ECLI:NL:RBROT:2026:308

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
ROT 23/3721
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 225 GemeentewetVerordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2022 Gemeente Rotterdam
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd wegens ontbreken onmiddellijk laden en lossen

Eiser kreeg op 16 november 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto zonder betaling geparkeerd stond aan de Vlasakkerstraat in Rotterdam. Hij stelde dat hij slechts enkele minuten geparkeerd stond om twee dozen melk op te halen bij zijn broer, wat volgens hem viel onder de uitzondering van onmiddellijk laden en lossen.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd om deze uitzondering aannemelijk te maken. De verklaring van zijn broer en een foto van een melkverpakking waren onvoldoende om te concluderen dat er daadwerkelijk werd geladen of gelost. De heffingsambtenaar had terecht gewezen op de beperkte bewijsvoering en de scanfoto’s die slechts een momentopname van twee seconden bevatten.

Daarnaast stelde eiser dat het motiveringsbeginsel was geschonden omdat de heffingsambtenaar onvoldoende had gemotiveerd waarom de naheffingsaanslag was opgelegd. De rechtbank verwierp dit betoog en stelde dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar de gronden van eiser had benoemd, relevante rechtspraak had besproken en duidelijk had toegelicht waarom sprake was van parkeren en niet van laden en lossen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de naheffingsaanslag en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Eiser en zijn gemachtigde waren niet verschenen op de zitting, maar waren wel correct uitgenodigd. De uitspraak werd gedaan door rechter C. Laukens op 16 januari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de naheffingsaanslag parkeerbelasting.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/3721

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam

(gemachtigde: [naam gemachtigde 2] )

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 april 2023.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiser op 16 november 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder bericht van verhindering niet verschenen. De griffier heeft de gemachtigde van eiser op 17 september 2025 middels een digitaal bericht uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat de gemachtigde van eiser op
17 september 2025 om 13:57 uur een e-mailnotificatie is gezonden op het door hem opgegeven e-mailadres. De rechtbank stelt daarmee vast dat eiser en zijn gemachtigde op de juiste wijze voor de zitting zijn uitgenodigd.

Feiten

2. Op 4 november 2022 om 21:13 uur is geconstateerd dat de auto van eiser (met kenteken [kentekennummer] ) geparkeerd stond aan de Vlasakkerstraat in Rotterdam zonder dat er parkeerbelasting was voldaan.
3. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 68,30, bestaande uit € 1,80 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan naheffingskosten.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd en of het motiveringsbeginsel is geschonden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
6. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd, omdat sprake was van onmiddellijk laden en lossen. Hij voert aan dat hij op het moment van de controle twee dozen melk ophaalde bij het huis van zijn broer. Volgens eiser stond de auto slechts enkele minuten geparkeerd om deze dozen op te halen. Ter onderbouwing heeft eiser een foto van een melkverpakking overgelegd en een verklaring van zijn broer waaruit blijkt dat hij om 21:00 uur melk kwam ophalen. Volgens eiser was dit in werkelijkheid 21:10 uur. Eiser meent dat het voor rekening en risico van de heffingsambtenaar komt dat op de foto’s van de controle geen laad- of losactiviteiten zichtbaar zijn, aangezien deze slechts een momentopname van twee seconden tonen.
7. De heffingsambtenaar stelt dat sprake was van parkeren en eiser daarom parkeerbelasting was verschuldigd, maar deze niet heeft voldaan. Dat eiser aan het laden en lossen was, is niet gebleken. De heffingsambtenaar verwijst naar de overgelegde scanfoto’s.
8. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd. Meer bijzonder is in geschil of er sprake was van onmiddellijk laden en lossen ten tijde van het opleggen van de naheffing.
9. Onder parkeren wordt verstaan het “gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden en lossen van zaken”. [1] Onder het begrip “onmiddellijk laden en lossen” wordt verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. [2]
10. Vaststaat dat de auto van eiser op de genoemde datum en tijdstip op de desbetreffende plaats stilstond op een fiscale parkeerplaats. Ook staat vast dat eiser geen parkeerbelasting heeft betaald.
11. Nu eiser zich beroept op de uitzondering dat sprake is van onmiddellijk laden en lossen, ligt het op de weg van eiser om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die deze conclusie rechtvaardigen. [3] De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. De heffingsambtenaar heeft ter zitting terecht gewezen op het feit dat de verklaring van de broer van eiser op zichzelf onvoldoende bewijs vormt dat sprake is van laden en lossen zoals beschreven onder 9. Enige ondersteunende documentatie, zoals een bon of ander objectief stuk, ontbreekt. De door eiser overgelegde foto toont ook slechts een geopende melkdoos, zonder datum- of tijdsaanduiding. Ook kan op grond hiervan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van goederen van enig gewicht of omvang zoals benoemd onder 9. Gelet hierop heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van de controle sprake was van onmiddellijk laden en lossen van goederen. De naheffingsaanslag is dan ook terecht opgelegd.
Heeft de heffingsambtenaar het motiveringsbeginsel geschonden?
12. Eiser betoogt dat het motiveringsbeginsel is geschonden, omdat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar heeft volstaan met een verwijzing naar de foto’s die slechts 2 seconden beslaan. Volgens eiser is dit onbegrijpelijk, aangezien hij stelt dat hij bij zijn broer twee dozen melk is gaan ophalen en dat dit enkele minuten heeft geduurd.
13. Op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet een uitspraak op bezwaar berusten op een deugdelijke motivering.
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar het motiveringsbeginsel niet geschonden. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de gronden van eiser benoemd, rechtspraak over laden en lossen besproken en vervolgens toegelicht waarom hij van mening is dat er sprake is van parkeren en niet van laden en lossen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de heffingsambtenaar het motiveringsbeginsel heeft geschonden.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag gehandhaafd blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Laukens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.I. Kamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 1, aanhef en onderdeel a, van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2022 van de Gemeente Rotterdam.
2.Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445.
3.Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:90.