In deze zaak vordert de man dat zijn ex-vrouw haar aandeel in de gemeenschapsschulden moet betalen op grond van artikel 6:10 BW. Daarnaast vraagt hij inzage in haar bankafschriften op basis van artikel 843a (oud) Rv. De rechtbank wijst de gevorderde betalingen toe, maar niet de wettelijke rente. Ook beslist de rechtbank dat de vrouw haar bankafschriften moet overleggen, maar niet onder dwang. Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn inmiddels gescheiden. Tijdens hun huwelijk zijn er schulden ontstaan die de man grotendeels heeft afgelost. De rechtbank oordeelt dat de vrouw haar aandeel in de schulden moet betalen, omdat er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn die van de hoofdregel afwijken. De man heeft onbetwist gesteld dat hij meer dan de helft van de gemeenschapsschulden heeft voldaan, waardoor hij een regresrecht heeft op de vrouw. De rechtbank wijst de regresvorderingen toe, maar de wettelijke rente wordt niet toegewezen omdat de man niet kan aantonen dat hij de vrouw in gebreke heeft gesteld. De vrouw moet ook haar bankafschriften ter inzage geven, maar de rechtbank legt geen dwangsom op omdat er onvoldoende bewijs is dat de vrouw onwillig is. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt.