ECLI:NL:RBROT:2026:3317

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
ROT 25/3044
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:193a BWArt. 6:193b BWArt. 6:193c BWArt. 6:193d BWArt. 6:193e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek wegens oneerlijke handelspraktijken woningbouwproject Wilderszijde

Vereniging Bewoners Tegen Vliegtuigoverlast (BTV) diende een handhavingsverzoek in bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) tegen de gemeente Lansingerland en projectontwikkelaars vanwege vermeende oneerlijke handelspraktijken op de website van het woningbouwproject Wilderszijde. De ACM wees het verzoek af op grond van haar prioriteringsbeleid, omdat na aanpassingen op de website geen overtreding van de Wet oneerlijke handelspraktijken (Wet OHP) werd geconstateerd en nader onderzoek niet doeltreffend of doelmatig zou zijn.

BTV voerde in beroep aan dat de ACM ten onrechte het criterium van professionele toewijding niet voldoende had betrokken en dat nader onderzoek wel mogelijk en noodzakelijk was. De rechtbank oordeelde dat BTV zich ten onrechte richtte op publiekrechtelijke normen die niet onder de professionele toewijding als handelaar vallen. Verder was het prioriteringsbeleid van de ACM correct toegepast en was nader onderzoek niet doelmatig vanwege de benodigde specialistische kennis en beperkte middelen.

De rechtbank concludeerde dat de ACM het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. BTV krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak bevestigt de afbakening van de rol van de ACM en de toepassing van het prioriteringsbeleid bij handhavingsverzoeken inzake oneerlijke handelspraktijken.

Uitkomst: Het beroep van BTV tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek door de ACM is ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3044

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen

Vereniging Bewoners Tegen Vliegtuigoverlast (BTV), uit Rotterdam, eiseres

(gemachtigden: mr. A.N. Krol en A.B. Blokhuizen),
en

de Autoriteit Consument & Markt (ACM)

(gemachtigden: mr. C. LeBlond en mr. A. El Baghdadi).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
De gemeente Lansingerland (de gemeente),
(gemachtigden: mr. M.S. van der Steld en W. van Leeuwen
BPD Ontwikkeling B.V. (BPD), uit Delft.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van BTV door de ACM. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de ACM het handhavingsverzoek heeft kunnen afwijzen. BTV krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. BTV heeft op 29 juli 2023 bij de ACM een verzoek om handhaving ingediend tegen de gemeente en de projectontwikkelaars BPD en Batenburg Bouw en Ontwikkeling. BTV meent dat op de website www.thuisinwilderszijde.nl sprake is van oneerlijke handelspraktijken in reclame-uitingen over woningbouwproject “thuis in Wilderszijde”.
3. De ACM heeft dit handhavingsverzoek met het besluit van 27 mei 2024 (primair besluit) op grond van de Beleidsregel Prioritering van Handhavingsverzoeken door de ACM 2023 [1] (prioriteringsbeleid) afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 februari 2025 op het bezwaar van BTV is de ACM - met aanvulling van de motivering - bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
3.1.
BTV heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
De ACM heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: De gemachtigden van BTV, de gemachtigden van de ACM en de gemachtigden van de gemeente. Voor BPD is met kennisgeving vooraf niemand verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

4. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek van BTV heeft de ACM een initieel onderzoek verricht waaruit bleek dat op de website www.thuisinwilderszijde.nl (de website) geen informatie stond vermeld over de locatie van het woningbouwproject ten opzichte van Rotterdam The Hague Airport (RTHA), de Hoge Snelheidslijn (HSL) en de snelweg in aanbouw (A13-A16). Op 14 december 2023 heeft de ACM de gemeente en de projectontwikkelaars waaronder BPD (partijen) aangesproken op hun mogelijke inbreuk op grond van de oneerlijke handelspraktijken (OHP). Na dit gesprek hebben partijen wijzigingen doorgevoerd op hun website waarmee zij wel informatie over de nabijheid van RTHA, de HSL en de snelweg in aanbouw A13- A16 vermelden. BTV heeft hierop te kennen gegeven deze aanpassingen niet voldoende te vinden en het verzoek tot handhaving voort te willen zetten.
5. Met het primaire besluit heeft de ACM het handhavingsverzoek op grond van haar prioriteringsbeleid afgewezen. De ACM stelt kort gezegd dat partijen met de aanpassingen voldoen aan de bepalingen waar de ACM op toeziet en dat hierdoor verder onderzoek en handhavend optreden door de ACM niet doeltreffend en doelmatig zal zijn.
6. Met het bestreden besluit heeft de ACM het handhavingsverzoek van BTV beoordeeld op basis van de situatie die is ontstaan ná de aanpassingen van de website en haar motivering aangepast. De ACM ziet op het eerste gezicht in de gedragingen van partijen op de website geen overtreding van de Wet OHP. Daarbij stelt de ACM dat het kan gaan om het in strijd handelen met de vereisten van professionele toewijding (artikel 6:193b, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW)) of misleidende handelspraktijken (6:193b, derde lid onder a, van het BW) of agressieve handelspraktijken (artikel 6:193b, derde lid onder b, van het BW). De ACM dient meer en diepgaand onderzoek te doen om te kunnen vaststellen of inderdaad sprake is van een overtreding. De ACM is van oordeel dat nader onderzoek naar de gestelde oneerlijke handelspraktijk niet doeltreffend en doelmatig is. De ACM handhaaft – onder aanvulling van de motivering – het primaire besluit.
6.1.
De ACM vindt nader onderzoek niet doeltreffend, omdat het maar de vraag is of met nader onderzoek en handhavend optreden door de ACM op korte termijn de door BTV gewenste situatie kan worden bereikt of benaderd. BTV vraagt de ACM om te beoordelen of partijen op de website terecht stellen dat de ontwikkeling van Wilderszijde voldoet aan alle regelgeving en eisen voor het bouwen van woningen. Ook vraagt zij om te beoordelen of het onherroepelijk vastgestelde bestemmingsplan in overeenstemming met deze eisen tot stand is gekomen. Daarvoor dient de ACM te beoordelen of de gemeente de vergunningen ten behoeve van het project op juiste en rechtmatige wijze heeft verleend en of het bestemmingsplan op juiste wijze tot stand is gekomen. Dit is niet de taak van de ACM. Het is aan de gemeente of de bestuursrechter om dit te beoordelen. Daarvoor hebben destijds ook specifieke rechtsbeschermingswegen opengestaan. Ditzelfde geldt voor de vraag of de
vergunningen en het bestemmingsplan nog in lijn zijn met nieuwe regelgeving en of deze nieuwe regelgeving tot gevolg zou moeten hebben dat deze (onherroepelijke) besluiten niet in stand kunnen blijven en dienen te worden gewijzigd.
6.2.
Daarnaast vindt de ACM nader onderzoek niet doelmatig, omdat de uitvoering van het handhavingsverzoek een aanzienlijk beslag legt op de beperkte middelen die de ACM ter beschikking staan. BTV stelt dat de handelspraktijk oneerlijk is vanwege het gebrek aan informatie voor aspirant kopers, die nodig is voor het nemen van een geïnformeerd besluit over het kopen van een woning. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft BTV veel data en informatie - waaronder diverse studies en onderzoeken - overgelegd. Om dit alles op waarde te kunnen schatten en beoordelen, is specialistische kennis nodig. De ACM zou hiervoor kostbare experts moeten inschakelen omdat zij die kennis - bijvoorbeeld over de impact van geluidsoverlast op de gezondheid en de wijze waarop geluidsniveaus en geluidsoverlast worden berekend - niet zelf in huis heeft. Zonder deze specialistische kennis kan de ACM geen zelfstandig oordeel vormen over deze stukken en ook niet beoordelen of sprake is van een oneerlijke handelspraktijk door partijen.
7. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de door BTV ingediende
beroepsgronden of het bestreden besluit in stand kan blijven.
Beroepsgronden
8. BTV heeft het handhavingsverzoek gedaan omdat partijen volgens haar de Wet OHP hebben overtreden. In beroep beperkt zij zich op dat punt tot de door haar gestelde schending van de vereisten van professionele toewijding door de gemeente in de reclame-uitingen over de nieuwbouwprojecten in Wilderszijde. BTV stelt dat de ACM ten onrechte heeft nagelaten de mogelijke schending van de norm van professionele toewijding in de beoordeling te betrekken. BTV stelt dat het standpunt van de ACM dat nader onderzoek niet doeltreffend is, berust op onjuiste veronderstellingen. BTV vraagt iets anders dan waarvan de ACM uitgaat. Zij vraagt de ACM om te beoordelen of de gemeente haar actieve informatieplicht schendt en daarmee de vereisten van professionele toewijding door te zwijgen over de groeiplannen van RTHA, de actuele gecumuleerde geluidsbelasting en de impact op de leefsituatie en gezondheid in Wilderszijde. BTV heeft daarvoor alle relevante informatie aangereikt. De motivering dat nader onderzoek niet doelmatig is, schiet tekort. De ACM is in staat om de rapporten zelfstandig (zonder externe expertise) te beoordelen). BTV betoogt tot slot dat de ACM het prioriteringsbeleid onjuist heeft toegepast.
Wet OHP
9. De bepalingen uit Afdeling 3A van Titel 3 van Boek 6 BW (Wet OHP) zijn van toepassing op een handelaar. Een handelaar is iedere natuurlijke of rechtspersoon die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit, al dan niet mede via een andere persoon die namens hem of voor zijn rekening optreedt (artikel 6:193a, onder b, van het BW). De ACM stelt dat de aanprijzing van nieuwbouwwoningen met de intentie om deze te verkopen kwalificeert als een handelspraktijk [2] (artikel 6:193a, onder d, BW). Partijen kwalificeren zich, door het in gezamenlijkheid via de website www.thuisinwilderszijde.nl woningen te koop aan te bieden en te verkopen aan consumenten, als handelaar.
9.1.
Op grond van artikel 6:193b, eerste lid, van het BW handelt een handelaar onrechtmatig jegens een consument indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is.
Op grond van het tweede lid is een handelspraktijk oneerlijk indien een handelaar handelt: a.in strijd met de vereisten van professionele toewijding, en b. het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar is beperkt of kan worden beperkt, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen. Het derde lid bepaalt dat een handelspraktijk in het bijzonder oneerlijk is indien een handelaar: a. een misleidende handelspraktijk verricht als bedoeld in de artikelen 193c tot en met 193g, of b. een agressieve handelspraktijk verricht als bedoeld in de artikelen 193h en 193i.
Schending professionele toewijding?
10. Onder professionele toewijding wordt verstaan het normale niveau van bijzondere vakkundigheid en van zorgvuldigheid dat redelijkerwijs van een handelaar ten aanzien van consumenten mag worden verwacht, in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de voor die handelaar geldende professionele standaard en eerlijke marktpraktijken (artikel 6:193a, aanhef en onder f, van het BW).
11. De rechtbank stelt vast dat BTV zich met de gestelde schending van het vereiste van professionele toewijding uitsluitend richt tot de gemeente en niet ook tot de projectontwikkelaars. BTV motiveert de schending van de professionele toewijding door de gemeente - zoals ook ter zitting is toegelicht - uitsluitend met het aannemen van een wettelijke zorgplicht en een actieve informatieplicht van de gemeente. BTV heeft hiermee het oog op publiekrechtelijke normen die op de gemeente als overheid rusten. Hiermee miskent BTV dat het bij deze bepaling uit het BW gaat om optreden van de gemeente als handelaar en niet als overheid. Verder zijn er in de wet en in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten waaruit zou volgen dat de wetgever heeft bedoeld om normen uit het publiekrecht onder de bepaling professionele toewijding te laten vallen. Wat door BTV wordt gesteld maakt niet dat afwijzing van het handhavingsverzoek om die reden geen stand zou kunnen houden. Een optreden van de ACM zoals BTV dat wenst, zal (gelet op het prioriteringsbeleid) niet doeltreffend zijn.
Nader onderzoek niet doelmatig?
12. Dit betoog van BTV slaagt niet. Met wat onder 6.2 is weergegeven heeft de ACM voldoende toegelicht dat verder onderzoek of de gedragingen op de website in strijd zijn met de Wet OHP niet doelmatig is. De enkele stelling van BTV dat de aangehaalde rapporten zijn opgesteld om de Tweede Kamer respectievelijk het algemene publiek te informeren, zodat de ACM ook in staat is om deze rapporten zelfstandig (zonder externe expertise) te beoordelen, doet daar niet aan af. Informeren ziet immers op het delen van feiten of data zonder een inhoudelijk oordeel over de (onderliggende) stukken.
Prioriteringsbeleid onjuist toegepast?
13. Het prioriteringsbeleid maakt inzichtelijk op basis waarvan wordt geprioriteerd en welke keuzes de ACM daarbij maakt. De ACM voert daarbij een vooronderzoek uit. Daarin onderzoekt zij op basis van de aangeleverde aanwijzingen of en zo ja, welke overtredingen mogelijk zijn begaan en of, gelet op de prioriteringscriteria, prioriteit moet worden gegeven aan het handhavingsverzoek. Er zijn drie prioriteringscriteria:
I. De schadelijkheid van het gedrag waarop het verzoek of het signaal ziet voor het goed
werken van markten en het vertrouwen daarin van mensen en bedrijven;
II. Het maatschappelijk belang bij het optreden van de ACM;
III. In hoeverre de ACM in staat is doeltreffend en doelmatig op te treden.
14. BTV stelt – onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:10069 – dat de ACM haar prioriteringsbeleid niet juist heeft toegepast omdat zij niet alle drie de criteria in haar initieel onderzoek heeft betrokken. Dit betoog slaagt niet. In het prioriteringsbeleid is toegelicht dat het beleid geen optelsom is. Een handhavingsverzoek hoeft niet ‘hoog’ te scoren op alle criteria voordat een nader onderzoek wordt gestart, een hoge score op één criterium kan al voldoende zijn. Omgekeerd kan een lage score op één criterium aanleiding zijn om van nader onderzoek af te zien. In dit geval heeft de ACM het initieel onderzoek beperkt tot het criterium van doeltreffendheid en doelmatigheid. Dat is een andere situatie dan in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarnaar BTV verwijst omdat daarin wel alle drie de criteria waren beoordeeld maar de ACM dat onvoldoende kenbaar had gemotiveerd.
15. Nu het rechtsgevolg van het bestreden besluit is dat de ACM het handhavingsverzoek afwijst, is de rechtbank van oordeel dat - zij het gelet op onder 11 op andere gronden - het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek in stand blijft.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand blijft. BTV krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Traousis-van Wingaarden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Stcrt. 2023, 15184.
2.handelspraktijk: iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten.