AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing vordering tot medewerking verkoop voormalige echtelijke woning na echtscheiding
De vrouw en de man zijn in de zomer van 2025 gescheiden en hebben afspraken gemaakt over de verdeling van hun voormalige echtelijke woning, vastgelegd in een echtscheidingsbeschikking. De vrouw vordert dat de man meewerkt aan de verkoop van de woning aan een derde, omdat zij meent dat de man de verkoop vertraagt. De man betwist dit en stelt dat de vertraging juist door de vrouw is veroorzaakt.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw zelf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers heeft vertraagd, waardoor de man slechts drie maanden had om de financiering rond te krijgen in plaats van zes maanden. Dit is een redelijke verklaring voor het niet tijdig kunnen voldoen aan de afspraken. De man heeft bovendien rekening gehouden met een mogelijk hoger beroep van de vrouw, wat zijn handelwijze verklaart.
De rechter concludeert dat er geen sprake is van vertraging door de man en dat het niet onredelijk is dat hij nog enige tijd krijgt om zijn financiering te regelen. Ook de stelling van de vrouw dat de taxatie te laag is vastgesteld wordt verworpen, omdat het taxatierapport is gevalideerd en volgens de regels is opgesteld.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de vrouw af en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De uitspraak benadrukt dat partijen in de verdere afwikkeling rekening moeten houden met elkaars belangen.
Uitkomst: De vorderingen van de vrouw tot medewerking aan de verkoop van de woning worden afgewezen wegens gebrek aan vertraging door de man.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/714973 / KG ZA 26-155
Vonnis in kort geding van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. H. Durdu,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
verschenen in persoon.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.
1.De zaak in het kort
1.1.
De vrouw en de man waren gehuwd en zijn in de zomer van 2025 gescheiden. Partijen hebben in het kader van de verdeling van de voormalige echtelijke woning afspraken gemaakt, die in een echtscheidingsbeschikking zijn opgenomen. Volgens de vrouw zorgt de man voor vertraging van die tussen hen gemaakte afspraken. De vrouw vordert daarom onder meer dat de man meewerkt aan de verkoop van de voormalige echtelijke woning aan een derde. De man is het niet eens met de vorderingen van de vrouw. Volgens de man is de vertraging juist het gevolg van het handelen van de vrouw. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de vrouw af.
2.De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 19 februari 2026, met vier bijlagen;
de aanvullende bijlagen vijf tot en met zeven van de vrouw;
de twaalf door de man ingediende stukken;
de mondelinge behandeling van 4 maart 2026.
3.Enkele feiten
3.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. In een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2025 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken.
3.2.
In de echtscheidingsbeschikking is, voor zover van belang in deze procedure, het volgende opgenomen:
“ 3.46. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de woning. Partijen zullen beiden hun medewerking verlenen om de echtscheidingsbeschikking zo snel als mogelijk in te schrijven in de registers. De man zal daarna kijken of hij de woning kan overnemen. Het huis zal getaxeerd worden door Dolfijn Makelaars te Maassluis. Op 1 februari 2026 zal de woning aan de man worden verkocht of aan een derde. De waarde van de woning minus de hoogte van de hypotheek zal bij helfte verdeeld worden.
3.47.
De maandelijkse aflossingen van de hypothecaire geldlening vanaf de peildatum tot aan het moment van de levering van de woning aan de man dan wel verkoop en levering aan een derde moeten worden verrekend. Deze verrekening zal bij de verkoop van de woning plaatsvinden, waarbij partijen ieder voor de helft van de aflossingen verantwoordelijk zijn.”.
3.3.
De echtscheiding is op 5 november 2025 ingeschreven in de registers van de gemeente Rotterdam.
4.Het geschil
4.1.
De vrouw vordert om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij vonnis:
I. de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] aan (een) derde(n), waarbij hij in ieder geval:
a. binnen zeven dagen na het vonnis samen met de vrouw een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop met “Dolfijn makelaars” aangaat onder de gebruikelijke voorwaarden van een NVM-makelaar;
b. de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van de vrouw opvolgt en alle medewerking verleent aan werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het bieden van gelegenheid voor foto’s en bezichtigingen door potentiële kopers, met de woning in zoveel mogelijk presentabele staat;
c. meewerkt aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst op eerste verzoek van de vrouw, indien en voor zover:
de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs of een door partijen overeengekomen andere laatprijs, en
een opleverdatum van de woning wordt afgesproken van minimaal twee maanden na ondertekening, tenzij partijen schriftelijk anders overeenkomen, en
de koopovereenkomst de gebruikelijke condities bevat;
d. meewerkt aan de levering van de woning op de afgesproken datum in de koopovereenkomst of een nader overeengekomen datum;
e. 50% bijdraagt in alle kosten verband houdend met verkoop en levering, waaronder de bemiddelingsvergoeding van de makelaar, welke bijdrage kan worden verrekend met het aandeel van de man in de overwaarde.
II. de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen binnen een week na het vonnis en aan alle verplichtingen te voldoen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat hij in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,00.
III. te bepalen dat, indien de man niet tijdig voldoet aan II onder a., c. en d., Uw vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BWPro in de plaats treedt van het deel van de bemiddelingsovereenkomst, koopovereenkomst of notariële akte van levering, waardoor blijkt dat de man opdracht geeft tot verkoop en levering aan de koper.
kosten rechtens.
4.2.
De vrouw legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. De man komt de beschikking van de rechtbank niet na. Volgens de vrouw is het duidelijk dat de man de woning niet wil of kan financieren. Verder werkt hij ook niet mee aan de verkoop van de woning aan een derde. Door deze handelswijze wordt de vrouw in haar belangen geschaad. De vrouw wenst verder te gaan met haar leven. De vrouw woont nu bij haar moeder en wil de kinderen een eigen ruimte en passende leefomstandigheden bieden. Hiervoor heeft de vrouw de overwaarde van de echtelijke woning nodig. Zij kan niet langer wachten.
4.3.
De man voert verweer en concludeert – zo begrijpt de voorzieningenrechter – tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.
5.De beoordeling
5.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorzieningen worden verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
De vorderingen van de vrouw worden afgewezen
5.2.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de vrouw af.
Het klopt dat de man op grond van de afspraken in de echtscheidingsbeschikking uiterlijk op 1 februari 2026 het aandeel van de vrouw in de woning moest hebben gekocht of dat de woning uiterlijk op die datum aan een derde moest zijn verkocht. De man had vanaf de uitspraak van de echtscheiding (15 juli 2025) zes maanden de tijd om te kijken of hij het aandeel van de vrouw in de woning kon financieren, of – als hij de financiering niet rond kreeg – om mee te werken aan de verkoop van de woning aan een derde.
Echter constateert de voorzieningenrechter dat de vrouw bij de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zelf heeft gezorgd voor een vertraging van drie maanden. De vrouw heeft namelijk zo lang geen medewerking verleend aan het inschrijven van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de gemeente dat de man dit pas op 5 november 2025 heeft kunnen realiseren. Daardoor had de man per saldo nog slechts drie maanden de tijd om de financiering voor de uitkoop van de vrouw rond te krijgen. Een periode van drie maanden was voor de man te kort, mede gezien het feit dat de man ondernemer is en daarom aanzienlijk meer documenten dan gemiddeld moet overleggen voor de aanvraag van hypothecaire financiering. Het is algemeen bekend dat de doorlooptijd van zo’n aanvraag langer is in het geval de aanvrager ondernemer is.
De vertraging die door de vrouw is veroorzaakt, is bovendien in strijd met de afspraken die partijen met elkaar hebben gemaakt. In artikel 3.46 van de echtscheidingsbeschikking staat immers dat partijen hun medewerking zullen verlenen om de echtscheidingsbeschikking zo snel als mogelijk in te schrijven in de registers. Afgesproken was dat de man na die inschrijving zou kijken of hij de woning kan overnemen. De vrouw kan de vertraging die zij zelf heeft veroorzaakt niet aan de man tegenwerpen.
5.3.
Van vertraging van het uit- of verkoopproces door de man is geen sprake. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter de man gevraagd waarom hij in de periode van 15 juli 2025 tot 5 november 2025 niet alvast (een deel van) de benodigde documenten voor de hypotheekaanvraag had verzameld. De man heeft daarop geantwoord dat hij een eventueel door de vrouw in te stellen hoger beroep, zo begrijpt de voorzieningenrechter, tegen de echtscheidingsbeschikking wilde afwachten omdat de voorbereidingen in geval van een hoger beroep voor niets zouden zijn geweest. De man hield er rekening mee dat de vrouw hoger beroep zou instellen, omdat zij niet meteen meewerkte aan de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers. Bovendien had de man het bewijs van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking nodig voor zijn financieringsaanvraag en had de man het druk met het draaiende houden van zijn onderneming. Dit komt de voorzieningenrechter in het licht van de afspraken die partijen hadden gemaakt niet onaannemelijk of onredelijk voor.
5.4.
Het voorgaande betekent dat de man niet de volledige zes maanden de tijd heeft gehad om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen en, zo niet, om dan mee te werken aan de verkoop van de woning aan een derde. Het is dus – gezien de omstandigheden – niet onredelijk dat de man nog enige tijd respijt krijgt om dat alsnog nader te kunnen onderzoeken. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter op dit moment geen aanleiding om de door de vrouw gevorderde voorlopige voorzieningen te treffen. Ook omdat op dit moment niet kan worden geconcludeerd dat de man niet mee zal werken aan de verkoop van de woning aan een derde als blijkt dat hij de woning niet kan overnemen.
De opdracht aan de taxateur
5.5.
Verder stelt de vrouw dat partijen gezamenlijk de opdracht aan de taxateur moesten verstrekken en dat beide partijen daarbij aanwezig moesten zijn. De voorzieningenrechter volgt deze stelling van de vrouw niet. Nergens in de echtscheidingsbeschikking staat dat partijen de opdracht aan de taxateur gezamenlijk moesten verstrekken of dat beide partijen daarbij aanwezig moesten zijn. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat hij de taxatie zelf heeft laten uitvoeren, omdat de vrouw niet wilde meebetalen aan de kosten van de taxatie. De vrouw heeft dit niet betwist.
De getaxeerde waarde van de woning
5.6.
Ten overvloede gaat de voorzieningenrechter nog in op de stelling van de vrouw dat de waarde van de woning te laag is vastgesteld door de taxateur. De vrouw legt ter onderbouwing van deze stelling een waarderapport van Huispedia over. De voorzieningenrechter merkt op dat het waarderapport van Huispedia geen officieel taxatierapport is (wat ook op het waarderapport staat) en dat de vrouw niet heeft onderbouwd waarom de referentiewoningen in het taxatierapport – die zich in dezelfde straat bevinden en dezelfde eigenschappen lijken te hebben als de voormalige echtelijke woning – onjuist zijn. Verder beschikt de makelaar, die lid is van de NVM, over een database waarin de gegevens (grootte, verkoopprijs, etc.) van de referentieobjecten zijn opgenomen en past de makelaar een correctie toe als de referentiepanden verschillen van het te taxeren object. Die correcties volgen ook uit het taxatierapport. Uit niets blijkt dat de taxatie niet volgens de regelen der kunst is uitgevoerd. Bovendien is het rapport door het NWWI gevalideerd, wat betekent dat wordt gecontroleerd of het rapport aan de kwaliteitseisen voldoet. Dat in het taxatierapport als reden voor de taxatie staat dat partijen uit elkaar zijn gegaan, is feitelijk correct en doet niet af aan de juistheid van het taxatierapport. Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter geen reden ziet om te twijfelen aan het taxatierapport en de daarin opgenomen taxatiewaarde van de woning.
Meer geschilpunten
5.7.
De voorzieningenrechter realiseert zich dat er nog meer geschilpunten tussen partijen zijn. Zo heeft de vrouw erop gewezen dat de man er ten onrechte van uitgaat dat zij er medewerking aan zal verlenen dat de man, zonder de vrouw daarvoor te compenseren, kan profiteren van overname van de hypotheek met – naar de voorzieningenrechter begrijpt – daaraan verbonden relatief lage hypotheekrente. De man heeft te kennen gegeven graag te zien dat de voorzieningenrechter de vrouw ertoe zou verplichten medewerking te verlenen aan de uitvoering van de wens van de man om de woning over te nemen. Dat is in zijn visie ook in het belang van de kinderen. Binnen het beperkte kader van dit kort geding kunnen niet alle geschilpunten tussen partijen worden beslecht. De man heeft in dit kort geding geprocedeerd zonder bijstand van een advocaat. Dat brengt mee dat hij in dit kort geding geen tegenvordering kon instellen. Met het oog op de verdere afwikkeling geeft de voorzieningenrechter partijen mee dat het uitgangspunt voor partijen behoort te zijn dat zij over en weer (ook) rekening dienen te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen.
De conclusie
5.8.
De conclusie is dat de vorderingen van de vrouw worden afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
5.9.
Het uitgangspunt in zaken tussen ex-echtgenoten is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. De proceskosten worden dus gecompenseerd.
6.De beslissing
De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst de vorderingen van de vrouw af;
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026. [4041/1729]