ECLI:NL:RBROT:2026:3006

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
09-032077-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 55 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen opzettelijk ontploffing en vernieling met deels vrijspraak levensgevaar

De rechtbank Rotterdam heeft op 29 januari 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een toen zeventienjarige verdachte die samen met anderen op 15 oktober 2023 in Den Haag een ontploffing teweegbracht bij een café door een Cobra 6 af te steken, waarbij schade ontstond aan het pand. De verdachte werd medepleger van opzettelijke ontploffing en vernieling verklaard, maar deels vrijgesproken van het bestanddeel levensgevaar en gemeen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank baseerde haar oordeel op de bekentenis van de verdachte en diverse proces-verbalen, waarbij het bewijs als wettig en overtuigend werd beoordeeld. De rechtbank nam tevens rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering mee, die een positieve ontwikkeling en een laag risico op recidive constateerden. De verdachte had zich goed aan schorsingsvoorwaarden gehouden en leefde in een stabiele thuissituatie.

Gezien de ernst van het delict, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een overschrijding van de redelijke termijn met vijf maanden, legde de rechtbank een jeugddetentie van 100 dagen op, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. Het onvoorwaardelijke deel werd gelijkgesteld aan de duur van het voorarrest, zodat de verdachte niet terug hoeft naar de jeugdinrichting en zijn positieve ontwikkeling kan voortzetten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 100 dagen jeugddetentie, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, en deels vrijgesproken van levensgevaar.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd
Parketnummer: 09-032077-24
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1], [postcode] te [plaatsnaam],
raadsvrouw: mr. F.G.T. Meershoek, advocaat te Den Haag.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 29 januari 2026.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Verhoeven-Ivankovic heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde, met partiele vrijspraak van het bestanddeel levensgevaar en/of het gemeen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, en het onder 2 ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, en met een proeftijd van twee jaren.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde bestanddeel levensgevaar en/of gemeen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verdachte zal hiervan partieel worden vrijgesproken.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij op
of omstreeks15 oktober 2023 te 's-Gravenhage,
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen, aan/bij
/opeen
pand gelegen aan [adres 2] ([naam café]) opzettelijk een
ontploffing teweeg heeft gebracht door open vuur in aanraking te brengen met een
explosief (Cobra 6),
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten goederen in dat pand
en/of (belendende)woningen en/of panden en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te wetenomstanders/voorbijgangerste duchten was.
2
hij op
of omstreeks15 oktober 2023 te 's-Gravenhage
opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten
(een ruit en
/ofdeel van de
gevel van
)het pand gelegen aan [adres 2] ([naam café])
,in elk geval enig goed,geheel
of ten deletoebehorende aan [naam 1]
, inelk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,heeft vernield en/of
beschadigd
en/of onbruikbaar gemaakt.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
De eendaadse samenloop van:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De destijds zeventienjarige verdachte heeft samen met anderen midden de nacht op [naam café] in Den Haag een cobra 6 geplakt en afgestoken. Hierdoor is er schade ontstaan aan de ruit en een deel van de gevel van het café. Het teweegbrengen van een ontploffing bij een bedrijfspand is een ernstig strafbaar feit en een zeer intimiderende vorm van geweld. Het zorgt in de samenleving voor grote gevoelens van onrust en onveiligheid en maakt een forse inbreuk op de rechtsorde. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij een dergelijk ernstig misdrijf heeft willen plegen, enkel voor financieel gewin.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
7.3.2.
Rapportages en verklaring van een deskundige op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming(hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 19 december 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. De Raad ziet dat de risicofactoren die de kans op herhaling van delictgedrag verhogen liggen binnen de domeinen vrije tijd, middelengebruik, school en werk. De verdachte is daarnaast kwetsbaar en functioneert mogelijk met verminderde cognitieve vermogens. Desalniettemin schat de Raad de kans op herhaling van delictgedrag laag in. De verdachte heeft zich in de afgelopen anderhalf jaar goed aan de schorsingsvoorwaarden gehouden, heeft spijt betuigd en inzicht verkregen in zijn gedrag en de gevolgen daarvan. Hij is vader geworden en in staat gebleken om goede keuzes te maken. De verdachte heeft bovendien een steunend netwerk. Het is van belang dat de verdachte stabiliteit en rust ervaart, zodat hij zijn positieve ontwikkeling kan voortzetten. De Raad adviseert daarom een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Er wordt geen meerwaarde gezien voor aanvullende begeleiding vanuit de jeugdreclassering.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: te noemen de jeugdreclassering)heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 20 januari 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Hoewel er eerder zorgen waren over de verdachte, zijn de risicofactoren die de kans op herhaling verhogen nu minder aanwezig. De (thuis)situatie van de verdachte is positief veranderd. De verdachte heeft werk en woont bij zijn vader, alwaar hij de duidelijkheid en stabiliteit ervaart die hij nodig heeft. De verdachte heeft zich de afgelopen anderhalf jaar goed aan de schorsingsvoorwaarden gehouden, meegewerkt aan de begeleiding en hij is niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. De jeugdreclassering adviseert een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie de duur van het voorarrest niet overschrijdt en met een minimale proeftijd.
De jeugdreclassering, vertegenwoordigd door [naam 2], heeft ter zitting aanvullend naar voren gebracht dat er geen meerwaarde wordt gezien in verdere begeleiding van de verdachte. De verdachte woont inmiddels bij de vader en het contact met hem is goed. De verdachte heeft daarnaast een coach waarmee hij gesprekken voert over het maken van keuzes en omgang met vrienden.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte kende ten tijde van het plegen van de strafbare feiten veel instabiliteit. Inmiddels is de (thuis)situatie van de verdachte verbeterd en doet hij zijn best om zich positief te ontwikkelen. Verder houdt de rechtbank rekening met het feit dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met 5 maanden.
De rechtbank legt een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk op, overeenkomstig het advies van de Raad en de jeugdreclassering. Het voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde straf is daarbij gelijk aan de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zodat hij niet terug hoeft naar de justitiële jeugdinrichting en zijn positieve ontwikkeling kan voortzetten. Omdat de verdachte ruim anderhalf jaar in een schorsing loopt, en zich in die periode goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden, zal de rechtbank een korte proeftijd van één jaar opleggen.
De rechtbank acht de hierna te noemen straf, zoals gevorderd door de officier van justitie, daarom passend en geboden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 157 en 352 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie
voor de duur van 100 (honderd) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie
groot 30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van hierna te melden voorwaarde;
stelt de
proeftijdvast op
1 (een) jaaronder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. Riege, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. J.S. van den Berge en J. Groot, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V. Lankhaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 januari 2026.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 15 oktober 2023 te 's-Gravenhage,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan/bij/op een
pand gelegen aan [adres 2] ([naam café]) opzettelijk een
ontploffing teweeg heeft gebracht door open vuur in aanraking te brengen met een
explosief (Cobra 6),
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten goederen in dat pand en/of (belendende)
woningen en/of panden en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
omstanders/voorbijgangers
te duchten was.
2
hij op of omstreeks 15 oktober 2023 te 's-Gravenhage
opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten (een ruit en/of deel van de
gevel van) het pand gelegen aan [adres 2] ([naam café]),
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1], in
elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of
beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
Bijlage II
Opgave van bewijsmiddelen
1. De bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 29 januari 2026;
2. Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 1] ( pagina 21 e.v. van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende de verklaring van aangever [naam 1];
3. Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 2] ( pagina 10 e.v. van de doorgenummerde bijlagen), inhoudende het relaas van de verbalisant.
Wanneer hiervoor is verwezen naar een proces-verbaal van politie is - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.