ECLI:NL:RBROT:2026:277

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
10-247268-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor straatroof van bejaarde vrouw in Rotterdam

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van straatroof. De verdachte heeft op 13 september 2025 in Rotterdam een bejaarde vrouw van haar tas beroofd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, door met geweld de tas van de vrouw weg te trekken, haar heeft beroofd. De vrouw viel door de kracht van de ruk aan haar tas, wat leidde tot lichamelijk letsel. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 10 maanden, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte. De rechtbank oordeelde dat er voldoende bewijs was voor de schuld van de verdachte, onder andere door camerabeelden en getuigenverklaringen. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, mede vanwege zijn eerdere veroordelingen voor vergelijkbare feiten. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan de benadeelde partij, die materiële schade had geleden door de diefstal. De rechtbank wees de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe, tot een bedrag van € 75,-, en legde een schadevergoedingsmaatregel op. De rechtbank benadrukte de ernst van het feit, vooral gezien het kwetsbare slachtoffer en de impact van de straatroof op haar.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-247268-25
Datum uitspraak: 14 januari 2026
Datum zitting: 31 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode 1] [plaats] ,
laatste woon- of verblijfdadres [verblijfadres] , [postcode 2] [verblijfplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. J. Klein Molekamp
Officier van justitie: mr. M. van Drunen
Benadeelde partij: [slachtoffer]

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat – op 13 september 2025 in Rotterdam een straatroof heeft gepleegd, door met geweld het slachtoffer van haar tas te beroven.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 13 september 2025 te Rotterdam op de openbare weg, de Pretorialaan,
een tas, inhoudende (onder andere) een geldbedrag van ongeveer 30 euro en/of een kopie van een identiteitsbewijs en/of een ziektekostenverzekeringspasje, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door het (los)rukken en/of (los)trekken van/aan die tas.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd wordt bewezen verklaard.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit.
Het standpunt van de verdediging zal bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte op 13 september 2025 in Rotterdam de straatroof heeft gepleegd.
De volledige bewezenverklaring luidt dat:
hij op 13 september 2025 te Rotterdam op de openbare weg, de Pretorialaan,
een tas, inhoudende (onder andere) een geldbedrag van ongeveer 30 euro en een kopie van een identiteitsbewijs en een ziektekostenverzekeringspasje die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal, gemakkelijk te maken, door het rukken en/of trekken aan die tas.
Deze bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande nadere bewijsmotivering.
1.
Proces-verbaal van de politie, aangifte mevrouw [slachtoffer] [2] Op 13 september 2025 zat ik op mijn rollator op de Pretorialaan in Rotterdam. Ik had mijn handtas om mijn schouder. Ik voelde dat mijn tas van mijn schouder werd afgetrokken door een persoon op een fiets. Doordat de tas van mijn schouder af werd getrokken viel ik. In mijn tas zat een portemonnee met ongeveer 30 euro aan contant geld. Ook zat er kopie in van mijn identiteitsbewijs en een pasje van het ziekenfonds.
2.
Proces-verbaal van de politie, bevindingen verbalisant [3]
Op 19 september 2025 was ik, verbalisant [naam verbalisant] , belast met een onderzoek naar een diefstal met geweld, gepleegd op 13 september 2025 op de Pretorialaan met de kruising Putselaan te Rotterdam. Ik bevond mij bij het bedrijf [autobedrijf X] te Rotterdam. Daar heb ik camerabeelden gevorderd. Hierop was de verdachte van het eerdergenoemde strafbare feit zichtbaar. De camerabeelden konden niet direct verstrekt worden door de manager van [autobedrijf X] . Echter konden wel direct screenshots van de camerabeelden gemaakt en verstrekt worden. Ik herkende de dader op de camerabeelden van [autobedrijf X] doordat ik deze man eerder al had gezien op camerabeelden van advocatenkantoor [advocatenkantoor X] . Deze camerabeelden hadden direct zicht hadden op het gepleegde strafbare feit. Ik herkende de persoon op de camerabeelden die mij getoond werden door de manager bij [autobedrijf X] als de mij bekende: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] .
3.
Proces-verbaal van de politie, bevindingen verbalisanten [4] Op 19 september 2025 keken wij naar camerabeelden van het advocatenkantoor aan de Pretorialaan in Rotterdam, die zicht gaven op een straatroof gepleegd op 13 september 2025.
Wij zagen dat omstreeks 14:44 uur het slachtoffer van de straatroof te voet in beeld kwam en uit het zich verdween achter een boom. Wij zagen dat er een man achter de vrouw aanliep met een fiets in zijn had en deze vlakbij de vrouw op ongeveer 1 meter afstand van het slachtoffer parkeerde op de stoep. Wij zagen dat de man er als volgt uitzag: man, licht getinte huidskleur, donker haar, donkere jas en broek, vrouwenfiets met mandje voorop met daarin een blauwe plastic Albert-Heijn tas.
Wij zagen dat de man van de fiets af stapte en in de richting van de vrouw verdween die achter de boom stond. Wij zagen dat de man vervolgens terug in beeld kwam
terwijl hij een slingerbeweging met zijn arm maakte. Wij zagen dat hij opeens een
zwart tasje met aan een lang zwart hengsel in zijn hand had terwijl hij eerder met
lege handen was toen hij van zijn fiets afstapte en richting het slachtoffer bewoog.
Wij zagen dat de man vervolgens op zijn fiets sprong en snel wegfietste in de
richting van de Putselaan.
Op een andere cameraopstelling van het advocatenkantoor zagen wij nogmaals dat de
verdachte na de beroving wegfietste in de richting van de Putselaan.
Vervolgens hebben wij gekeken of we beeld konden krijgen van het moment dat de
verdachte aan kwam fietsen over de Putselaan. Wij konden de beelden inzoomen en zagen dat de verdachte inderdaad via de Putselaan aangefietst kwam. Wij zagen dat verdachte het slachtoffer ziet ter hoogte van de kruising Putselaan/ Pretorialaan. Wij zagen dat hij van zijn fiets afstapt en haar blijft volgen door achter haar te blijven
lopen met de fiets in de hand.
Wij konden het signalement van de verdachte goed in ons opnemen door de goede
kwaliteit van de beelden.
Hierna zijn wij naar buiten gegaan in de richting van waaruit de verdachte aangefietst kwam om te kijken of we camerabeelden konden vinden die nog beter zicht gaven op de verdachte. Wij bezochten autobedrijf [autobedrijf X] gelegen in de [adres 2] te Rotterdam waar we spraken met een medewerker genaamd [persoon A] .
[persoon A] toonde ons vervolgens camerabeelden van 13 september 2025 van het fietspad van de Putselaan. Wij zagen dat omstreeks 14:44 uur het slachtoffer met haar rollator langzaam aangelopen kwam vanuit de richting van de Johannes-Brandstraat. Wij zagen dat ze recht voor de [autobedrijf X] stopte en ging rusten op haar rollator. Enige tijd later liep ze langzaam verder in de richting van de Pretorialaan. Op hetzelfde moment kwam de verdachte aangefietst uit dezelfde richting als het slachtoffer. Wij zagen dat de verdachte het slachtoffer passeerde omkeek en doorfietste in de richting van de Pretorialaan.
Wij konden zien dat het signalement van deze verdachte volledig overeenkwam met het signalement van de verdachte en zijn fiets die wij reeds eerder op de beelden van het advocatenkantoor hadden gezien.
Opvallend aan de fiets waarop verdachte fietste was dat dit een damesfiets betrof met
dubbele frame stang en dat er in het mandje voorop een blauwe plastic Albert Heijn
tas zat.
2.3.2.
Bewijsmotivering
Standpunt verdediging
De verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd en er zijn onvoldoende deugdelijke bewijsmiddelen die de verdachte aan dit feit kunnen linken. De aangeefster heeft de dader niet gezien, de verdachte is niet of onvoldoende aan de camerabeelden te koppelen en de herkenning van de verdachte door de politie is onvoldoende betrouwbaar.
Er is in ieder geval geen sprake is van een gekwalificeerde diefstal, omdat alleen de aangeefster over de geweldshandeling heeft verklaard en deze niet te zien is op de camerabeelden.
Oordeel van de rechtbank
De bewezenverklaring berust op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen.
De herkenning door verbalisant [naam verbalisant] acht de rechtbank betrouwbaar, omdat hij blijkens het proces-verbaal de verdachte kende van eerdere opsporingsonderzoeken waarbij de verdachte betrokken was en waarbij de verbalisant hem persoonlijk gezien en gesproken heeft.
Het verweer dat er geen sprake is van een gekwalificeerde diefstal wordt ook verworpen.
Het wegtrekken van een tasje van de schouder van iemand met zodanige kracht dat die persoon daardoor valt, is geweld in de zin van art 312 van het Wetboek van Strafrecht.
De verklaring van aangeefster dat dit haar is overkomen staat niet op zichzelf, maar wordt ondersteund door de camerabeelden waarop is te zien dat de dader een slingerbeweging met zijn arm maakte toen hij het tasje wegpakte. Dit levert voldoende bewijs op voor het tenlastegelegde geweld.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De oriëntatiepunten van het LOVS voor een diefstal met geweld, zonder dat er sprake is van recidive, zijn een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit.
Hij heeft een 83-jarige vrouw op klaarlichte dag op straat van haar tas beroofd.
Het slachtoffer maakte gebruik van een rollator. Toen ze daar even op was gaan zitten om uit te rusten, trok de verdachte hard aan haar tas, waardoor zij op de grond viel.
Een straatroof kan, naar algemeen bekend is, naast materiële schade tevens psychische schade bij de slachtoffers teweeg brengen en draagt ook in het algemeen bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Dat dit ook voor het slachtoffer in deze zaak het geval is geweest blijkt uit haar aangifte en de ingediende vordering tot schadevergoeding; zij is bang geworden om naar buiten te gaan. De verdachte heeft zich hier niks van aangetrokken en zich kennelijk enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin zonder oog te hebben voor de gevolgen ervan voor het slachtoffer. Ook daarna heeft hij geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en de gevolgen daarvan.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft geen geldige verblijfstitel in Nederland en heeft asiel aangevraagd. Hij heeft geen werk en zegt te leven van de koop en verkoop van spullen op Marktplaats.
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 9 december 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit en meermalen voor andersoortige vermogensdelicten.
Acht dagen voor het plegen van deze straatroof te weten op 5 september 2025 stond de verdachte terecht voor de Meervoudige strafkamer rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda voor twee diefstallen, waaronder een diefstal met geweld waarbij het slachtoffer een meervoudig gehandicapte vrouw in een rolstoel was.
Hij is daarvoor veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 135 dagen.
Hoewel deze straf nog niet onherroepelijk was ten tijde van de onderhavige straatroof, wordt dit wel in strafverzwarende zin meegewogen bij de strafoplegging.
Daarnaast wordt in aanmerking genomen dat de verdachte eerder gebruik heeft gemaakt van meerdere identiteiten/aliassen en ook onder die namen veelvuldig met politie en/of justitie in aanraking gekomen.
4.3.3.
Oplegging straf en maatregel
Gelet op de ernst van het strafbare feit, het strafblad van de verdachte en zijn andere contacten met politie en/of justitie is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend.
De LOVS oriëntatiepunten, die binnen de rechtspraak zijn ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, geven aan dat voor een delict als het onderhavige veelal een gevangenisstraf tussen de 4-6 maanden wordt opgelegd.
In dit geval betreft het een uiterst laf feit waarbij de verdachte wederom een kwetsbaar slachtoffer heeft uitgezocht en, gezien zijn ontkennende houding, geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen. Deze omstandigheden zijn strafverhogend.
Dit alles maakt dat een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden wordt opgelegd.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

5.Voorlopige hechtenis

De verdediging heeft primair verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte, gelet op de bepleite vrijspraak, op te heffen. Subsidiair is verzocht, gelet op artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. Dit gelet op de bepleite vrijspraak voor het geweldscomponent en meer subsidiair omdat de LOVS richtlijnen – ook voor een diefstal met geweld zonder recidive – een gevangenisstraf van drie maanden aangeeft.
De rechtbank wijst de verzoeken af, nu vrijspraak niet aan de orde is en de duur van de op te leggen gevangenisstraf niet meebrengt dat artikel 67a, lid 3 Sv van toepassing is.

6.Vordering van de benadeelde partij

6.1.
Vordering [slachtoffer]
Mevrouw [slachtoffer] heeft als benadeelde partij een bedrag van € 85,- (tas (€ 25,-), portemonnee (€ 20,-) en geld (€ 40,-) gevorderd als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 75,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij zal voor de rest van de vordering, te weten voor een bedrag van € 10,- niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dit bedrag van € 10,- is het verschil tussen de € 40,- en € 30,- die aangeefster in respectievelijk haar vordering en de aangifte noemt als bedrag dat van haar is gestolen. Uitgegaan wordt van het bedrag van € 30,- dat in de aangifte wordt genoemd.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, omdat de vordering niet met stukken is onderbouwd.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
6.4.1.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit.
Hoewel zij haar vordering niet met stukken heeft onderbouwd, acht de rechtbank de gevorderde vergoeding redelijk en billijk tot een bedrag van € 75,-. De vordering zal daarom in zoverre worden toegewezen.
Omdat bewezen is verklaard dat een bedrag van € 30,- is weggenomen, terwijl er een bedrag van € 40,- is gevorderd zal de benadeelde partij voor het verschil van € 10,- niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
6.4.2.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 13 september 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 2 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van acht (8) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer] , wonende te Rotterdam, te betalen een bedrag van
€ 75,- (vijfenzeventig euro), zijnde een vergoeding voor materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 13 september 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering
(€ 10,-); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat
€ 75,-
(vijfenzeventig euro)te betalen, en de wettelijke rente vanaf 13 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
twee dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.J.C. Spoormaker, voorzitter,
en mrs. M.K. Asscheman-Versluis en L. Eck Rasmussen, rechters,
in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst , griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 14 januari 2026.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal “Straatroof Pretorialaan Rotterdam” met nummer [nummer proces-verbaal] .
2.Pagina’s 1 en 2 van het proces-verbaal.
3.Pagina’s 44 t/m 46 van het proces-verbaal.
4.Pagina’s 6 t/m 18 van het proces-verbaal.