Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3042

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
11101494 VZ VERZ 24-4859
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:362 BWArt. 1:444 BWArt. 1:445 lid 5 BWArt. 6:106 onder b BWArt. 288 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voormalig bewindvoerder wegens tekortschieten in zorg en immateriële schadevergoeding

Betrokkene diende klachten in tegen zijn voormalig bewindvoerder wegens het niet tijdig stopzetten van huur- en zorgtoeslag en het niet betalen van gemeentelijke heffingen en waterschapsbelasting, wat leidde tot aanzienlijke schulden.

De voormalig bewindvoerder erkende tekortkomingen, met name het nalaten de Belastingdienst tijdig te informeren over het hogere inkomen van betrokkene en het niet voldoen aan betalingsverzoeken voor gemeentelijke lasten. De rechtbank stelde vast dat dit tekortschieten hem kan worden toegerekend.

Hoewel materiële schade niet concreet kon worden vastgesteld, erkende de rechtbank dat betrokkene immateriële schade leed door geestelijk letsel, waarvoor een vergoeding passend is. De rechtbank veroordeelde de voormalig bewindvoerder tot betaling van €3.500,- en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Voormalig bewindvoerder aansprakelijk en veroordeeld tot betaling van €3.500,- immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 11101494 VZ VERZ 24-4859
registernummer: BM 32569
uitspraak: 25 maart 2026
machtiging van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, inzake meerderjarigenbewind
over de goederen van:

[naam 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen betrokkene.

Verloop van de procedure

Bij beschikking van deze rechtbank van 14 juli 2023 is het bewind over de goederen van betrokkene per 16 augustus 2023 opgeheven, waarna de bewindvoerder, [naam 2] , h.o.d.n. [naam bedrijf] te [plaats] , een eindrekening en verantwoording over de periode 1 januari 2023 tot en met 15 augustus 2023 heeft opgemaakt.
Op 13 mei 2024 is een klacht ontvangen van betrokkene tegen zijn voormalig bewindvoerder [naam 2] , h.o.d.n. [naam bedrijf] .
In een e-mail van 27 mei 2024 heeft de voormalig bewindvoerder gereageerd.
De klacht is besproken op de zitting van 10 oktober 2024. Daarbij waren betrokkene en de voormalig bewindvoerder aanwezig. Tijdens de zitting is besproken dat de voormalig bewindvoerder betrokkene behulpzaam zou zijn bij het tot stand brengen van een aangepaste betalingsregeling bij de belastingdienst. De zaak is daarna aangehouden in afwachting van nadere informatie van de bewindvoerder en betrokkene daaromtrent.
Op 26 september 2025 heeft betrokkene gereageerd.
Bij brief van 23 januari 2025 is de voormalig bewindvoerder in de gelegenheid gesteld om nadere informatie te verstrekken met betrekking tot hetgeen is afgesproken op de zitting van 10 oktober 2024. Bij brieven van 2 oktober 2025 en 28 oktober 2025 is de voormalig bewindvoerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op de brief van betrokkene van 26 september 2025. De voormalig bewindvoerder heeft op geen van die verzoeken gereageerd.
Op 6 november 2025 is een tweede klacht ontvangen van betrokkene tegen zijn voormalig bewindvoerder.
De voortzetting van het bespreken van de klachten heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren betrokkene en de voormalig bewindvoerder aanwezig.

De klachten

De eerste klacht van betrokkene komt erop neer dat de voormalig bewindvoerder in de jaren 2022 en 2023 heeft nagelaten de huur- en zorgtoeslag stop te zetten, waardoor bij de Belastingdienst een aanzienlijke schuld is ontstaan.
De tweede klacht van betrokkene komt erop neer dat de voormalig bewindvoerder in de jaren 2022 en 2023 heeft nagelaten de kosten van de gemeentelijke heffingen en de waterschapsbelasting te betalen, waardoor er een schuld bij de gemeente en het waterschap is ontstaan.
Betrokkene stelt dat de voormalig bewindvoerder in zijn taken tekort is geschoten, omdat hij nagelaten heeft tijdig het juiste inkomen van betrokkene door te geven aan de Belastingdienst en de kosten van de gemeentelijke heffingen en de waterschapsbelasting niet heeft betaald. Hierdoor is er een schuld van ongeveer € 13.000,- ontstaan. Betrokkene heeft gedurende het bewind keihard gewerkt om zijn schulden op orde te krijgen. Kort nadat het bewind was opgeheven (in augustus 2023) kreeg betrokkene al een bericht van de Belastingdienst dat hij toeslagen moest terugbetalen. Dit heeft hem veel stress bezorgd en bezorgt hem nog steeds veel stress, waardoor hij zich onder behandeling van een psychiater heeft moeten stellen. Betrokkene stelt dat de voormalig bewindvoerder aansprakelijk is voor de schade die hij door een en ander heeft geleden en dat die schade begroot zou moeten worden op de bewindvoerderskosten over de jaren 2022 en 2023 die de voormalig bewindvoerder aan hem in rekening heeft gebracht.

Het verweer van de voormalig bewindvoerder

De voormalig bewindvoerder heeft ten aanzien van de eerste klacht toegelicht dat hij voor betrokkene over ieder jaar aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan. De Belastingdienst baseert de toeslagen op het inkomen dat via de aangifte inkomstenbelasting van het voorgaande jaar is vastgesteld en gecontroleerd. Als in het daaropvolgende jaar een hoger inkomen wordt verdiend, wordt een nieuwe berekening gemaakt. De schuld van betrokkene bij de Belastingdienst is ontstaan omdat hij in de jaren 2022 en 2023 meer heeft verdiend dan het inkomen waarop de toeslagen zijn gebaseerd. Betrokkene moet de te veel ontvangen toeslagen nu terugbetalen, maar dat vormt geen schade, omdat betrokkene in de jaren 2022 en 2023 meer geld tot zijn beschikking heeft gehad dan hij zou hebben gehad als de toeslagen waren stopgezet. De voormalig bewindvoerder erkent echter dat het beter was geweest om de Belastingdienst tijdig te informeren dat het inkomen van betrokkene in de jaren 2022 en 2023 waarschijnlijk hoger zou uitvallen dan op basis van de eerdere aangiften was vastgesteld. Voor het treffen van een haalbare betalingsregeling kan betrokkene zich wenden tot de Belastingdienst, aldus de voormalig bewindvoerder.
Ten aanzien van de tweede klacht erkent de voormalig bewindvoerder dat hij niet heeft voldaan aan het verzoek van betrokkene uit 2022 om de gemeentelijke heffingen en waterschapsbelasting te betalen. Dat verzoek is er indertijd “tussendoor geglipt”, omdat hij net terugkwam van vakantie en er veel verzoeken van cliënten wachtten.

Beoordeling

De voormalig bewindvoerder is tekortgeschoten in de zorg van een goed bewindvoerder
De kantonrechter verklaart de klachten gegrond en veroordeelt de voormalig bewindvoerder tot vergoeding van de schade die betrokkene heeft geleden, die begroot wordt op € 1.000,-. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel komt.
Een bewindvoerder is jegens de rechthebbende aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder te kort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend (artikel 1:444 BW Pro). De kantonrechter kan ambtshalve de schade vaststellen die de rechthebbende door slecht bewind van de bewindvoerder heeft geleden en deze laatste tot vergoeding daarvan veroordelen (artikelen 1:362 en 445 lid 5 BW).
Zoals blijkt uit het voorgaande heeft de voormalig bewindvoerder erkend dat hij heeft nagelaten de Belastingdienst tijdig erover te informeren dat het inkomen van betrokkene in de jaren 2022 en 2023 waarschijnlijk hoger zou uitvallen dan op basis van de eerdere aangiften was vastgesteld. Tegen de tweede klacht heeft de voormalig bewindvoerder geen inhoudelijk verweer gevoerd, zodat daarmee vast staat dat de voormalig bewindvoerder in de jaren 2022 en 2023 heeft nagelaten de kosten van de gemeentelijke heffingen en de waterschapsbelasting te betalen. De kantonrechter is van oordeel dat de voormalig bewindvoerder daarmee tekort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder. Dat betekent dat de voormalig bewindvoerder aansprakelijk is voor de schade die betrokkene als gevolg daarvan heeft geleden.
Geen schadevergoeding voor materiële schade
Het is niet duidelijk of betrokkene als gevolg van het tekortschieten van de voormalig bewindvoerder schade in materiële zin heeft geleden en, als dat zo zou zijn, wat de omvang van die schade is. Als de Belastingdienst tijdig was geïnformeerd over de hogere inkomensverwachtingen, dan zou dat, zoals de voormalig bewindvoerder terecht opmerkt, er waarschijnlijk in hebben geresulteerd dat de toeslagen waren stopgezet en dat betrokkene daardoor minder leefgeld zou hebben gehad. Ook voor wat betreft de gemeentelijke heffingen en waterschapsbelasting is niet gesteld of gebleken dat betrokkene nu meer moet betalen dan het geval was geweest als die lasten wel tijdig zouden zijn voldaan. Mogelijk lijdt betrokkene financieel nadeel omdat er rente moet worden betaald over terug te betalen bedragen, maar aan de hand van de door betrokkene overgelegde gegevens valt die mogelijke schade niet te begroten.
De voormalig bewindvoerder is wel aansprakelijk voor de immateriële schade
Betrokkene heeft wel aangevoerd dat hij als gevolg van de tekortkoming van de voormalige bewindvoerder geestelijk letsel heeft opgelopen. De voormalig bewindvoerder heeft dat niet betwist.
Immateriële schade komt voor vergoeding onder meer in aanmerking indien de benadeelde in zijn persoon is aangetast (artikel 6:106 onder Pro b BW). Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen (ECLI:NL:HR:2019:376).
De kantonrechter is van oordeel dat betrokkene als gevolg van de tekortkoming van de voormalig bewindvoerder immateriële schade heeft geleden en lijdt die voor vergoeding in aanmerking komt. Uit de – onbetwiste – stellingen van betrokkene volgt dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen waarvoor hij zich onder behandeling van een psychiater heeft moeten stellen.
Tijdens de zitting van 10 oktober 2024 heeft de voormalig bewindvoerder toegezegd de Belastingdienst te zullen benaderen om te bespreken of de huidige betalingsregeling van € 179,00 per maand zou kunnen worden aangepast naar een lager bedrag. De voormalig bewindvoerder heeft tijdens de zitting op 11 maart 2026 aangevoerd dat hij op 16 oktober 2024 bij de Belastingdienst een machtiging heeft aangevraagd om een (andere) betalingsregeling te treffen. De hiervoor benodigde activatiecode zou volgens de Belastingdienst naar het adres van betrokkene worden gestuurd, maar volgens de voormalig bewindvoerder heeft betrokkene die code nooit naar hem doorgestuurd. Betrokkene heeft daarop verklaard dat hij die activatiecode nooit heeft ontvangen. Of de activatiecode nu wel of niet is verstuurd of ontvangen, de kantonrechter oordeelt dat het op de weg van de voormalig bewindvoerder had gelegen om, toen de machtiging niet geactiveerd werd, bij betrokkene te informeren of die een activatiecode had ontvangen. Dat heeft de voormalig bewindvoerder niet gedaan. Integendeel, hij heeft tot de tweede zitting verder nergens meer op gereageerd, ook niet na herhaald rappel door de griffie. De kantonrechter kan zich voorstellen dat het geestelijk leed dat betrokkene lijdt daardoor nog verder is toegenomen.
De kantonrechter acht een schadevergoeding van € 3.500,- billijk. Hij zoekt daarbij aansluiting bij de vergoeding die de bewindvoerder in de jaren 2022 en 2023 voor zijn werkzaamheden heeft ontvangen (volgens de rekening en verantwoording over die jaren in totaal € 3.441,20). De bewindvoerder heeft tijdens de zitting aangevoerd dat betrokkene bijzondere bijstand heeft ontvangen voor een gedeelte van dit bedrag, maar de kantonrechter acht het niet passend om daarmee bij de begroting van de immateriële schade rekening te houden.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard voor wat betreft de veroordeling tot betaling van schadevergoeding, omdat niet van betrokkene gevergd kan worden dat hij de uitkomst van een eventueel hoger beroep moet afwachten voordat hij aanspraak kan maken op schadevergoeding (artikel 288 Rv Pro).

Beslissing

De kantonrechter
verklaart de klachten gegrond;
veroordeelt de voormalig bewindvoerder tot betaling van een bedrag van € 3.500,- aan betrokkene;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de veroordeling.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.A. Vriezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.
937
Tegen deze beschikking kan in hoger beroep worden gegaan bij het gerechtshof Den Haag. Dit kan alleen worden ingesteld door een advocaat. Verzoeker en degenen aan wie een kopie van de beschikking is verstrekt moeten hoger beroep instellen binnen drie maanden na de datum van de beschikking. Voor andere belanghebbenden moet dit binnen drie maanden nadat zij van de beschikking op de hoogte zijn geraakt.