In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen Stichting Kliniek Naaldwijk en een gedaagde, die zelf procedeert. De gedaagde was op 25 januari 2024 bij de kliniek voor een behandeling door een kaakchirurg, waarbij een gebitselement en een cyste zijn verwijderd. Na de behandeling heeft de gedaagde klachten geuit over de uitvoering van de behandeling, maar heeft zij geen formele klachten ingediend bij de kliniek. Kliniek Naaldwijk heeft facturen gestuurd voor een totaalbedrag van € 849,79, waarvan de gedaagde een deel heeft betaald. De kliniek vordert betaling van het resterende bedrag, vermeerderd met incassokosten en rente.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat er een medische behandelovereenkomst bestaat tussen de kliniek en de gedaagde. De rechter heeft de relevante artikelen uit het Burgerlijk Wetboek (BW) besproken, waaronder artikel 7:453 BW, dat de zorgplicht van de kaakchirurg regelt, en artikel 6:89 BW, dat de klachtplicht van de gedaagde behandelt. De rechter concludeert dat de gedaagde niet heeft voldaan aan de klachtplicht, waardoor zij geen beroep kan doen op een eventuele wanprestatie. De kantonrechter heeft de gedaagde veroordeeld tot betaling van het volledige factuurbedrag, inclusief wettelijke rente en incassokosten, en heeft de proceskosten aan de gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.