Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3220

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
C/10/710523 / JE RK 25-2405
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 12 Wet beëdigde tolken en vertalersBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing intrekking en verlenging ondertoezichtstelling minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot intrekking van een eerder verlengde ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2014. De kinderrechter heeft de zitting met gesloten deuren gehouden op 27 februari 2026, waarbij de moeder, vader, hun advocaten en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig waren. De vader is Arabischsprekend en werd bijgestaan door een beëdigde tolk.

De GI had het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling ingetrokken, omdat ondanks een EMDR-traject de minderjarige geen contact met zijn vader wenst. De moeder steunt dit standpunt en benadrukt het belang van het welzijn van de minderjarige. De vader stelt dat de ondertoezichtstelling niet goed is verlopen, met wisselingen van jeugdbeschermers en onvoldoende medewerking van de moeder, wat heeft geleid tot ouderonthechting en een demoniserend beeld van de vader.

De kinderrechter constateert dat de minderjarige nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat de GI onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het verzoek is ingetrokken. Er zijn onduidelijkheden over het contact tussen vader en kind, de effectiviteit van het EMDR-traject en mogelijke contra-indicaties zoals huiselijk geweld. Daarom wordt het verzoek tot intrekking afgewezen en de ondertoezichtstelling verlengd voor drie maanden, met een pro forma zitting gepland op 1 mei 2026. De GI, moeder en vader worden verzocht aanvullende rapportages te overleggen.

Uitkomst: De kinderrechter wijst het verzoek tot intrekking af en verlengt de ondertoezichtstelling voor drie maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/710523 / JE RK 25-2405
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. W.M. Boomstra, kantoorhoudende te Amsterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. L.A. Middelkoop, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 5 februari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- het toetsingsbesluit van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 5 februari 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 6 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
2. Aangezien de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar
wel de taal Arabisch, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van dhr. F.H.C.H. Said, tolk in de taal Arabisch. De kinderrechter heeft vastgesteld dat hij is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëindigde tolken en vertalers.

3.De feiten

3.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
3.2.
[voornaam minderjarige] woont bij zijn moeder.
3.3.
Bij beschikking van 5 februari 2026 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 28 februari 2026 en de beslissing op het overig verzochte aangehouden.

4.Het aangehouden verzoek

4.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er resteert nog een beslissing op de periode tot 14 januari 2027.
4.2.
De GI heeft bij bericht van 22 januari 2026 kenbaar gemaakt het restant van het
verzoek in te trekken.

5.De standpunten

5.1.
De GI brengt naar voren het verzoek te hebben ingetrokken. Er is in de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het contactherstel tussen de vader en [voornaam minderjarige] , maar zonder resultaat. [voornaam minderjarige] heeft een EMDR-traject gevolgd, zodat hij geen gedemoniseerd vaderbeeld meer heeft. Dit traject heeft [voornaam minderjarige] positief afgerond en hij heeft volgens zijn behandelaar geen restkrachten meer. Toch wil [voornaam minderjarige] geen contact met de vader. Dit heeft hij zowel bij de therapeut als bij de Raad aangegeven. Het is niet in het belang van [voornaam minderjarige] om de omgang gedwongen op te starten, omdat hij daar enkel stress van ervaart.
5.2.
Door en namens de moeder wordt het volgende naar voren gebracht. [voornaam minderjarige] wil geen contact met de vader en de moeder wil hem hier niet toe dwingen. [voornaam minderjarige] heeft zijn EMDR-behandeling positief afgerond en het gaat verder op dit moment goed met hem. [voornaam minderjarige] zit goed in zijn vel en de moeder wil dat dit zo blijft. Een gedwongen contactherstel met de vader zou dit doorkruisen. Als [voornaam minderjarige] ouder is en hij wil alsnog contact met de vader, kan hij zelf contact opnemen. De moeder stond open voor hulpverlening, maar dat heeft niet gebaat. [voornaam minderjarige] en de moeder kennen een belast verleden met veel trauma’s en dat [voornaam minderjarige] geen contact meer wil met de vader is daar het resultaat van.
5.3.
Door en namens de vader wordt het volgende naar voren gebracht. De ondertoezichtstelling is niet goed verlopen. In 2025 is er drie keer gewisseld van jeugdbeschermer. Daarnaast heeft de moeder steeds niet meegewerkt met de hulpverlening, waardoor het niet van de grond is gekomen. De moeder heeft gedurende de ondertoezichtstelling steeds gezegd dat zij er geen veilig gevoel bij heeft als [voornaam minderjarige] contact heeft met de vader. Hierdoor is loyaliteitsproblematiek ontstaan bij [voornaam minderjarige] en heeft hij een demoniserend beeld van de vader. De GI heeft in al die tijd geen schriftelijke aanwijzing afgegeven en dat is kwalijk, omdat de moeder niet heeft gehandeld in het belang van [voornaam minderjarige] door hem bij zijn vader weg te houden. Hierdoor heeft er geen contactherstel plaatsgevonden tussen de vader en [voornaam minderjarige] . Er is sprake van ouderonthechting en de GI heeft dit laten gebeuren. Het is zorgelijk dat [voornaam minderjarige] nu opgroeit zonder zijn biologische vader te kennen en dit levert nog steeds een ernstige bedreiging voor zijn ontwikkeling op.

6.De beoordeling

6.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [voornaam minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [1] [voornaam minderjarige] heeft geen contact met de vader. De kinderrechter is er onvoldoende van overtuigd dat de GI gedurende de ondertoezichtstelling alles heeft gedaan om contactherstel tussen de vader en [voornaam minderjarige] te realiseren. Om te beginnen is zijn er gedurende de ondertoezichtstelling meerdere wisselingen van jeugdbeschermers geweest. Daardoor heeft het veel te lang geduurd voordat actie werd ondernomen. Onvoldoende duidelijk is geworden of er überhaupt een poging is gedaan door de GI om tot een (al dan niet begeleid) contactmoment te komen tussen de vader en [voornaam minderjarige] . In het toetsingsbesluit van de Raad staat dat [voornaam minderjarige] al meer dan vijf jaar geen contact heeft met de vader. Volgens de advocaat van de vader is dat zelfs al meer dan elf jaar. Hoe dan ook is duidelijk geworden dat er, gelet op de leeftijd van [voornaam minderjarige] , te lang geen contact is geweest tussen de vader en [voornaam minderjarige] . Ter zitting is gebleken dat dat er sprake is van onderliggende problematiek, maar de GI heeft onvoldoende onderzocht of de onwil van [voornaam minderjarige] om het contact met de vader te herstellen het gevolg is van ouderverstoting of om een andere reden. Al met al heeft de GI ter zitting onvoldoende gemotiveerd wat de feitelijke onderbouwing is van de intrekking van het verzoek.
6.2.
Voor de kinderrechter is verder onvoldoende duidelijk geworden of [voornaam minderjarige] op dit moment nog een gedemoniseerd vaderbeeld heeft. Ter zitting heeft de GI naar voren gebracht dat het EMDR-traject van [voornaam minderjarige] succesvol is afgerond en dat [voornaam minderjarige] geen demoniserend vaderbeeld meer heeft. Uit de rapportage van de GI blijkt echter dat [voornaam minderjarige] juist wel een demoniserend vaderbeeld heeft en dat om die reden de omgang niet zou moeten worden opgestart. Dit zou namelijk te veel stress voor hem zou veroorzaken. De kinderrechter vraagt zich daarom af of het EMDR-traject daadwerkelijk succesvol is afgerond of dat er meer therapie voor [voornaam minderjarige] nodig is. Verder is voor de kinderrechter onduidelijk gebleven hoe het zit met een aantal feitelijke situaties. Zo bestaat onduidelijkheid over de vraag of [voornaam minderjarige] na de echtscheiding bij de vader heeft gewoond en, zo ja, voor hoe lang. Een inschrijving bij de vader vormt onvoldoende feitelijke onderbouwing van zijn stelling, mede gelet op het verweer van moeder. Ook is onduidelijk of er sprake is van een contra-indicatie voor (on)begeleid contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader, bijvoorbeeld omdat in het verleden mogelijk sprake is geweest van huiselijk geweld.
6.3.
Gelet op deze onduidelijkheden en het feit dat de gronden voor een ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn, wijst de kinderrechter de intrekking van het verzoek van de GI af en zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen. De kinderrechter ziet aanleiding om de ondertoezichtstelling voor een korte duur te verlengen, zodat de GI duidelijkheid kan verschaffen over de onduidelijkheden die onder 6.1 en 6.2 zijn genoemd. Ook de moeder en de vader worden in de gelegenheid gesteld om duidelijkheid te verschaffen over de onduidelijke feitelijke situaties die onder 6.2 zijn genoemd. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling voor de duur van drie maanden en houdt het overige deel van het verzoek aan.
6.4.
De GI wordt verzocht
uiterlijk twee weken voor de hierna te noemen pro forma datumte rapporteren (met afschrift aan de moeder en haar advocaat en aan de vader en zijn advocaat), de hierboven gestelde vragen van de kinderrechter te beantwoorden en voldoende te onderbouwen of het verzoek al dan niet wordt ingetrokken.
6.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
6.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 28 mei 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
en alvorens te beslissen
7.3.
houdt de beslissing op het overig verzochte aan tot
1 mei 2026 pro forma;
7.4.
bepaalt dat de GI, de moeder en haar advocaat en de vader en zijn advocaat op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
7.5.
verzoekt de GI
uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datumde verzochte rapportage te doen toekomen (met afschrift aan de moeder en haar advocaat en de vader en zijn advocaat).
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 door mr. H. Mol, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. van der Zeeuw als griffier, en op schrift gesteld op 13 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.