een Lidl boodschappentas aan. Ik opende de tas en zag dat er tien pakketten in zaten.
4.
Proces-verbaal van bevindingen van de politie [5]
Naar aanleiding van de aanhouding van de verdachte [verdachte] werden vermoedelijk verdovende middelen inbeslaggenomen en onderzocht..
Uit dit onderzoek bleek het volgende:
Korte omschrijving: 10 blokken wit materiaal
SIN goed: [SIN-nummer]
Netto gewicht: 10000 gram
5.
Deskundigenverslag [6] Onderzoeksmateriaal: [SIN-nummer]
Omschrijving: Blokken, wit 10000 gram
Aantal bemonsteringen in onderzoek: tien
Conclusie: bevat cocaïne.
2.3.2.
Verweren/ Nadere bewijsmotivering
Standpunt verdediging
De verdediging heeft het volgende aangevoerd.
Op straat is niet één, maar zijn twee tassen aangetroffen, een Lidl tas en een AH tas. Er is geen bewijs dat de tas met cocaïne die op straat is aangetroffen uit de woning van de verdachte afkomstig is. Er is ook geen DNA-bewijs, geen buurtonderzoek geweest en er zijn geen camerabeelden en de tassen kunnen al op straat hebben gelegen voordat de verdachte daar terecht kwam.
Niet bewezen kan daarom worden dat de verdachte beschikkingsmacht heeft gehad over de tas met cocaïne en wist dat daarin cocaïne zat.
De verklaring van de dochter van de verdachte kan niet worden gebruikt voor het bewijs. Die verklaring is afgelegd op het moment dat zij erg overstuur was waardoor de betrouwbaarheid in het geding is en zij ook niet is gewezen op haar verschoningsrecht.
Ook heeft zij pas in het tweede gesprek dat door de politie met haar is gevoerd, gezegd dat er sprake was van een tas “met fruit”, in het eerste gesprek noemt zij alleen een tas. Ook dit maakt haar verklaring onbetrouwbaar.
Oordeel van de rechtbank
Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat op het moment dat de verbalisant in de woning aanwezig was de in bewijsmiddel 2 bedoelde minderjarige dochter van de verdachte, een meisje van 7 jaar oud, tot twee keer toe uit zichzelf tegen de verbalisant vertelde dat zij hoorde dat de bel ging, dat pappa in paniek raakte en een tas achter de bank vandaan pakte en vervolgens uit het raam naar beneden sprong en dat zij vervolgens de politie binnen zag komen. Dit waren dus spontane mededelingen van de dochter. Zij heeft dit niet geantwoord op vragen van de verbalisant. Er was dus geen sprake van een verhoorsituatie. Bovendien bestaat er, zo er sprake zou zijn geweest van een verhoor, geen verplichting voor de politie om een getuige te wijzen op een verschoningsrecht. Dat de minderjarige dochter van de verdachte in eerste instantie heeft gesproken over een tas en daarna over een tas met fruit, maakt haar verklaring niet inconsequent of onbetrouwbaar.
Het verweer dat haar verklaring niet voor het bewijs mag worden gebruikt wordt daarom verworpen.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte “oh Fuck” zegt op het moment dat de politie in de ochtend van 12 juni 2025 had kenbaar gemaakt dat zij voor de deur van zijn woning stonden waar hij met zijn gezin woont. Uit deze woorden wordt afgeleid dat de verdachte schrok van de komst van de politie. Vrijwel onmiddellijk daarna pakt de verdachte van achter de bank in de woonkamer een tas en ontvlucht de woning uit door van twee hoog naar beneden te springen. Er wordt vanuit gegaan dat hij dit deed omdat hij in paniek was, zoals zijn dochter ook zegt, en niet wilde dat de politie er achter zou komen dat er een tas met cocaïne in de woning stond.
Gelet op deze feiten en omstandigheden wordt bewezen geacht dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne in de tas en daar ook beschikkingsmacht over had. Dat er nog een andere tas op straat is gevonden, de AH-tas, doet hieraan niet af.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met bijzondere voorwaarden.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De eis van de officier van justitie is te veel te hoog. Bepleit is om bij een bewezenverklaring de verdachte een veel lagere straf op te leggen, namelijk een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest met daarnaast een fors voorwaardelijk deel. De verdachte is first offender, het delict is van geruime tijd geleden en er zijn bijzondere omstandigheden zoals het feit dat de verdachte veel letsel heeft opgelopen en nog steeds niet is hersteld. Bovendien is hij naar aanleiding van deze zaak zijn woning kwijtgeraakt. Er is geen redelijk belang de verdachte nog langer in detentie te laten doorbrengen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft 10 pakketten met cocaïne met een totaal gewicht van 10 kilo in zijn woning aanwezig gehad. Dit is een ernstig feit. Hij heeft hiermee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Door de verspreiding en het gebruik van harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Bovendien leidt de handel in en het gebruik van harddrugs veelal tot vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit. De verdachte heeft hier indirect aan bijgedragen.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 9 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van de reclassering van 13 september 2024 staat dat leefgebieden van de verdachte als zorgelijk worden gezien. De verdachte heeft geen werk, hij heeft schulden en er zijn aanwijzingen voor een alcoholprobleem.
Omdat de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept kan er geen delictanalyse plaatsvinden en kan er geen inschatting van het recidiverisico worden gemaakt.
Mocht de verdachte worden veroordeeld, dan wordt een reclasseringstoezicht geadviseerd met bijzondere voorwaarden op het gebied van ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijk opvang, dagbesteding, schuldhulpverlening en middelencontrole.
Besproken ter terechtzitting
De verdachte is zwaargewond op straat aangetroffen, hij had over zijn lichaam meerdere botbreuken. Sindsdien is hij drie keer geopereerd en hij zal nog een operatie moeten ondergaan, hij heeft heel veel pijn. De woning is op last van de burgemeester gesloten en de verdachte en zijn gezin hadden enige tijd geen woning meer en hebben een nieuwe woning moeten zoeken.
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het feit is een gevangenisstraf van aanzienlijke duur noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend.
Bij het bepalen van de straf en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en ook met de LOVS oriëntatiepunten waaruit blijkt dat voor het bezit van 10 kilo cocaïne veelal een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van 28-30 maanden.
Weliswaar is de verdachte niet eerder veroordeeld voor Opiumwet feiten, maar kennelijk verkeert hij in kringen die grote hoeveelheden verdovende middelen met een hoge geldwaarde ter beschikking hebben en deze ook aan hem toevertrouwen.
Aan de andere kant wordt bij het bepalen van de straf ook rekening gehouden met de medische gevolgen die de verdachte door de sprong uit zijn woning nog steeds ondervindt en het feit dat zijn gezin hierdoor enige tijd geen woning heeft gehad.
Alles afwegende is een gevangenisstraf van 30 maanden passend. Om te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt, wordt 12 maanden van de gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd. De rechtbank verbindt aan deze voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd met uitzondering van de voorwaarde dat hij zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Die voorwaarde wordt niet nodig gevonden, omdat de verdachte en zijn gezin inmiddels al nieuwe huisvesting hebben.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5.In beslag genomen voorwerpen

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
Het inbeslaggenomen geldbedrag van € 646,- wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag geen standpunt ingenomen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft verklaard dat het inbeslaggenomen geld niet van hem is en dat hij niet weet wie de eigenaar ervan is.
De rechtbank zal daarom de bewaring van het in beslag genomen geldbedrag ten behoeve van de rechthebbende bevelen.

6.Voorlopige hechtenis

Het gerechtshof in Den Haag heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 26 juli 2024 geschorst tot de datum van de uitspraak door de rechtbank.
De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte bij de uitspraak op te heffen, dan wel opnieuw te schorsen.
Vandaag, 14 januari 2026, is de uitspraak door de rechtbank. De door het gerechtshof Den Haag bevolen schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte geldt dus tot vandaag.
De rechtbank moet op grond van de actuele situatie beoordelen of dit aflopen van de schorsing van de voorlopige hechtenis nog steeds noodzakelijk is of dat hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis is aangewezen. Daarbij moet een belangenafweging worden gemaakt tussen de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte.
De rechtbank veroordeelt de verdachte bij het vonnis van vandaag tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 12 manden voorwaardelijk.
Met dit veroordelend vonnis komt een groter gewicht toe aan de herhalingsgronden die aan het bevel voorlopige hechtenis ten grondslag liggen, namelijk het gevaar voor herhaling van een delict waarop 6 jaar of meer gevangenisstraf is gesteld en herhaling van een delict waardoor de gezondheid en veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht, gelet op het lucratieve karakter van Opiumwetdelicten als de onderhavige.
Aan de andere kant is de voorlopige hechtenis van de verdachte in verband met zijn persoonlijke (medische) omstandigheden inmiddels al geruime tijd geschorst. De verdachte heeft zich aan de schorsingsvoorwaarden gehouden. Hij heeft nog steeds veel medische klachten door de vele botbreuken die heeft opgelopen en moet binnenkort nog een operatie ondergaan. Door een en ander is het recidivegevaar, dat ten grondslag ligt aan de voorlopige hechtenis, al in voldoende mate beperkt.
In aanmerking genomen dat het uitgangspunt is dat de voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast, ziet de rechtbank gelet op het voorgaande aanleiding om het verzoek tot hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis toe te wijzen. De voorwaarden bij deze schorsing zijn hetzelfde als bij de op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf.
De voorwaarden bij deze schorsing zullen hetzelfde zijn als die bij de op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf. De verdachte heeft zich bereid verklaard tot nakoming van die voorwaarden.
Deze beslissing is opgenomen in een afzonderlijk bevel schorsing voorlopige hechtenis.

7.Wettelijke voorschriften

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

8.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van dertig (30) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
twaalf (12) maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden::
1. de verdachte meldt zich na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres [adres 3] te [plaats] . Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
2. de verdachte laat zich behandelen door de forensische polikliniek Fivoor te Rotterdam of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
3. de verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
4. de verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Hij geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
5. de verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol of drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
In beslag genomen voorwerpen
- beveelt de bewaring van een geldbedrag van € 646,- ten behoeve van de rechthebbende;
Voorlopige hechtenis
Schorst de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van vandaag. Het bevel is in een afzonderlijke beslissing vastgelegd.

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,
en mrs. M.J.C. Spoormaker en L. Eck Rasmussen, rechters,
in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 14 januari 2026.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier Mimosa, proces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 1] .
2.Verklaard tijdens de zitting van 31 december 2025.
3.Proces-verbaal nummer [nummer proces-verbaal 2] .
4.Proces-verbaal nummer [nummer proces-verbaal 3] .
5.Proces-verbaal nummer [nummer proces-verbaal 4] .
6.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 14 juni 2024, nummer [rapportnummer] (aanvraag 001).