ECLI:NL:RBROT:2026:3082

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
10/353167-25 en (TUL): 22/001874-22
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot zware mishandeling met bijzondere voorwaarden en voorwaardelijke straf

De rechtbank Rotterdam heeft op 26 maart 2026 de verdachte veroordeeld voor poging tot zware mishandeling gepleegd op 21 december 2025. De verdachte heeft het slachtoffer meerdere keren geschopt en geslagen, onder meer met een fles op het hoofd, waardoor ernstig lichamelijk letsel werd toegebracht. De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte samen met anderen handelde met opzet om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De verdachte kreeg een gevangenisstraf van vier maanden opgelegd, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan de voorwaardelijke straf zijn bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder opname en behandeling in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met het slachtoffer en controle op middelengebruik. Deze voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard.

De rechtbank nam het strafblad en het reclasseringsrapport mee in haar overwegingen. De verdachte heeft een problematische cocaïneverslaving en een instabiel sociaal functioneren, wat het risico op recidive verhoogt. De rechtbank volgde de eis van de officier van justitie en wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke rijontzegging af, ondanks dat het bewezen feit tijdens de proeftijd werd gepleegd.

De straf is mede bedoeld om de verdachte zo snel mogelijk te laten behandelen en herhaling te voorkomen. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht wordt in mindering gebracht op de onvoorwaardelijke straf. De bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering zijn gericht op het bevorderen van een abstinent en delictvrij leven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, waarvan één maand voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging rijontzegging.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/353167-25
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 22/001874-22
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Datum zitting: 12 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1994 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] .
Advocaat van de verdachte: mr. D. Nieuwenhuis
Officier van justitie: mr. M. van Drunen
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer te schoppen, met zijn vuisten te slaan en met een fles drank op het hoofd te slaan. De verdachte krijgt de straf opgelegd die de officier van justitie geëist heeft, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk. Daaraan worden bijzondere voorwaarden verbonden. Afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

1.Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte:
primair
op of omstreeks 21 december 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meermalen althans eenmaal
- die [slachtoffer] tegen de benen en/of de billen heeft getrapt/geschopt en/of
- die [slachtoffer] met gebalde vuisten tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en/of
- ( vervolgens) met een Cognac fles althans een zwaar voorwerp op het hoofd heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair
op of omstreeks 21 december 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
[slachtoffer] heeft mishandeld door
meermalen althans eenmaal
- die [slachtoffer] tegen de benen en/of de billen te trappen/schoppen en/of
- die [slachtoffer] met gebalde vuisten tegen het gezicht/hoofd te slaan en/of
- ( vervolgens) met een Cognac fles althans een zwaar voorwerp op het hoofd te slaan.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primair ten laste gelegde feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft primair ten laste gelegde feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
  • De bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 12 maart 2026;
  • Het proces-verbaal van aangifte, Eenheid Rotterdam, nummer [nummer proces-verbaal] , pagina’s 89 tot en met 97 van het voorgeleidingsdossier, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer] .
2.3.2.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
primair
hij op 21 december 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meermalen
- die [slachtoffer] tegen de benen heeft getrapt/geschopt en
- die [slachtoffer] met gebalde vuisten tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en
- ( vervolgens) met een Cognac fles op het hoofd heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
primair:
Medeplegen van poging tot zware mishandeling
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de eis van de officier van justitie.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer meerdere keren te slaan en hem te schoppen.
De verdachte heeft het slachtoffer onder andere met een fles drank op het hoofd geslagen en hem daarmee flink verwond. Door zo te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 6 februari 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbare feit.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 11 maart 2026 wordt vermeld dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Als risicofactoren worden het middelengebruik van de verdachte, zijn psychosociaal functioneren, zijn houding en zijn sociale netwerk genoemd. Het delictpatroon van de verdachte staat in verband met zijn drugsverslaving. Hij kampt sinds jaren met problematisch gebruik van cocaïne. Op vrijwel alle leefgebieden is sprake van instabiliteit. De verdachte leidde voor zijn huidige bestaan een zwervend bestaan in regio Rotterdam. Hij sliep bij kennissen en beschikte niet over dagbesteding of een inkomen. Als ondersteunende factoren worden het contact van de verdachte met zijn partner en met zijn moeder gezien, maar hun aanwezigheid heeft de verdachte niet van dit gedrag weerhouden. De verdachte is gemotiveerd voor een ambulant reclasseringstraject. Volgens de reclassering is een ambulant traject echter niet haalbaar, omdat vrijwel alle ambulante interventies die in het verleden zijn ingezet voortijdig negatief zijn beëindigd. Voor de verdachte is een omgeving met structuur en een beveiligingsniveau noodzakelijk. Het risico op (gewelddadige) recidive wordt ingeschat als hoog. Nieuwe diagnostiek is nodig evenals een behandelsetting met voldoende controle en met een gefaseerde opbouw van vrijheden. Gelet op het voorgaande adviseert de reclassering een afdoening met bijzondere voorwaarden, waaronder een langdurige klinische behandeling waarna de verdachte middels begeleid wonen en ambulante begeleiding kan toewerken naar een abstinent, delictvrij leven. Op 6 maart 2026 is een aanmelding gedaan bij het IFZ.
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te ostraffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank volgt de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank het in het belang van de verdachte en de maatschappij vindt dat de verdachte zo snel mogelijk behandeld zal worden voor onder meer zijn verslavingsproblematiek. Met de op te leggen straf is het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk, opgelegd. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De voorwaardelijke straf en bijzondere voorwaarden zijn bedoeld om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
Mede gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies en het strafblad van de verdachte houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.

5.Vordering tot tenuitvoerlegging

5.1.
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot
tenuitvoerlegging van de aan de verdachte bij gerechtshof Den Haag van 26 augustus 2025 voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
5.2.
Oordeel van de rechtbank
Het bewezen feit is tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het feit heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het arrest verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
De rechtbank ziet gelet op de aard van de voorwaardelijk opgelegde straf desondanks af van de tenuitvoerlegging. De vordering wordt dus afgewezen.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2.3.2. is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3.1 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van vier maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
één maand van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
twee jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
meldplicht bij de reclassering:de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
opneming in een zorginstelling: de verdachte zich voor een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door Fivoor of een soortgelijke instelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan detentie of zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het middelengebruik, agressie, diagnostiek, impuls- en emotieregulatie, sociale weerbaarheid en praktische zaken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname: de verdachte laat zich behandelen gedurende de proeftijd door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het middelengebruik, agressie, diagnostiek, impuls- en emotieregulatie, sociale weerbaarheid en praktische zaken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/ diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
verblijf in een begeleid wonen of maatschappelijke opvang: de verdachte verblijft gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start direct na afronding van het klinisch traject. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
contactverbod: de verdachte zoekt gedurende zijn proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect contact met het slachtoffer, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1994;
beheersing middelengebruik: de verdachte werkt gedurende zijn proeftijd mee aan controle om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol, softdrugs en harddrugs. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer22/001874-22
)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het arrest van 26 augustus 2025 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,
en mrs. L. Stevens en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 maart 2026.