Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- de dagvaarding van 3 december 2025, met bijlagen 1 tot en met 15;
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring;
- de conclusie van antwoord in incident.
2.Het geschil in de hoofdzaak
3.Het geschil in het incident
de eigendom vande woning door de vrouw met een nieuwe partner wordt gedeeld. Van deze situaties is volgens de vrouw geen sprake. Voor het geval dat de rechtbank toch van oordeel is dat de man in zijn uitleg van artikel 3.9 van het echtscheidingsconvenant moet worden gevolgd, is de vrouw van mening dat de mediator de vrouw moet vrijwaren voor de vordering van de man. De mediator heeft de vrouw in dat geval niet juist of volledig bijgestaan, geadviseerd en geïnformeerd en de vrouw niet, niet juist of onvolledig gewezen op de grote en ongebruikelijke risico’s van de in artikel 3.9 van het echtscheidingsconvenant neergelegde keuzes van partijen.
primairtot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van de vordering in het incident. De man stelt zich
subsidiairop het standpunt dat de vrouw moet worden bevolen om de dagvaarding in vrijwaring binnen uiterlijk twee weken uit te brengen, met voortzetting van de hoofdzaak zonder (of slechts met minimale) aanhouding en met vaststelling van een strak rolregime.
4.De beoordeling in het incident
5.Ambtshalve beoordeling in de hoofdzaak
6.De beslissing
22 april 2026;
22 april 2026voor conclusie van antwoord.
4041/3669