Verzoekster heeft op 7 oktober 2025 een aanvullende bijstandsuitkering aangevraagd naast haar WW-uitkering. Het college heeft deze aanvraag op 20 november 2025 afgewezen omdat haar inkomsten hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm. Verzoekster maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster sinds het overlijden van haar zus in december 2023 geen huur meer betaalt, hoewel zij zich nog als huurplichtig beschouwt en maandelijks een bedrag reserveert. Deze reservering wordt niet als daadwerkelijke woonlast meegenomen omdat het geld bij haar blijft en er geen afdwingbare betalingsverplichting is. Het college heeft de bijstandsnorm berekend op basis van een alleenstaande zonder woonlasten, wat resulteert in een norm die lager is dan haar netto WW-uitkering inclusief vakantietoeslag.
Hoewel verzoekster stelt dat zij onder het bestaansminimum leeft en moeite heeft met het betalen van noodzakelijke kosten, zijn deze kosten niet voldoende onderbouwd en is er geen dreiging van afsluiting of huisuitzetting. De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoekster wordt geadviseerd tijdig een nieuwe bijstandsaanvraag te doen na het einde van haar WW-uitkering op 3 maart 2026.