ECLI:NL:RBROT:2026:3117

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
FT RK 25/2104
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gedwongen schuldregeling wegens onvoldoende onderbouwing en onvolledige schuldeisers

Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a lid 1 Faillissementswet, waarbij zij een akkoord aanbood aan haar schuldeisers met een uitkering van 4,04% aan preferente en 2,02% aan concurrente schuldeisers.

Zes schuldeisers stemden in met het aanbod, maar schuldeiser Thelxinoe, met een vordering van €13.645,14, weigerde in te stemmen. Thelxinoe voerde aan dat het aanbod onvoldoende was onderbouwd en niet alle schuldeisers waren meegenomen, wat zou leiden tot ongelijke behandeling en onzekerheid over de werkelijke schuldenlast.

De rechtbank oordeelde dat Thelxinoe in redelijkheid kon weigeren omdat haar vordering een aanzienlijk deel van de totale schuldenlast uitmaakt (43,2%) en het aanbod niet goed en controleerbaar was gedocumenteerd. Bovendien waren er schulden aan een voormalig verhuurder die niet in het aanbod waren opgenomen.

Daarom woog het belang van Thelxinoe zwaarder dan dat van verzoekster en de overige schuldeisers, en werd het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen. De rechtbank zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en onvolledige schuldeisers.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 19 februari 2026
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 24 november 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een tweetal schuldeisers, te weten:
  • Thelxinoe C.V. wiens vordering in behandeling is bij Van Damme C.S. Gerechtsdeurwaarders, hierna te noemen: Thelxinoe;
  • Defam Credit B.V. wiens vordering in behandeling is bij Deurwaarder.com, hierna te noemen: Defam;
die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Mevrouw mr. W. van den Hoek heeft namens Thelxinoe voorafgaand aan de zitting een verweerschrift ingediend.
Schuldhulpverlening heeft voorafgaande aan de zitting, bij bericht van 5 januari 2026, aan de rechtbank te kennen gegeven dat Defam alsnog heeft ingestemd met de aangeboden schuldregeling. Het verzoek ten aanzien van Defam wordt derhalve als ingetrokken beschouwd.
Schuldhulpverlening heeft op 12 februari 2026, voorafgaand aan de zitting, aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
Ter zitting van 12 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw C. Sneepels, schuldhulpverlener;
  • mevrouw mr. W. van den Hoek, advocaat van Thelxinoe;
  • [naam 1], namens Thelxinoe.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift zeven schuldeisers, waarvan één preferente en zes concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 31.604,27 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 19 augustus 2025, 4 september 2025 en 17 september 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 4,04% aan de preferente schuldeisers en 2,02% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar PW-uitkering. Het inkomen van verzoekster kan hoger worden als de ex-partner van verzoekster partneralimentatie gaat betalen. Mede hierdoor voorziet de aangeboden regeling in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels voldaan.
Zes schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Thelxinoe stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 13.645,14 op verzoekster.

3.Het verweer

In haar verweerschrift heeft Thelxinoe – kort samengevat – gesteld dat het verzoek van verzoekster moet worden afgewezen. Ten eerste wordt aangevoerd dat de aangeboden schuldregeling onvoldoende is onderbouwd en gedocumenteerd. Dit komt doordat niet is aangetoond dat het voorstel van verzoekster het uiterste is waartoe zij financieel in staat is. Daarnaast is het volgens Thelxinoe problematisch dat niet alle schuldeisers zijn meegenomen in de regeling. Dit zou, bij toewijzing van het verzoek, leiden tot ongelijke behandeling van schuldeisers, aangezien sommige schuldeisers, nu of in de toekomst, hun vorderingen alsnog zouden kunnen verhalen op verzoekster, wat de minnelijke regeling zou doorkruisen. Verder blijkt uit het verzoekschrift dat er een latere regeling aan schuldeisers is aangeboden, waar Thelxinoe niet van op de hoogte is. Tot slot stelt Thelxinoe dat het verzoekschrift in zijn geheel niet deugdelijk is en onvoldoende onderbouwd. Volgens Thelxinoe heeft verzoekster onvoldoende onderbouwd waarom partijen niet in redelijkheid tot weigering van de schuldregeling hebben kunnen komen. Het is naar de mening van Thelxinoe aan verzoekster, als schuldenaar, om deze stelling te onderbouwen en, indien nodig, te bewijzen.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Thelxinoe bij haar weigering vast.
Het draait in deze procedure om de vraag of Thelxinoe in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
Dat is het geval. Hierna wordt toegelicht waarom Thelxinoe het aanbod heeft mogen weigeren.
Vooropgesteld wordt dat de vordering van Thelxinoe een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 43,2% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat Thelxinoe in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
Het kan niet worden vastgesteld dat het aanbod goed en controleerbaar is gedocumenteerd. Zo blijkt uit het verweerschrift van Thelxinoe dat het aanbod waar de andere schuldeisers mee akkoord zijn gegaan afwijkt voor wat betreft de hoogte van de schuldenlast en/of het aangeboden percentage van hetgeen in het verzoekschrift staat. Dit is het gevolg van het feit dat na het aanbod is gebleken dat er schulden zijn aan een voormalig verhuurder, [naam 2], die niet eerder bekend waren bij verzoekster of schuldhulpverlening en derhalve niet zijn meegenomen in het aanbod. In de aanbiedingsbrief is weliswaar vermeld dat het voorstel een prognose is en dat afhankelijk van de reserveringsmogelijkheden van verzoekster het uiteindelijke resultaat hoger of lager kan uitvallen, maar de schuldeisers hoefden er geen rekening mee te houden dat het uiteindelijke resultaat lager zou worden doordat de schuldenlast gedurende het minnelijk traject zou toenemen.
Op grond van het voorgaande wegen de belangen van Thelxinoe als weigerende schuldeiser zwaarder dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om Thelxinoe te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.