ECLI:NL:RBROT:2026:2911

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
ROT 26/1257
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:29 APV Rotterdam 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen terugbrengen sluitingstijd horeca wegens geluidsoverlast

De burgemeester van Rotterdam heeft besloten om de sluitingstijd van een café met drie uur te vervroegen voor de duur van één maand en het café een jaar lang te verbieden gebruik te maken van incidentele ontheffingen, vanwege een geconstateerde overschrijding van de geluidsnormen op 24 oktober 2025.

Verzoeker betwist de toerekening van de geluidsoverlast aan zijn café en stelt dat de overlast afkomstig is van een naastgelegen horecagelegenheid. Ook voert hij aan dat sinds de overtreding geen geluidsoverlast meer is geconstateerd en dat de maatregel onredelijke financiële gevolgen heeft.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester terecht heeft mogen afgaan op de deskundige meetrapporten van de DCMR en dat de maatregel proportioneel en geschikt is om de openbare orde en het leefklimaat te beschermen. Het spoedeisend belang is aanwezig, maar de schorsing van het besluit wordt opgeheven en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De uitspraak bindt niet in een bodemprocedure en er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het terugbrengen van de sluitingstijd van het café wordt afgewezen en de schorsing van het besluit wordt opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1257

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. I.A. Kamans),
en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, de burgemeester

(gemachtigde: mr. C.W. de Jong).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de sluitingstijd van de horeca-inrichting ‘ [naam horecagelegenheid 1] ’ (het café) terug te brengen met drie uur voor de duur van één maand en het café te verbieden om gebruik te maken van incidentele ontheffingen voor de duur van één jaar. Verzoeker is het niet met het besluit eens. De voorzieningenrechter heft in deze uitspraak de schorsing van het besluit op en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af
.Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht de burgemeester het bestreden besluit nemen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 9 februari 2026 heeft de burgemeester beslist om de sluitingstijd van het café terug te brengen met drie uur voor de duur van één maand en het café te verbieden om gebruik te maken van incidentele ontheffingen (geluidjes en verlaatjes) voor de duur van één jaar. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft op 11 februari 2026 een ordemaatregel getroffen, waarin het bestreden besluit is geschorst.
2.2.
Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] namens verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van de burgemeester en mr. S.A. de Roo en [persoon B] namens de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het in deze zaak om?
3. In de avond van 24 oktober 2025 hebben toezichthouders van de DCMR een controle uitgevoerd bij het café. De aanleiding van de controle was een klacht over muziekgeluid. De toezichthouders hebben geconstateerd dat op 24 oktober 2025 tussen 23:00 en 23:30 uur sprake was van een overschrijding van 9 dB(A) van het toegestane geluid. Dit blijkt uit het meetrapport van 28 oktober 2025 en het verslag van 17 november 2025.
4. De burgemeester heeft naar aanleiding van de informatie van de DCMR besloten om de sluitingstijd van het café terug te brengen met drie uren voor de duur van een maand. Dit betekent dat het café een maand lang van zondag tot en met donderdag om 22:00 moet sluiten en op vrijdag en zaterdag op 00:00 uur moet sluiten. Ook heeft de burgemeester besloten het café te verbieden om gebruik te maken van incidentele ontheffingen (geluidjes en verlaatjes) voor de duur van één jaar.
5. Verzoeker is het niet met het besluit eens. Verzoeker betwist de meetresultaten zoals die door de DCMR zijn geconstateerd in die zin dat de DCMR ten onrechte het geluid heeft herleid tot het café. Verzoeker heeft eerder de sluitingstijd van zijn café moeten inperken vanwege geluidsoverlast, waardoor hij vanaf 10 januari 2025 helemaal geen muziek meer draait. De geluidsoverlast moet van de naastgelegen horeca-inrichting (’ [naam horecagelegenheid 2] ’) zijn gekomen. Daar komt bij dat sinds 24 oktober 2025 geen geluidsoverlast meer heeft plaatsgevonden. Het is gelet op dit tijdsverloop onredelijk om de maatregel nog op te leggen. Bovendien zal het bestreden besluit veel financiële gevolgen met zich brengen. In de uren dat het café eerder dicht moet wordt namelijk de meeste omzet gemaakt. Verzoeker wil met het verzoek om voorlopige voorziening bereiken dat het bestreden besluit (na de reeds getroffen ordemaatregel) geschorst blijft, zodat hij voorlopig normale openings- en sluitingstijden kan voortzetten.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
6. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.
7. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat het spoedeisend belang ontbreekt, nu het niet gaat om een sluiting van het café. Volgens de burgemeester heeft verzoeker, met een algemene verklaring van de boekhouder, onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een spoedeisend belang.
8. De voorzieningenrechter heeft eerder een ordemaatregel getroffen, gelet op de zwaarwegende gevolgen van het besluit voor verzoeker. Verzoeker heeft een verklaring overgelegd van zijn boekhouder, waarin staat dat de maatregel het café onevenredig zwaar zal treffen omdat de verplichte vervroegde sluiting juist ziet op de drukste uren van de onderneming waarin normaal gesproken het grootste deel van de omzet wordt gerealiseerd. Hierdoor lijdt het café direct en structureel omzetverlies. Daarnaast zullen klanten wegblijven en uitwijken naar andere ondernemingen. De vaste lasten lopen echter door. De voorzieningenrechter ziet in het vorenstaande een voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
9. Omdat bij uitspraak van 11 februari 2026 een ordemaatregel is getroffen, ligt in deze procedure voor of deze moet worden gehandhaafd, opgeheven of gewijzigd. De voorzieningenrechter oordeelt dat de schorsing van het bestreden besluit wordt opgeheven en dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
9.1.
Op basis van artikel 2:29, tiende lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV), voor zover hier van belang, kan de burgemeester in het belang van de openbare orde of het woon- of leefklimaat voor een of meer (categorieën van) openbare inrichtingen de geldende openings- en sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken, dan wel andere openings- en sluitingstijden vaststellen. Ook kan de burgemeester op basis van artikel 2:29, twaalfde lid, van de APV een verbod opleggen een festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien naar zijn oordeel het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. In de Horecanota, stedelijk beleidskader vergunningen, toezicht en handhaving (de horecanota) staan in het handhavingsarrangement (hoofdstuk 6) de gevolgen van een overtreding en welke bestuurlijke maatregel alsdan wordt getroffen.
9.2.
Tussen partijen is allereerst niet in geschil dat sprake is van een geconstateerde overschrijding van de geluidsnormen. De vraag die partijen verdeeld houdt is of de overschrijding moet worden toegeschreven aan verzoeker. Verzoeker stelt in dat kader dat het naastgelegen café de bron is van de geluidsoverlast en dat sprake is van vermenging van geluid. Verzoeker heeft gesteld dat in het naastgelegen café op de betreffende avond live muziek was, en gewezen op de dunne muren en de ligging van de nooddeuren waardoor vermenging van geluid kan ontstaan. De voorzieningenrechter constateert evenwel dat de DCMR in het meetrapport van 24 oktober 2025 tot de conclusie is gekomen dat de gemeten geluidsoverlast is te herleiden tot het café van verzoeker, en niet is gekomen van het naastgelegen café. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de burgemeester heeft mogen afgaan op de meetrapporten van de DCMR als deskundige ten aanzien van de geconstateerde geluidsoverschrijding. Naar aanleiding van het zienswijzegesprek heeft de burgemeester bij de toezichthouders nagevraagd of toch geen sprake kan zijn geweest van vermenging. Daarop is op 15 januari 2026 door de toezichthouders aangegeven dat vanuit het naastgelegen café ten tijde van hun bezoek alleen heel licht muziekgeluid hoorbaar was wanneer de voordeur werd geopend, dit - voor zover zij konden beoordelen - geen live-band betrof en het niet meer dan achtergrondmuziek was. In de directe omgeving domineerde het muziekgeluid uit het café van verzoeker. Tijdens de geluidmeting was maar één muziekstuk te herkennen, dat duidelijk herkenbaar dezelfde muziek was als zij buiten afkomstig uit het café van verzoeker hebben waargenomen. Ook op de opnames van de geluidmeting is maar één muziekstuk terug te horen, zodat geen sprake is van vermenging, aldus de toezichthouders. Verzoeker heeft vooralsnog geen (objectieve) informatie ingebracht die doet twijfelen aan de bevindingen van de DCMR en de conclusies die daaruit zijn getrokken. Omdat sprake is van geconstateerd geluidsoverlast die kan worden toegeschreven aan verzoeker, mocht de burgemeester in beginsel overgaan tot het treffen van een bestuurlijke maatregel conform het handhavingsarrangement opgenomen in de horecanota.
9.3.
De voorzieningenrechter komt daarnaast tot de conclusie dat de burgemeester in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van haar bevoegdheid. De burgemeester heeft het opleggen van de bestuurlijke maatregel in het bestreden besluit noodzakelijk en geschikt mogen achten ter herstel van de openbare orde en om herhaling te voorkomen. Een vervroeging van de sluitingstijden is immers een geschikt middel om geluidsoverlast te voorkomen gedurende de uren waarin dit het meest te verwachten is. Hoewel enige maanden zijn verstreken tussen de geconstateerde geluidsoverlast en het bestreden besluit, heeft de burgemeester op de zitting toegelicht dat zij op 23 december 2025 het voornemen heeft uitgebracht en dat vervolgens een zienswijzeprocedure is gevolgd. De voorzieningenrechter ziet daarom in het tijdsverloop geen reden om tot een ander oordeel te komen. Ook kan de voorzieningenrechter het standpunt van de burgemeester volgen dat voldoende rekening is gehouden met de noodzakelijkheid van de bestuurlijke maatregel door nogmaals te kiezen voor onder meer een beperking van de sluitingstijden. De burgemeester had er ook voor kunnen kiezen om het café gedurende één maand te sluiten aangezien de geluidsoverlast van 24 oktober 2025 de derde constatering van een dergelijke overtreding betrof. Dat bij latere controles van de DCMR geen overtreding van de geluidsnormen is geconstateerd bij het café, legt daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal.
9.4.
Het is de voorzieningenrechter ook verder niet gebleken dat het bestreden besluit dusdanig onevenredig is voor verzoeker dat de burgemeester het bestreden besluit niet had mogen opleggen. Het is onvoldoende duidelijk geworden dat het bestreden besluit tot onevenredige financiële gevolgen zal leiden voor het café. Verzoeker heeft weliswaar aangevoerd dat de meeste omzet in de laatste uren wordt behaald en dat de vervroeging van de sluitingstijden zal zorgen voor het teruglopen van klandizie ook in de toekomst, maar verzoeker heeft geen bewijsstukken ingediend over zijn liquiditeitssituatie. De verklaring van de boekhouder is daarvoor onvoldoende. Verzoeker heeft op de zitting aangevoerd dat zijn vaste lasten ongeveer € 3.000,- per maand zijn. De voorzieningenrechter neemt dit aan. Het is echter onvoldoende gebleken dat verzoeker de gestelde terugloop van zijn inkomsten gedurende één maand niet zou kunnen dragen. Daar komt bij dat de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van verzoeker door over te gaan tot onder meer een vervroeging van de sluitingstijden en niet tot de sluiting van het café gedurende één maand. Doordat de burgemeester voor een minder ingrijpende maatregel heeft gekozen, blijft het daarbij voor verzoeker mogelijk nog (enige) omzet te genereren in de tijden dat het café wel open mag zijn.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter heft de schorsing van het bestreden besluit op en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Dat betekent dat verzoeker zich vooralsnog moet houden aan de door de burgemeester opgelegde sluitingstijden en de beperking van de incidentele ontheffingen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- heft de schorsing van het bestreden besluit zoals dat is bepaald in de uitspraak van 11 februari 2025 op;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.