ECLI:NL:RBROT:2026:284

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
ROT 25/320
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van eiseres in het kader van de Wet WIA

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, een IG-verzorgende uit Capelle aan den IJssel, en het UWV over de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheid per 29 november 2023. Eiseres had eerder een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen, maar het UWV had deze omgezet naar een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid op 35,82% werd vastgesteld. Eiseres was het niet eens met deze beslissing en stelde dat zij volledig arbeidsongeschikt was op medische gronden. De rechtbank heeft de argumenten van eiseres beoordeeld, waaronder de stelling dat de primaire verzekeringsarts onjuiste informatie had gebruikt in haar rapportages. De rechtbank concludeerde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld en dat er voldoende rekening was gehouden met de beperkingen van eiseres in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank oordeelde dat de beslissing van het UWV zorgvuldig tot stand was gekomen en dat er geen grond was voor het oordeel dat eiseres volledig arbeidsongeschikt was. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard, en zij kreeg geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/320

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Capelle aan den IJssel, eiseres

(gemachtigde: [naam 1]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. T. Rook).
Als derde-belanghebbende neemt aan de zaak deel:
[naam stichting], uit Rotterdam, ex-werkgever
(gemachtigde: [naam 2]).

Procesverloop

1.1.
Met het besluit van 21 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV de loongerelateerde WGA [1] -uitkering van eiseres per 29 november 2023 (de datum in geding) omgezet naar een WGA-loonaanvullingsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
1.2.
Op 29 augustus 2023 heeft de ex-werkgever van eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
1.3.
Op 6 november 2024 heeft het UWV het voornemen kenbaar gemaakt om het primaire besluit te wijzigen. Het UWV heeft in dit voornemen bepaald dat eiseres vanaf 29 november 2023 niet voor 80-100%, maar voor 35,82% arbeidsongeschikt wordt geacht.
1.4.
Eiseres heeft op 9 november 2024 een zienswijze ingediend tegen het voornemen tot wijziging van het primaire besluit. Deze zienswijze is vervolgens op 14 november 2024 aangevuld.
1.5.
Met het besluit van 3 december 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van de ex-werkgever gegrond verklaard. Het UWV heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage per 29 november 2023 vastgesteld op 35,82%, waardoor eiseres met ingang van 30 november 2026 recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering, berekend naar de klasse van 35-45% arbeidsongeschiktheid. Het UWV ziet daarmee geen aanleiding om van het voornemen af te wijken.
1.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.7.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.8.
Met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank met de beslissing van 23 mei 2025 bepaald dat kennisneming van de medische stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van de ex-werkgever, [naam 2].
1.9.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. Namens de ex-werkgever is, zonder bericht van verhindering, niemand op de zitting verschenen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.
2.1.
Eiseres, laatstelijk werkzaam als IG [2] -verzorgende, heeft zich op 2 december 2019 ziek gemeld voor dit werk vanwege medische klachten. Per het einde van de wachttijd voor de WIA op 28 november 2021 is eiseres op medische gronden tijdelijk volledig arbeidsongeschikt bevonden, waarna aan eiseres met het besluit van 26 november 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend, naar een mate van 80-100%. De ex-werkgever heeft op 21 december 2022 een herbeoordeling aangevraagd.
2.2.
Met het primaire besluit van 21 augustus 2023 heeft het UWV de loongerelateerde WGA-uitkering van eiseres per de datum in geding omgezet naar een WGA-vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Hiertegen heeft de ex-werkgever pro-forma bezwaar ingediend.
2.3.
Naar aanleiding van het pro-forma bezwaar van de ex-werkgever heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. In de rapportage van 23 februari 2024 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. De verzekeringsarts is van oordeel dat er op de datum in geding (tijdelijk) geen benutbare mogelijkheden zijn vanwege de wisselende belastbaarheid van eiseres. Om die reden is geen Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld en heeft geen arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. Naar aanleiding van de rapportage van 23 februari 2024 heeft het UWV besloten dat de WIA-uitkering van eiseres niet wijzigt.
2.4.
De ex-werkgever heeft vervolgens een aanvullend bezwaarschrift ingediend tegen het primaire besluit. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 25 september 2024 geconcludeerd dat de primaire verzekeringsarts ten onrechte heeft gesteld dat per de datum in geding sprake is van een situatie van ‘geen benutbare mogelijkheden’, zodat ten onrechte geen FML is opgesteld. Om die reden heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep alsnog een FML opgesteld op 25 september 2024, die geldig is vanaf 7 maart 2024. Hierin zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken: 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 3. Fysieke omgevingseisen, 4. Dynamische handelingen en 5. Statische houdingen.
Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapportage van 31 oktober 2024, met inachtneming van de beperkingen zoals opgenomen in de FML, geconcludeerd dat eiseres niet geschikt wordt geacht voor het verrichten van haar eigen werk, maar wel geschikt wordt geacht voor drie andere functies. Aanvullend zijn er nog twee functies geschikt bevonden voor eiseres. Het loon dat eiseres met de middelste van de eerste drie functies (de mediaanfunctie) kan verdienen, ligt 35,82% lager dan het loon dat eiseres met haar eigen werk zou kunnen verdienen (het maatmaninkomen). Hierna heeft het UWV het voornemen kenbaar gemaakt om het primaire besluit te wijzigen. Hiertegen heeft eiseres een zienswijze ingediend.
2.5.
Naar aanleiding van de ingediende zienswijze heeft opnieuw een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. In de rapportage van 28 november 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat het (aanvullend) bezwaarschrift tegen het voornemen geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt, zoals weergegeven in de rapportage van 25 september 2024, te wijzigen. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiseres

3.
3.1.
Eiseres voert in beroep – kort samengevat – aan dat de primaire verzekeringsarts in de rapportage van 23 februari 2024 is uitgegaan van feitelijke onjuistheden en dat deze onjuistheden doorwerken in de daaropvolgende rapportages. In de rapportage van 23 februari 2024 is door de primaire verzekeringsarts gesteld dat eiseres herstellende was van een schouderoperatie die eind 2022/begin 2023 zou hebben plaatsgevonden, maar in werkelijkheid heeft er nog geen operatie plaatsgevonden, waardoor het UWV niet kan aannemen dat sprake is van herstel of verbetering door een dergelijke operatie. In diezelfde rapportage heeft de primaire verzekeringsarts verklaard dat geen lichamelijk onderzoek is verricht, omdat op korte termijn een verandering in de gezondheidstoestand van eiseres te verwachten zou zijn en omdat de klachten van eiseres van tijdelijke aard zouden zijn. Nu er geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, de gezondheidstoestand van eiseres de afgelopen jaren is verslechterd en zij afhankelijk is van zorg van derden, is het voor eiseres onbegrijpelijk hoe de verzekeringsarts tot deze conclusie komt. Daarbij benoemt zij ook dat het UWV ten onrechte heeft gesteld dat het zorgplan van eiseres is opgesteld door een onbekende instantie en/of persoon. Eiseres stelt dat zij meer beperkt is dan eerder door het UWV is aangenomen en dat zij volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht op medische gronden. Zij stelt dat zij structurele en blijvende beperkingen heeft en dat de behandelingen die zij hiervoor krijgt slechts zijn gericht op symptoombestrijding en niet op genezing. Eiseres ontvangt zorg aan huis, omdat zij niet in staat is voor zichzelf te zorgen. Zij wordt fysiek en mentaal volledig uitgeput door de opeenstapeling van aandoeningen. Daarbij komt dat eiseres wordt geconfronteerd met de zware impact van een echtscheiding, waardoor haar bestaande mentale klachten zijn verergerd. Vanwege haar beperkingen kan eiseres de geduide functies niet verrichten. De geduide functies vereisen een bepaalde mate van concentratie, fysieke belasting of emotionele stabiliteit die eiseres niet kan leveren.
3.2.
Ter zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat er geen verbetering heeft plaatsgevonden en dat het dalen van de uitkering van een klasse van 80-100% naar een klasse van 35-45% disproportioneel is en in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

Toetsingskader

4. De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

5. Eiseres heeft de rechtbank geen toestemming gegeven om gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan de ex-werkgever te brengen. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig beperken om te voorkomen dat die gegevens langs deze weg alsnog in de openbaarheid worden gebracht.
6. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per 29 november 2023 (de datum in geding) terecht heeft vastgesteld op 35,82%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met haar beperkingen, in staat is de geduide functies te verrichten.

Zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek

7.1.
Ten aanzien van wat eiseres heeft aangevoerd over de feitelijke onjuistheden in de rapportage van de primaire verzekeringsarts van 23 februari 2024 en de doorwerking daarvan in de daaropvolgende rapportages, overweegt de rechtbank het volgende. In de rapportage van 28 november 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat in eerdere rapportages (van 23 februari 2024 en 25 september 2024) is vermeld dat eiseres herstellende was van een schouderoperatie die eind 2022 of begin 2023 heeft plaatsgevonden, omdat dit beschreven stond in de anamnese van het medisch onderzoeksverslag en dit werd verteld tijdens het medisch onderzoek in bezwaar. Ook heeft de gemachtigde van het UWV afdoende toegelicht dat het voor het opstellen van de belastbaarheid per de datum in geding niet van belang is of er eind 2022/begin 2023 al dan niet een schouderoperatie heeft plaatsgevonden.
7.2.
De omstandigheid dat de primaire verzekeringsarts geen lichamelijk onderzoek heeft verricht, is naar het oordeel van de rechtbank niet (meer) van belang omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 23 september 2024 alsnog een lichamelijk onderzoek heeft verricht. In bezwaar heeft immers een volledige heroverweging plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek gebaseerd op de bestudering van dossiergegevens en het lichamelijke en psychische onderzoek van 23 september 2024.
7.3.
Ten aanzien van de stelling dat het zorgplan zou zijn opgesteld door een onbekende instantie en/of persoon, heeft de gemachtigde van het UWV toegelicht dat het stuk, als dit incompleet wordt aangeleverd, niet anders kan worden omschreven als een stuk dat is opgesteld door een onbekend persoon. De rechtbank kan deze toelichting volgen.
7.4.
De rechtbank begrijpt uit de rapportage van 23 februari 2023, die niet ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, dat de primaire verzekeringsarts heeft bedoeld te betogen dat de eerder aangenomen volledige arbeidsongeschiktheid tijdelijk van aard is en dat de tijdelijkheid niet ziet op de klachten die eiseres ervaart.
7.5.
Gelet op het voorgaande heeft het UWV eerdere onjuistheden hersteld in de bezwaarprocedure. Het is dan ook niet gebleken dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.
Medische beoordeling
8.
8.1.
Aan eiseres is eerder, per 29 november 2021, een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid in de klasse 80-100%. De reden hiervoor was dat eiseres in die periode op de wachtlijst stond voor meerdere ingrepen, zij meerdere behandelingen volgde en zij intensieve begeleiding kreeg in de thuissituatie en dit maakte dat eiseres tijdelijk geen benutbare mogelijkheden had en daarom tijdelijk niet belastbaar was voor arbeid.
8.2.
De stelling van eiseres dat zij per de datum in geding volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht op medische gronden, kan de rechtbank niet volgen. In de rapportage van 25 september 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat de primaire verzekeringsarts niet gevolgd kan worden in haar oordeel dat op de datum in geding sprake is van een wisselende belastbaarheid en daarmee sprake is van ‘geen benutbare mogelijkheden’ als bedoeld in artikel 2 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: Schattingsbesluit). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij toegelicht dat in het vierde lid van dit artikel de voorwaarde is opgenomen dat pas van een wisselende belastbaarheid kan worden gesproken als dit ten minste drie keer in een verzekeringsgeneeskundig onderzoek is vastgesteld. Dat is in de onderhavige situatie niet het geval. Ook heeft zij toegelicht dat geen sprake is van één van de andere uitzonderingscriteria uit artikel 2 van het Schattingsbesluit. In de (aanvullende) rapportage van 28 november 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog toegevoegd dat uit het dagverhaal, zoals opgenomen in de primaire rapportage van 23 februari 2024, blijkt dat eiseres zich weliswaar laat helpen bij dagelijkse verzorgingstaken, maar dat zij ook in staat is om – zonder hulp – alledaagse bezigheden uit te voeren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat bij eiseres geen medische aandoening is vastgesteld die kan verklaren dat zij niet voor zichzelf kan zorgen. De rechtbank begrijpt hieruit dat eiseres volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet (volledig) ADL-afhankelijk is, waardoor geen sprake is van ‘geen benutbare mogelijkheden’ en daarmee geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden.
8.3.
Omdat bij eiseres per de datum in geding geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een FML opgesteld. Dat heeft hij op 25 september 2024 gedaan. Hierbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van diezelfde datum afdoende rekening gehouden met de beperkingen van eiseres. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat bij eiseres per de datum in geding sprake is van pijnklachten in het lichaam vanwege verschillende diagnoses en/of aandoeningen. Voor ieder van deze diagnoses en/of aandoeningen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgelegd waarom dit wel of niet leidt tot het opnemen van beperkingen in de FML. Om eiseres in enige mate tegemoet te komen in de klachten die zij ervaart, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep beperkingen aangenomen ten aanzien van zware fysieke belasting. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat voor de klachten die zijn ontstaan na de datum in geding geen beperkingen worden aangenomen in de FML. Bovendien is met de mentale klachten van eiseres rekening gehouden door hiervoor beperkingen aan te nemen in de FML onder de rubrieken 1. Persoonlijk functioneren en 2. Sociaal functioneren. Hoewel eiseres meerdere aandoeningen heeft en hierdoor ook (pijn)klachten ervaart, is daarmee door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende rekening gehouden in de FML.
8.4.
Voor zover eiseres ter zitting heeft aangevoerd dat de wijziging van de klasse 80-100% naar de klasse 35-45% arbeidsongeschiktheid disproportioneel is en in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, overweegt de rechtbank als volgt. De Wet WIA is een wet in formele zin waarbij de situatie van een belanghebbende wordt meegenomen in de beoordeling, maar geen ruimte bestaat voor een daarvan losstaande belangenafweging. Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is in het geval van een wet in formele zin in beginsel niet mogelijk, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die de wettelijke bepaling zozeer in strijd doet zijn met het evenredigheidsbeginsel dat de toepassing van die bepaling achterwege zou moeten blijven. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is daarvan geen sprake in het geval van eiseres.
Arbeidsdeskundige beoordeling
9. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat de beperkingen in de FML van 25 september 2024 juist zijn vastgesteld. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden en beperkingen van eiser uit de FML overschrijdt. Om die reden kan wat eiseres heeft aangevoerd over de geschiktheid van de geduide functies niet slagen, omdat dit is gebaseerd op het standpunt dat eiseres minder functionele mogelijkheden heeft dan het UWV heeft aangenomen.
10. Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat zij in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen van 35,82%.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2026.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 4 van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
In het Schattingsbesluit Arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) zijn regels gesteld voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

Voetnoten

1.WGA staat voor Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
2.IG staat voor individuele gezondheidszorg.