Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2893

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
10921128 CV EXPL 24-3188
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:37 lid 3 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontruiming wegens niet tijdige aanzegging huurovereenkomst

Partijen sloten een huurovereenkomst voor een woning met ingang van 1 januari 2023. Verhuurder stelde dat de overeenkomst voor twee jaar was en na afloop daarvan van rechtswege was geëindigd, terwijl huurder betwistte dat de overeenkomst slechts twee jaar duurde en dat de aanzegging tijdig was gedaan.

De kantonrechter stelde in een tussenvonnis dat de overeenkomst voor twee jaar was en dat verhuurder moest bewijzen dat de aanzegging tijdig per aangetekende brief was gedaan. Verhuurder overlegde bewijsstukken van PostNL waaruit bleek dat de brief op 7 oktober 2024 was verzonden, maar niet door huurder was opgehaald en uiteindelijk vernietigd.

De kantonrechter oordeelde dat verhuurder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de brief huurder had bereikt, mede omdat geen bewijs was geleverd dat een afhaalbericht was achtergelaten. Een verklaring van een buurman werd niet geloofd vanwege tegenstrijdigheden met de PostNL-gegevens.

Verhuurder kon ook niet aantonen dat de huurder de brief per gewone post had ontvangen. Daarom werd geoordeeld dat de huurovereenkomst niet tijdig was aangezegd en niet van rechtswege was geëindigd. De vorderingen tot ontruiming werden afgewezen en verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen tot ontruiming worden afgewezen wegens het niet tijdig aanzeggen van het einde van de huurovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10921128 CV EXPL 24-3188
datum uitspraak: 20 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: voorheen: mr. drs. C.J.M. Stubenrouch, thans mr. drs. M.N. Landzaad,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [plaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. W. Suttorp.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het vonnis van 25 juli 2025 en de daarin genoemde processtukken;
  • de akte van [eiseres] , houdende uitlaten bewijslevering, tevens akte tot het overleggen producties, tevens vermeerdering van eis;
  • de akte uitlaten van [gedaagde] ; tevens bezwaar tegen eisvermeerdering, met producties;
  • de akte houdende uitlaten producties van [eiseres] , tevens akte tot het overleggen producties;
  • de rolbeslissing van 12 december 2025;
  • de akte uitlaten producties van [gedaagde] .

2.De verdere beoordeling

De zaak in het kort
2.1.
Partijen hebben met ingang van 1 januari 2023 een huurovereenkomst voor een woning met elkaar gesloten. [eiseres] stelt dat deze huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van twee jaar en dat die na afloop van die termijn van rechtswege is geëindigd. [eiseres] wil daarom dat [gedaagde] de woning ontruimt. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van drie jaar en dat die na afloop van die termijn voortduurt. Voor zover de kantonrechter tot het oordeel zou komen dat de huurovereenkomst wel voor de duur van twee jaar is gesloten, betwist [gedaagde] dat het einde van de huurovereenkomst tijdig is aangezegd en dat die daarom geacht moet worden voor onbepaalde tijd te zijn verlengd.
De bewijsopdracht
2.2.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 25 juli 2025 reeds overwogen dat de huurovereenkomst is gesloten voor de duur van twee jaar en dus in beginsel van rechtswege is geëindigd op 31 december 2024. Voor dat laatste is wel nodig dat [eiseres] het einde van de huurovereenkomst tijdig heeft aangezegd. Nu [gedaagde] betwist dat dat is gebeurd, is [eiseres] in het tussenvonnis van 25 juli 2025 opgedragen te bewijzen dat zij [gedaagde] per aangetekende brief van 7 oktober 2024 heeft geïnformeerd over de dag waarop de huurovereenkomst eindigt en dat die mededeling [gedaagde] heeft bereikt.
De uitkomst
2.3.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] het haar opgedragen bewijs niet heeft geleverd. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat het einde van de huurovereenkomst tijdig is aangezegd. De vorderingen worden daarom afgewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel komt.
De gegevens van POSTNL over de aflevering
2.4.
Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Een verklaring die de geadresseerde niet bereikt heeft echter wel werking, als dit niet bereiken het gevolg is van omstandigheden die, kort gezegd, in zijn risicosfeer liggen (artikel 3:37 lid 3 BW Pro). Als een verklaring wordt overgebracht door middel van een aangetekende brief, dan is het aan de verzender om te bewijzen dat de brief naar het juiste adres is verzonden en om aannemelijk te maken dat de aangetekende brief is aangeboden op de wijze die daartoe ter plaatse van bestemming is voorgeschreven [1] .
2.5.
Uit de door [eiseres] overgelegde bewijsstukken blijkt dat zij de aanzeggingsbrief op 7 oktober 2024 aangetekend aan [gedaagde] heeft verzonden. Dit staat op zich niet ter discussie tussen partijen.
2.6.
In de afleverprocedure van aangetekende brieven zoals die op de website van PostNL staat, die [eiseres] in het geding heeft gebracht, staat het volgende:
Post ophalen bij een PostNL-punt
We bewaren je aangetekende post 14 dagen
Niet thuis als we een aangetekende brief komen bezorgen? Dan kun je je post binnen 14 dagen afhalen bij een PostNL-punt in de buurt.
Hoe werkt het?
Aangetekende post proberen we 1 keer bij je te bezorgen. We bezorgen deze post nooit bij de buren.
Ben je niet thuis. Dan krijg je per e-mail of in de PostNL-app een melding van ons. Hebben we geen e-mailadres van je? Dan krijg je een niet-thuisbriefje op de deurmat. Daarmee kun je de post binnen 14 dagen afhalen. Neem het afhaalbericht en je legitimatiebewijs mee. Na 14 dagen sturen we je brief weer terug naar de afzender”.
2.7.
[eiseres] heeft een trackingbericht van PostNL overgelegd, waarin staat vermeld dat de brief op 10 oktober 2024 “beschikbaar bij de afhaallocatie” was. Volgens datzelfde bericht zouden er op 11 en 15 oktober 2024 notificaties zijn gestuurd (met omschrijving resp. “herinnering 1 dag PostNL-locatie” en “herinnering 5 dagen PostNL-locatie”) en zou de brief op 23 oktober 2023 geweigerd zijn.
2.8.
[gedaagde] heeft een Excel-bestand overgelegd met een zeer gedetailleerd overzicht van wat er met de brief van 7 oktober 2024 is gebeurd. De gegevens in dat Excel-bestand komen overeen met het bericht van PostNL dat [eiseres] heeft overgelegd, maar het bevat veel meer informatie. Onder meer het volgende wordt vermeld:
“De zending is op 7 oktober 2024 aangeboden om te laten bezorgen op het adres [adres] te [plaats] .
De bezorger heeft op 9 oktober 2024 een niet succesvolle bezorgpoging gedaan en heeft de zending hierna naar een afhaallocatie gebracht.
De geadresseerde kon hiervan niet op de hoogte gesteld worden omdat er geen mailadres bekend was binnen de systemen van PostNL.
De zending is na 7 dagen door de afhaallocatie op geweigerd gezet, omdat deze niet is afgehaald (geheel buiten de schuld van geadresseerde omdat deze niet op de hoogte is gesteld dat de zending daar aanwezig was).
De zending is hierop retour gegaan naar het adres van de verzender ( [adres 2] te [plaats] ). De zending kon niet op het retouradres bezorgd worden en is naar een ander PostNL-punt gegaan. Alwaar deze zending ook niet is afgehaald en op geweigerd gezet om deze weer terug in het verzendproces te krijgen.
Na een aantal bezorgingpogingen in het retourproces is de zending uiteindelijk naar het depot Onbestelbare Stukken gebracht, alwaar de zending een periode bewaard is gebleven en uiteindelijk vernietigd.”
2.9.
[gedaagde] heeft verder een brief van 8 september 2025 van [naam 1] van Zakelijke klantenservice PostNL overgelegd. In die brief wordt bevestigd dat PostNL het betreffende Excel-bestand aan [gedaagde] ter beschikking heeft gesteld en wordt de in de vierde alinea van 2.8 geciteerde tekst herhaald.
2.10.
[eiseres] heeft e-mailcorrespondentie met PostNL overgelegd, waaruit blijkt dat zij een aantal vragen heeft gesteld, die [naam 2] (Legal Counsel van PostNL Holding B.V.) op 17 oktober 2025 als volgt heeft beantwoord:
“(….) 2. Bedoelt PostNL met de formuleringen in de brief (o.a. “geheel buiten de schuld van de geadresseerde”, “niet op de hoogte gesteld”) een feitelijke vaststelling te doen op basis van interne loggegevens of betreft dit een klachtgerichte toelichting zonder (volledige) dossierverificatie?
Het “geheel buiten schuld van de geadresseerde omdat deze niet op de hoogte is gesteld dat de Zending daar aanwezig was” is door de medewerker gebaseerd op het feit dat zij geen e-mailnotificatie heeft ontvangen in combinatie met dat mevrouw zelf aangaf dat zij geen niet-thuis briefje heeft ontvangen. Dat er geen niet-thuis briefje is achtergelaten kan PostNL niet met zekerheid verifiëren omdat het een zending betreft uit 2024.
3. Kan worden uitgesloten dat er geen niet-thuisbriefje is achtergelaten en/of dat er een melding is uitgegaan naar enig e-mailadres dat mevrouw [gedaagde] eerder gebruikte?
Enkel dat mevrouw [gedaagde] geen e-mailnotificatie heeft ontvangen kan PostNL met zekerheid verifiëren”.
2.11.
Uit de overgelegde bewijsstukken blijkt dat de aangetekende brief niet bij [gedaagde] bezorgd is, maar naar de afhaallocatie is gebracht en daar niet door [gedaagde] is opgehaald. De vraag is echter of het feit dat de brief [gedaagde] niet heeft bereikt in haar risicosfeer ligt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat PostNL [gedaagde] er niet per e-mail van op de hoogte heeft kunnen stellen dat de brief kon worden opgehaald, omdat van haar geen e-mailadres bekend was. Ook staat vast dat PostNL niet meer kan verifiëren of er daadwerkelijk een afhaalbericht bij [gedaagde] in de bus is gedaan. [gedaagde] betwist dat een afhaalbericht bij haar is bezorgd en [eiseres] heeft geen bewijs geleverd van feiten en omstandigheden waaruit – ondanks die betwisting – zou blijken dat in het onderhavige geval daadwerkelijk een afhaalbericht is achtergelaten bij [gedaagde] . De kantonrechter komt daarom tot het oordeel dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij [gedaagde] op of kort na 10 oktober 2024 een bericht is achtergelaten dat er voor haar een aangetekende brief op de afhaallocatie lag die kon worden opgehaald [2] . Het enkele feit dat in de afleverprocedure van PostNL staat dat in een geval als dit een afhaalbericht wordt achtergelaten is onvoldoende om aan te nemen dat dat in dit geval daadwerkelijk is gebeurd
De verklaring van de heer [naam 3]
2.12.
[eiseres] heeft verder een verklaring overgelegd van de heer [naam 3] , die in oktober 2024 de buurman van [gedaagde] was. De heer [naam 3] heeft onder meer het volgende verklaard:
“Begin oktober 2024 vorig jaar ging de deurbel en stond er een medewerker van PostNL voor de deur, met een aangetekende brief voor mijn buurvrouw [gedaagde] . Mijn buurvrouw en haar zoon doen bijna nooit de deur open of gaan niet naar de hoorn om te vragen wie aan de voordeur staat, dus ik heb de deur voor de PostNL-medewerker opengedaan. Ik heb de buurvrouw geroepen. De man heeft meerdere keren gevraagd of zij de brief wilde ondertekenen, maar mijn buurvrouw weigerde dit. Ik was op dat moment boven in mijn studio en hoorde mijn buurvrouw schreeuwen, zoals zij dit vaker doet. Uiteindelijk heeft de medewerker zijn leidinggevende gebeld, die adviseerde om de brief mee te nemen”.
2.13.
De kantonrechter hecht geen waarde aan de bovengenoemde verklaring van de heer [naam 3] . [gedaagde] heeft de verklaring betwist. De inhoud van de verklaring is niet te verenigen met de gegevens van PostNL die beide partijen in het geding hebben gebracht, waaruit blijkt dat de aangetekende brief niet bezorgd kon worden, dat die vervolgens naar de ophaallocatie is overbracht en pas geruime tijd later als geweigerd is geregistreerd, omdat de brief niet werd opgehaald. De gegevens van PostNL bieden geen enkele aanwijzing dat er sprake is geweest van een woordenwisseling tussen [gedaagde] en de postbezorger, die de postbezorger heeft genoopt om telefonisch overleg met zijn leidinggevende te hebben. Uit de verklaring blijkt ook niet overtuigend dat het vermeende incident, als dat al zou hebben plaatsgevonden, betrekking zou hebben op de aangetekende brief waarover het in deze procedure gaat. Zo blijkt uit de verklaring bijvoorbeeld niet op welke datum het vermeende incident zich zou hebben afgespeeld.
Het niet betwisten van de brief van 21 december 2024
2.14.
[eiseres] voert verder aan dat dat [gedaagde] de inhoud van een e-mail van de gemachtigde van [eiseres] van 21 december 2024 niet betwist heeft en dat daaruit moet worden afgeleid dat [gedaagde] de aanzegbrief moet hebben ontvangen. In die e-mail heeft de gemachtigde gemeld dat de huurovereenkomst op 31 december 2024 zou eindigen.
2.15.
De kantonrechter is van oordeel dat, anders dan [eiseres] meent, uit het feit dat [gedaagde] naar aanleiding van de e-mail van de gemachtigde [eiseres] van 21 december 2024 niet expliciet betwist heeft dat de huurovereenkomst per 31 december 2024 zou eindigen, niet kan worden afgeleid dat zij de aanzegbrief wel moet hebben ontvangen. Het is evenzeer denkbaar dat [gedaagde] , die op dat moment (naar de kantonrechter begrijpt) tijdelijk geen gemachtigde had, niet op de hoogte was van het rechtsgevolg van het niet versturen van een aanzegbrief. In ieder geval levert het niet betwisten van de inhoud van die e-mail geen bewijs op voor de stelling van [eiseres] dat de brief van 7 oktober 2024 geacht moet worden [gedaagde] te hebben bereikt.
De brief per gewone post
2.16.
[eiseres] heeft ook bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat de brief van 7 oktober 2024 ook per gewone post aan [gedaagde] is verstuurd. [gedaagde] betwist echter dat zij die brief heeft ontvangen. Het bewijs op dit punt valt strikt genomen buiten de bewijsopdracht, die alleen betrekking heeft op de aangetekende brief. Hoe het ook zij, nu [eiseres] geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat de brief die per gewone post is verzonden ook daadwerkelijk bij [gedaagde] is aangekomen, heeft [eiseres] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat die brief [gedaagde] heeft bereikt.
De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen
2.17.
Op grond van het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] het einde van de huurovereenkomst niet tijdig heeft aangezegd, zodat de huurovereenkomst niet van rechtswege is geëindigd. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.
2.18.
[eiseres] vordert, na vermeerdering van eis, tevens ontruiming van het gehuurde. [gedaagde] heeft tegen die eisvermeerdering bezwaar gemaakt. Nu de kantonrechter tot het oordeel komt dat de huurovereenkomst niet van rechtswege is geëindigd moet reeds op die grond de vordering tot ontruiming worden afgewezen. Het bezwaar tegen de eisvermeerdering hoeft daarom niet te worden besproken.
Huurachterstand
2.19.
In haar akte van 23 oktober 2025 stelt [eiseres] dat sprake zou zijn van een forse huurachterstand. Zij maakt niet duidelijk welk rechtsgevolg zij daaraan wil verbinden, maar stelt slechts zich op dit punt alle rechten voor te behouden. De kantonrechter gaat daarom aan deze stelling voorbij.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
2.20.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan [gedaagde] moet betalen op € 868,- aan salaris voor de gemachtigde (4 punten x € 217,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.012,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.21.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard voor wat betreft de proceskostenveroordeling, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.012,-;
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
821