2.3.1.Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte op 12 juni 2024 in Rotterdam ongeveer 10 kilo cocaïne aanwezig heeft gehad.
De volledige bewezenverklaring luidt dat:
hij op 12 juni 2024 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 10.000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande nadere bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte
Op 12 juni 2025 woonde ik samen met mijn vrouw [persoon A] en onze kinderen in de woning aan de [adres 2] te Rotterdam.
2.
Proces-verbaal van bevindingen van de politieOp 12 juni 2025 gingen wij naar de woning aan de [adres 2] in Rotterdam. Dit is een portiekwoning op de tweede etage. Wij klopten aan en hoorden van binnenuit de woning een vrouwenstem en een mannenstem. Wij hoorden dat de mannenstem zei: "Hallo?". Wij maakten ons hierop kenbaar als politie. Wij hoorden dat de mannenstem zei: "Oh, fuck". Wij zagen dat na enkele seconden de voordeur voor ons werd geopend door mevrouw [persoon A] .
Ik liep de woning in en zag geen man. Ik zag dat de deur van het inpandige balkon open stond en dat mevrouw [persoon A] naar beneden keek en schreeuwde. Ik keek naar beneden en zag een man tussen twee geparkeerde auto’s op de weg liggen en begreep dat dit de man van [persoon A] was die naar beneden gesprongen was.
De dochter vertelde: “Ik hoorde dat de bel ging. Ik zag dat papa in paniek raakte en een tas met fruit achter de bank vandaan pakte en vervolgens uit het raam naar beneden sprong. Toen zag ik de politie binnen komen”
3.
Proces-verbaal van bevindingen van de politie
Op 12 juni 2024 zag ik op de [naam locatie] in Rotterdam een man op de grond liggen tussen twee personenauto’s, waaronder een witte Volkswagen. Ik zag dat deze man dicht bij het raam van de woning [adres 2] lag. De man bleek te zijn genaamd [verdachte] .
Ik trof op het trottoir van de [naam locatie] , naast de witte Volkswagen, een Lidl boodschappentas aan. Ik opende de tas en zag dat er tien pakketten in zaten.
4.
Proces-verbaal van bevindingen van de politie
Naar aanleiding van de aanhouding van de verdachte [verdachte] werden vermoedelijk verdovende middelen inbeslaggenomen en onderzocht..
Uit dit onderzoek bleek het volgende:
Korte omschrijving: 10 blokken wit materiaal
SIN goed: [SIN-nummer]
Netto gewicht: 10000 gram
5.
DeskundigenverslagOnderzoeksmateriaal: [SIN-nummer]
Omschrijving: Blokken, wit 10000 gram
Aantal bemonsteringen in onderzoek: tien
Conclusie: bevat cocaïne.
2.3.2.Verweren/ Nadere bewijsmotivering
Standpunt verdediging
De verdediging heeft het volgende aangevoerd.
Op straat is niet één, maar zijn twee tassen aangetroffen, een Lidl tas en een AH tas. Er is geen bewijs dat de tas met cocaïne die op straat is aangetroffen uit de woning van de verdachte afkomstig is. Er is ook geen DNA-bewijs, geen buurtonderzoek geweest en er zijn geen camerabeelden en de tassen kunnen al op straat hebben gelegen voordat de verdachte daar terecht kwam.
Niet bewezen kan daarom worden dat de verdachte beschikkingsmacht heeft gehad over de tas met cocaïne en wist dat daarin cocaïne zat.
De verklaring van de dochter van de verdachte kan niet worden gebruikt voor het bewijs. Die verklaring is afgelegd op het moment dat zij erg overstuur was waardoor de betrouwbaarheid in het geding is en zij ook niet is gewezen op haar verschoningsrecht.
Ook heeft zij pas in het tweede gesprek dat door de politie met haar is gevoerd, gezegd dat er sprake was van een tas “met fruit”, in het eerste gesprek noemt zij alleen een tas. Ook dit maakt haar verklaring onbetrouwbaar.
Oordeel van de rechtbank
Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat op het moment dat de verbalisant in de woning aanwezig was de in bewijsmiddel 2 bedoelde minderjarige dochter van de verdachte, een meisje van 7 jaar oud, tot twee keer toe uit zichzelf tegen de verbalisant vertelde dat zij hoorde dat de bel ging, dat pappa in paniek raakte en een tas achter de bank vandaan pakte en vervolgens uit het raam naar beneden sprong en dat zij vervolgens de politie binnen zag komen. Dit waren dus spontane mededelingen van de dochter. Zij heeft dit niet geantwoord op vragen van de verbalisant. Er was dus geen sprake van een verhoorsituatie. Bovendien bestaat er, zo er sprake zou zijn geweest van een verhoor, geen verplichting voor de politie om een getuige te wijzen op een verschoningsrecht. Dat de minderjarige dochter van de verdachte in eerste instantie heeft gesproken over een tas en daarna over een tas met fruit, maakt haar verklaring niet inconsequent of onbetrouwbaar.
Het verweer dat haar verklaring niet voor het bewijs mag worden gebruikt wordt daarom verworpen.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte “oh Fuck” zegt op het moment dat de politie in de ochtend van 12 juni 2025 had kenbaar gemaakt dat zij voor de deur van zijn woning stonden waar hij met zijn gezin woont. Uit deze woorden wordt afgeleid dat de verdachte schrok van de komst van de politie. Vrijwel onmiddellijk daarna pakt de verdachte van achter de bank in de woonkamer een tas en ontvlucht de woning uit door van twee hoog naar beneden te springen. Er wordt vanuit gegaan dat hij dit deed omdat hij in paniek was, zoals zijn dochter ook zegt, en niet wilde dat de politie er achter zou komen dat er een tas met cocaïne in de woning stond.
Gelet op deze feiten en omstandigheden wordt bewezen geacht dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne in de tas en daar ook beschikkingsmacht over had. Dat er nog een andere tas op straat is gevonden, de AH-tas, doet hieraan niet af.