De rechtbank Rotterdam behandelde op 2 maart 2026 een zaak over het ouderlijk gezag en de zorgregeling van een minderjarige geboren in 2020. De vrouw verzocht om eenhoofdig gezag, terwijl de man verweer voerde en een raadsonderzoek bepleitte. De rechtbank oordeelde dat het gezamenlijk gezag gehandhaafd kon blijven omdat er geen onaanvaardbaar risico was dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders.
De vrouw stelde dat de man misbruik maakte van zijn gezag door toestemming te weigeren voor vaccinaties en hulpverlening, maar de rechtbank vond deze voorbeelden onvoldoende zwaarwegend. De rechtbank benadrukte het belang van hulpverlening om de communicatie tussen partijen te verbeteren en waarschuwde de man dat bij uitblijven van verbetering het gezamenlijk gezag mogelijk niet gehandhaafd kan blijven.
Daarnaast wijzigde de rechtbank de zorgregeling omdat de minderjarige inmiddels naar school gaat. De regeling werd aangepast zodat beide ouders in het weekend tijd met het kind kunnen doorbrengen en de vakanties werden praktisch geregeld, inclusief het gebruik van de identiteitskaart door de ouder met wie het kind op vakantie gaat. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten.