De vrouw verzoekt de rechtbank om de ontkenning van het vaderschap van haar ex-man ten aanzien van hun minderjarige kind, omdat in Turkije een andere juridische vader staat geregistreerd dan in Nederland. De minderjarige is in Nederland erkend door de heer A, die ook het gezag samen met de vrouw uitoefent. De man erkent dat hij niet de biologische vader is.
De rechtbank stelt vast dat het Turkse recht van toepassing is op het vaderschap, waarbij de man automatisch als juridische vader wordt beschouwd omdat het kind binnen 300 dagen na ontbinding van het huwelijk is geboren. Echter, de vrouw kan volgens Turks recht geen verzoek tot ontkenning indienen, wat strijdig is met de Nederlandse openbare orde. Daarom past de rechtbank een uitzondering toe en sluit aan bij het Nederlandse recht voor de ontvankelijkheid van het verzoek.
De rechtbank oordeelt dat de vrouw haar verzoek binnen de wettelijke termijn heeft ingediend en voldoende belang heeft, mede omdat het niet wenselijk is dat het kind in twee landen verschillende juridische vaders heeft. De verklaringen van de betrokkenen zijn helder en consistent, waardoor DNA-onderzoek niet nodig is. De ontkenning van het vaderschap van de man wordt gegrond verklaard en de bijzondere curator wordt ontslagen. Elke partij draagt de eigen kosten.