ECLI:NL:RBROT:2026:3084

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
10/235376-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag en veroordeling poging zware mishandeling met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 21 juli 2024 heeft de verdachte tijdens het uitgaan het slachtoffer meerdere keren op het hoofd geslagen en getrapt. De rechtbank heeft vastgesteld dat het handelen van de verdachte niet voldoet aan de criteria voor poging tot doodslag, waardoor hij daarvan is vrijgesproken.

Wel is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling door het slachtoffer tegen het hoofd te slaan en te schoppen, wat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich meebracht. Dit is onderbouwd met verklaringen van het slachtoffer, getuigen en politie.

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, met aftrek van voorarrest, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar. De immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer is vastgesteld op € 2.500,-, deels toegewezen, met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. De rest van de schadevordering is niet-ontvankelijk verklaard en kan bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

De voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst en opgeheven. De rechtbank heeft tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd waarbij de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen, die het bedrag aan het slachtoffer uitkeert, met een gijzelingstermijn van maximaal 25 dagen als dwangmiddel.

De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Rotterdam op 26 maart 2026 na een zitting op 12 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag, veroordeeld voor poging tot zware mishandeling met 240 uur taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden; immateriële schadevergoeding deels toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/235376-24
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Datum zitting: 12 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. M.S.L. Leeflang
Officier van justitie: mr. J. Uiterwijk
Benadeelde partij: [benadeelde]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. L.A.R. Newoor
Kern van het vonnis
De verdachte heeft tijdens het uitgaan het slachtoffer op zijn hoofd geslagen en getrapt. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling. Van een poging tot doodslag wordt de verdachte vrijgesproken. De verdachte krijgt de maximale taakstraf opgelegd van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade wordt gedeeltelijk toegewezen.

1.Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte
primair
op of omstreeks 21 juli 2024 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk van het leven te beroven,
- die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of
- die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
op of omstreeks 21 juli 2024 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of
- die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primair ten laste gelegde feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft integraal vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte [2]
Op 21 juli 2024 kwam ik [slachtoffer] tegen bij Café [naam horecagelegenheid] gelegen aan de [locatie] , vlakbij de Westblaak in Rotterdam. Ik heb hem buiten geslagen op zijn hoofd en hem een trap gegeven.
2.
Verklaring van de aangever [slachtoffer] [3]
Op 21 juli 2024 was ik aan het stappen in de [naam horecagelegenheid] in Rotterdam. De jongen begon allereerst mij te duwen. Hierop volgend begon hij mij in mijn gezicht te slaan. Ik voelde toen direct een hevige pijn opkomen in mijn gezicht. Ik viel op de grond waarna de jongen mij tegen het hoofd schopte. Ook hier voelde ik een enorme pijn opkomen in mijn gezicht/hoofd.
3.
Proces-verbaal van de politie [4]
Op 12 juli 2024 (…) om 5.20 uur waren wij ter plaatse bij de [naam horecagelegenheid] in Rotterdam. Wij zagen even verderop op de Westblaak een persoon liggen in de portiek. Deze persoon
bleek te zijn: [slachtoffer] , Wij zagen dat [slachtoffer] met zijn hoofd in een plasje bloed lag en dat [slachtoffer] bloed aan zijn hoofd had.
4.
Verklaring van de getuige [getuige 1] [5]
V: Wat kunt u vertellen over het incident waarvan u vanochtend, 21 juli 2024, getuige bent geweest?
A: Wij zagen iemand op de grond liggen. Wij zagen dat er iemand boven de persoon stond en dat hij met zijn hak hard tegen het hoofd van deze persoon aan trapte. De persoon lag in de portiek van de straat. Het was bij café [naam horecagelegenheid] aan de West-Blaak in Rotterdam.
5.
Verklaring van de getuige [getuige 2] [6]
Bij aanvang van het verhoor deelde ik aan de getuige het volgende mee: op zondag 21 juli 2024, omstreeks 05.00 uur, vond er een incident plaats waar je getuige van bent geweest.
De getuige verklaarde: Ik zag dat een jongen geklapt werd. De jongen die sloeg was een lange jongen. De jongen had een blanke huidskleur en had een petje op. Ik zag dat een donkere jongen werd geklapt met een platte hand heel erg hard op zijn rechterwang. Toen nam die blanke jongen helemaal geen rust en is hij ingetrapt op die andere donkere jongen. Na die klap lag die jongen op de grond en heeft hij hem getrapt. De eerste trap was met zijn linkerbeen om hem op de grond te houden. De eerste trap was gelijk op zijn hoofd.
2.3.2.
Bewijsmotivering
Vaststaat dat de verdachte de aangever, [slachtoffer] , op 21 juli 2024 in Rotterdam tegen het hoofd heeft geslagen. Dit is zowel door de aangever in zijn aangifte als door de verdachte op de zitting verklaard. Ook staat vast dat de verdachte het slachtoffer daarna een trap heeft gegeven. Ter discussie staat waar de verdachte de aangever met zijn trap toen heeft geraakt. De verdachte heeft verklaard dat hij de aangever tegen zijn borst heeft getrapt, terwijl de aangever zegt dat de verdachte hem tegen zijn hoofd heeft geschopt.
Deze verklaring van aangever wordt ondersteund door de waarnemingen van twee getuigen. Dat de aangever tegen het hoofd is geschopt past bovendien bij de bloedende hoofdwond die de politie bij de aangever ter plaatse heeft waargenomen.
De raadsvrouw heeft bepleit dat beide getuigenverklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat deze niet betrouwbaar zijn. De rechtbank volgt dit verweer niet. De getuigen hebben gedetailleerde verklaringen afgelegd die op essentiële onderdelen overeenkomen met de inhoud van de verklaring van de aangever, passen bij het geconstateerde letsel en de precieze locatie waar het incident is gebeurd. De rechtbank ziet ook anderszins geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze getuigen te twijfelen en acht de verklaringen daarom bruikbaar voor het bewijs.
Op basis van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de aangever tegen het hoofd heeft geslagen en geschopt.
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is hoe het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de verdachte niet als poging tot doodslag kan worden aangemerkt. De rechtbank kan op basis van het dossier namelijk niet vaststellen dat door het slaan en schoppen door de verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van de aangever heeft bestaan. Het dossier biedt daarvoor te weinig specifieke informatie over (de aard en ernst van) het letsel dat de aangever heeft opgelopen. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte met zijn handelen heeft geprobeerd de aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Door tegen het hoofd van de aangever te slaan en daarna te schoppen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat ook één harde klap of trap tegen een kwetsbaar en vitaal lichaamsdeel als het hoofd al tot ernstig letsel kan leiden. Bovendien is het schoppen tegen het hoofd van de aangever naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard. De subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling is dan ook wettig en overtuigend bewezen.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
subsidiair:
hij op 21 juli 2024 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [slachtoffer] tegen het hoofd heeft geschopt en
- die [slachtoffer] tegen het hoofd heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Subsidiair
poging tot zware mishandeling

4.Straffen

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het primair ten laste gelegde feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling. Na afloop van een avond uitgaan heeft de verdachte het slachtoffer tegen de grond geslagen en het weerloze slachtoffer vervolgens tegen zijn hoofd geschopt. De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijk zinloos geweld gedurende lange tijd daarvan gevolgen kunnen ondervinden. Daarbij heeft dit soort uitgaansgeweld grote negatieve invloed op de samenleving. Het gevoel van onveiligheid en intolerantie in de openbare ruimte wordt hierdoor versterkt.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 6 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij begeleid woont via Timon en dat hij op dit moment geen werk heeft.
4.3.3.
Oplegging straffen
Bij het bepalen van de strafsoort en de duur houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, zoals deze tot uitdrukking komen in de LOVS- oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In dit geval vindt de rechtbank een combinatie van een forse taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte uiteindelijk meer baat heeft bij een forse taakstraf dan bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, omdat deze straf hem de gelegenheid biedt de gevolgen van zijn daden onder ogen te zien. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient als waarschuwing: als de verdachte in de toekomst opnieuw in de fout gaat, kan de gevangenisstraf alsnog ten uitvoer worden gelegd.
Aan de verdachte wordt een taakstraf van 240 uren, met aftrek van voorarrest, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren, opgelegd.

5.Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 30 juli 2024
geschorst. Het geschorste bevel wordt opgeheven.

6.Vordering van de benadeelde partij

6.1.
Vordering [benadeelde]
heeft als benadeelde partij voor het ten laste gelegde feit € 4.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De immateriële schade kan worden toegewezen, maar voor de hoogte daarvan refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.
Standpunt van de verdediging
Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair dient het gevorderde bedrag te worden gematigd.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
6.4.1.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen. Uit de aangeleverde stukken volgt dat het handelen van de verdachte heeft geleid tot een wond in het gezicht van de benadeelde partij die uiteindelijk gehecht moest worden. Deze wond heeft een litteken in het gezicht opgeleverd.
De benadeelde partij heeft ook schade gevorderd in verband met een lichte hersenschudding en psychische klachten. De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de vordering echter onvoldoende is onderbouwd.
Bij de vaststelling van de schadevergoeding heeft de rechtbank onder meer gelet op de ‘Rotterdamse Schaal’ voor smartengeldbedragen en daarbij gekeken naar misvorming van het gezicht en aansluiting gezocht bij het minimale bedrag van categorie d.
Gelet op al het voorgaande, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 2.500,-. De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal dus tot dat bedrag worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
6.4.2.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 21 juli 2024.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals in hoofdstuk 2.3.3. is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3.1 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 240 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat
234 uur taakstrafmoet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
117 dagen;
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van vier maanden;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
twee jaar,waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [benadeelde] , te betalen een bedrag van € 2.500,-, bestaande uit een vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 21 juli 2024 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het bewezenverklaarde feit
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] aan de staat
€ 2.500,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 21 juli 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Stevens, voorzitter,
en mrs. C.G. van de Grampel en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 maart 2026.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal 1] .
2.Verklaard tijdens de zitting van 12 maart 2026.
3.Proces-verbaal aangifte van 21 juli 2024, nummer [nummer proces-verbaal 1] , pagina’s 8 tot en met 11.
4.Proces-verbaal van bevindingen (met foto’s) van 21 juli 24, nummer [nummer proces-verbaal 2] , pagina’s 34 tot en met 40.
5.Proces-verbaal verhoor getuige van 21 juli 2024, nummer [nummer proces-verbaal 3] , pagina’s 23 tot en met 25.
6.Proces-verbaal verhoor getuige van 21 juli 2024, nummer [nummer proces-verbaal 4] , pagina’s 29 tot en met 31.