Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2899

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
12062407 VV EXPL 26-33
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing ontruiming wegens huurachterstand en gewijzigde omstandigheden

Eiseres huurt sinds november 2021 een woning van Spring Properties en heeft een huurachterstand opgebouwd. Spring Properties heeft de huurovereenkomst laten ontbinden en ontruiming gevorderd, wat door de kantonrechter in januari 2024 is toegewezen. Eiseres start een executiegeschil om de ontruiming te voorkomen, stellende dat zij inmiddels de huur maandelijks betaalt en dat haar dochter in het eindexamenjaar zit.

De kantonrechter oordeelt dat het vonnis onherroepelijk is en dat schorsing van de ontruiming alleen mogelijk is bij misbruik van bevoegdheid. Er is geen sprake van een juridische of feitelijke misslag in het vonnis. De vermeende nieuwe feiten worden niet als zodanig erkend: het eindexamenjaar van de dochter is een voorzienbaar gevolg van tijdsverloop en het verbeterde betalingsgedrag is onvoldoende onderbouwd en betwist door Spring Properties.

Ook als de huur inmiddels structureel op tijd zou worden betaald, is dat geen reden voor schorsing omdat geen noodtoestand ontstaat. De kantonrechter wijst het verzoek af en veroordeelt eiseres in de proceskosten. Hij moedigt partijen aan alsnog tot afspraken te komen over een ruimere ontruimingstermijn, maar benadrukt dat eiseres het er op heeft laten aankomen.

Uitkomst: Verzoek tot schorsing van de ontruiming wordt afgewezen; eiseres moet woning ontruimen en proceskosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12062407 VV EXPL 26-33
datum uitspraak: 30 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: [woonplaats]
eiseres,
gemachtigde: mr. I.B. Jansen,
tegen
Spring Properties C S.A.R.L.,
vestigingsplaats: Luxemburg,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.A. Visser.
De partijen worden ‘ [eiseres] ’ en ‘Spring Properties’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 21 januari 2026, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de mail met aanvullende bijlage 11 van [eiseres] ;
1.2.
Op 30 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: mevrouw [eiseres] , bijgestaan door haar gemachtigde mr. I.B. Jansen. Tevens was aanwezig de gemachtigde van Spring Properties, mr. M.A. Visser.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
[eiseres] huurt sinds 22 november 2021 de woning aan de [adres] van Spring Properties. Er is een huurachterstand ontstaan. Spring Properties heeft daarom bij dagvaarding van 23 mei 2022 de kantonrechter (onder meer) verzocht om de huurovereenkomst te ontbinden en [eiseres] te veroordelen de woning te verlaten. De kantonrechter heeft in het vonnis van 19 januari 2024 met kenmerk 9912265 CV EXPL 22-16979 (hierna: het vonnis) de eis van Spring Properties toegewezen.
2.2.
Spring Properties wil de woning op 3 februari 2026 gedwongen ontruimen. [eiseres] wil dit voorkomen en is daarom dit executiegeschil begonnen. [eiseres] voert aan dat zich na het vonnis nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, namelijk dat zij inmiddels de huur elke maand betaalt en dat zij dat ook kan blijven doen in de toekomst. Ook geeft [eiseres] aan dat haar oudste dochter op dit moment in haar eindexamenjaar zit van de middelbare school. [eiseres] vordert daarom dat de executie van het vonnis wordt geschorst zolang zij tijdig en volledig de huur betaalt, met een minimum periode van zes maanden.
2.3.
De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] af. Dat betekent dat Spring Properties de woning mag ontruimen. Hierna zal worden uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
[eiseres] heeft een spoedeisend belang
2.4.
Het spoedeisend belang bij een executiegeschil als dit is een gegeven. De spoedeisendheid is door Spring Properties ook niet betwist.
Schorsing van de tenuitvoerlegging kan alleen indien sprake is van misbruik van bevoegdheid
2.5.
[eiseres] is in het vonnis van 19 januari 2024 veroordeeld om de woning te ontruimen. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. Omdat de termijn waarbinnen hoger beroep kan worden ingesteld inmiddels is verstreken, staat er geen rechtsmiddel meer open tegen het vonnis van 19 januari 2024 en is de uitspraak onherroepelijk geworden. Dat betekent dat de kantonrechter de tenuitvoerlegging van het vonnis (in dit geval de ontruiming van de woning) alleen kan verbieden of schorsen indien de tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid oplevert (artikel 3:13 BW Pro) [1] . Daarvan kan sprake zijn als het vonnis berust op een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag of als de ontruiming op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand zal doen ontstaan voor [eiseres] , waardoor een onmiddellijke tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is.
Spring Properties maakt geen misbruik van haar bevoegdheid
2.6.
Dat het vonnis berust op een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag is niet gesteld of gebleken. Ter beoordeling ligt daarom de vraag voor of Spring Properties misbruik van bevoegdheid maakt doordat op grond van nieuwe feiten of omstandigheden als gevolg van de ontruiming een noodtoestand voor [eiseres] zal ontstaan.
2.7.
[eiseres] stelt dat zich nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan. Zij voert daartoe aan dat haar dochter inmiddels in het eindexamenjaar van de middelbare school zit en dat een ontruiming op dit moment voor haar dochter bijzonder ingrijpend zou zijn. Daarnaast stelt [eiseres] dat haar gewijzigde betalingsgedrag als nieuw feit moet worden aangemerkt, nu zij naar eigen zeggen de huur maandelijks betaalt en sinds mei 2025 geen huurachterstand meer heeft.
2.8.
De kantonrechter volgt [eiseres] niet in haar stellingen. Allereerst kan het feit dat de dochter van [eiseres] zich nu in haar eindexamenjaar bevindt niet worden aangemerkt als een ‘nieuw’ feit maar enkel als een (voorzienbaar) gevolg van het verstrijken van de tijd na het vonnis. Ten aanzien van de gestelde verbetering in het betalingsgedrag van [eiseres] geldt het volgende. Spring Properties heeft tijdens de zitting gemotiveerd betwist dat [eiseres] op dit moment de huur tijdig en volledig betaalt. Volgens haar betaalt [eiseres] nog steeds met regelmaat de huur te laat en wordt ook de vanaf juli 2025 doorgevoerde huurverhoging door [eiseres] niet betaald. [eiseres] heeft op dit punt ook geen stukken overgelegd die haar (nadere) stellingen onderbouwen. Zo is juist erkend dat de huur iedere maand te laat wordt voldaan en zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij nog steeds hulp van de gemeente zou ontvangen. Gelet op de door Spring Properties overgelegde stukken waaruit volgt dat zij zich aan dergelijke hulp heeft onttrokken, had dat wel van haar mogen worden verwacht. Ook heeft [eiseres] geen enkel inzicht gegeven in haar financiële situatie. Gelet op de schuldenproblematiek van [eiseres] in het verleden, namelijk de drie moratorium verzoeken en de respectievelijk € 30.000,- en € 40.000,- die zij heeft ontvangen van de belastingdienst en de gemeente, had dit zonder meer op haar weg gelegen. Dat zij daarom haar betalingsgedrag heeft verbeterd en dat er weer sprake is van een structureel correct betalingsgedrag, is daarom niet komen vast te staan. Daarbij merkt de kantonrechter op dat, ook indien wel zou komen vast te staan dat [eiseres] de huur inmiddels structureel op tijd en volledig betaalt, dit nog steeds geen aanleiding is om de executie van het vonnis te schorsen. Vereist is namelijk dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die een noodtoestand doen opleveren. Daar is in dit geval geen sprake van.
2.9.
Gelet op het bovenstaande ziet de kantonrechter binnen het beperkte toetsingskader van dit executiegeschil, hoe ingrijpend de gevolgen voor [eiseres] ook zijn, geen grond om de tenuitvoerlegging van de ontruiming te schorsen. De kantonrechter merkt daarbij nog op dat hij partijen aan het slot van de mondelinge behandeling nog in overweging heeft gegeven om onderling een ruimere periode van ontruiming overeen te komen, maar partijen zijn niet tot een vergelijk gekomen. Hij spreekt de hoop uit dat [eiseres] en Spring Properties alsnog tot afspraken kunnen komen ten aanzien van een ruimere termijn, zij het dat [eiseres] het er echt op aan heeft laten komen en Spring Properties twee jaar lang van alles heeft gedaan om juist deze situatie te voorkomen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan Spring Properties moet betalen op € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 678,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit proces-verbaal wordt betekend.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de eisen van [eiseres] af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van Spring Properties worden begroot op € 678,-;
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
64362

Voetnoten

1.Hoge Raad 20 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, r.o. 5.7.1 & 5.3.3.