Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:2931

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/10/704736 / FA RK 25-6064
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ex-partner niet-ontvankelijk in verzoek vervangende toestemming verhuizing minderjarige

De vrouw verzocht de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing van de minderjarige naar een andere plaats en de inschrijving op een nieuwe school. De man, ex-partner en medeouder, maakte inmiddels geen bezwaar meer tegen deze verhuizing en schoolkeuze. Hierdoor verviel het belang van de vrouw bij het verzoek en werd zij niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank constateerde dat de vrouw en de minderjarige reeds verhuisd zijn en dat de man en de minderjarige al geruime tijd weinig contact hebben, voornamelijk sporadisch telefonisch. De minderjarige gaf aan graag contact te willen met de man, maar vindt dat hij het initiatief moet nemen.

De rechtbank benadrukte dat het initiatief voor contactherstel bij de man ligt en moedigde partijen aan om samen te werken aan verbetering van de zorgregeling. De vrouw werd opgedragen de man te informeren over het welzijn en de interesses van de minderjarige totdat het contact beter is. Beide partijen werden gecomplimenteerd met hun inzet en een gepland gesprek in de kerstvakantie om het contact te herstellen.

Ten slotte bepaalde de rechtbank dat elke partij haar eigen proceskosten draagt. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om vervangende toestemming voor verhuizing, en partijen krijgen aanwijzingen voor contactherstel tussen man en minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/704736 / FA RK 25-6064
Beschikking van 3 februari 2026 over vervangende toestemming op grond van artikel 1:253a BW
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats ] ,
advocaat mr. I.K. Oosterveen te Rotterdam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats ] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 06 augustus 2025;
  • het bericht, met bijlage van de vrouw, ingekomen op 17 augustus 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 december 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
1.3.
De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft op 18 december 2025 een gesprek gehad met de kinderrechter op de rechtbank.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .
2.3.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

3.De beoordeling

3.1.
Verzoeken tot verhuizing en schoolinschrijving
3.1.1.
De vrouw verzoekt haar vervangende toestemming te verlenen met de minderjarige naar [plaatsnaam] (Limburg) te verhuizen en de minderjarige in te schrijven op het [naam school] aldaar.
3.1.2.
De man verweert zich niet (meer) tegen de verzoeken.
3.1.3.
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de betreffende minderjarige(n) wenselijk voorkomt.
3.1.4.
Ter zitting is geconstateerd dat de vrouw reeds is verhuisd en de minderjarige naar de middelbare school gaat waarvoor toestemming wordt gevraagd. De man heeft in elk geval verklaard dat hij geen bezwaren (meer) heeft tegen die verhuizing en schoolinschrijving. Daarmee is het belang van de vrouw bij de vangende toestemmingen van de rechtbank komen te vervallen. Zij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
3.2.
Zorg voor de minderjarige
3.2.1.
De man wenst, lost van de verhuizing, wel het contact tussen hem en de minderjarige te herstellen. Op dit moment hebben de man en de minderjarige elkaar al een lange tijd niet gezien en hebben zij enkel via de telefoon sporadisch contact met elkaar. De minderjarige heeft aangegeven dat zij graag contact wil met de man, zij vindt wel dat de man initiatief moet nemen dit te realiseren.
3.2.2.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat zij dit contact niet in de weg zal staan en bereid is om minimaal één keer per maand met de minderjarige naar Rotterdam af te reizen, zodat de man en de minderjarige elkaar dan kunnen zien. De man heeft op de mondelinge behandeling uitgelegd dat hij de minderjarige juist vrijheid wilde geven in het contact met hem en daarom besloot het initiatief bij de minderjarige neer te leggen.
3.2.3.
De rechtbank heeft met de man besproken dat hij als ouder degene is die het initiatief en het voortouw moet nemen in het herstellen van het contact met de minderjarige.
Op dit moment loopt de uitvoering van de zorgregeling niet goed. De rechtbank raadt partijen aan om hier aan te gaan werken. Indien het hen niet lukt om dit samen te verbeteren, zouden zij zich kunnen wenden tot het wijkteam.
3.2.4.
De rechtbank wil ook complimenten geven aan partijen voor de stap die zij op de mondelinge behandeling al hebben gezet richting contactherstel. Partijen hebben namelijk een gesprek gepland in de kerstvakantie om het contact tussen de minderjarige en de man weer op gang te krijgen. Het is de wens van de minderjarige contact te hebben met de man, dus de rechtbank verwacht dat partijen dit contact ook zullen faciliteren en stimuleren. Dit houdt aan de kant van de vrouw in dat zij de minderjarige de gelegenheid moet geven contact te hebben met de man. Aan de kant van de man betekent het dat hij ook bij tegenwind actief betrokken blijft in het leven van de minderjarige en het contact niet te makkelijk laat lopen. Het initiatief moet immers bij partijen liggen, niet bij de minderjarige.
3.2.5.
Tot slot is het ook de taak van de vrouw om de man op de hoogte te houden van het wel en wee van de minderjarige. Zodra het contact tussen de man en de minderjarige beter is, zal de man tijdens de contacten zelf het een en ander van de minderjarige meekrijgen, maar zolang dit nog niet het geval is, is de vrouw de aangewezen persoon om de man ook te informeren over wat de minderjarige bezig houdt en wat haar interesses zijn. Op die manier kan de man ook beter aansluiting vinden bij de minderjarige en dit is in haar belang.
3.3.
Proceskosten
3.3.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk;
4.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, voorzitter en (kinder)rechter, mr. K. Bakker en mr. I.J. Pieters, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. B.J. Louter, griffier, op 3 februari 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.