Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3366

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
C/10/713116 / KG ZA 26-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming omgangsregeling tussen vader en minderjarige na eerdere beschikking

De rechtbank Rotterdam behandelde een kort geding over de nakoming van een omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige kind, vastgesteld bij beschikking van 3 december 2025. De vader vorderde dat de moeder de omgangsregeling naleeft, terwijl de moeder stelde dat nieuwe feiten en omstandigheden de omgang onverantwoord maken vanwege vermeende onveiligheid van het kind bij de vader.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen nieuwe feiten zijn die een herbeoordeling van de omgangsregeling rechtvaardigen. De stelling van de moeder over een lopend onderzoek door Veilig Thuis werd niet overtuigend geacht, mede omdat Veilig Thuis geen zorgen had gemeld aan de raad voor de kinderbescherming. De rechter benadrukte het belang van het contact tussen het kind en beide ouders voor een evenwichtige ontwikkeling.

De vordering van de vader tot nakoming van de omgangsregeling werd toegewezen, met een dwangsom van €50 per dag bij niet-naleving, met een maximum van €1000. De vordering van de moeder in reconventie, die neerkwam op een verkapt appel tegen de eerdere beschikking, werd afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot nakoming van de omgangsregeling toe en legt een dwangsom op, terwijl de vordering in reconventie wordt afgewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Familie
zaaknummer / rolnummer: C/10/713116 / KG ZA 26-25
Vonnis in kort geding van 23 februari 2026
in de zaak van
[naam man],
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. A.C. van 't Hek te Dordrecht,
tegen
[naam vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie
advocaat mr. J.T.M. Sengers te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van de man van 22 januari 2026;
  • de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van de vrouw van 4 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 februari 2026.
Daarbij zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A] .

2.De feiten

2.1.
Uit de vrouw is geboren de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige).
2.2.
De minderjarige is niet door de man erkend.
2.3.
Bij beschikking van 3 december 2025 is – voor zover hier van belang – de volgende omgangsregeling vastgesteld:
de minderjarige zal in het kader van de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht bij de man zijn als volgt:
  • om het weekend, inclusief twee nachten slapen van vrijdag 17:00 uur tot en met zondag 17:00 uur;
  • eens per week een contactmoment van een middag inclusief avondeten;
  • feestdagen en vakanties worden verdeeld bij helft, die ouders in onderling overleg verdelen;

3.Het geschil in conventie

3.1.
De man vordert:
I. dat de vrouw wordt gelast de omgangsregeling zoals uitgesproken bij beschikking van 3 december 2025 na te komen;
II. althans enige voorlopige voorziening te gelasten waardoor de vrouw wordt gedwongen de regeling, althans een deel daarvan, na te komen;
III. een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,- euro, per keer dat de vrouw enig deel van deze regeling niet nakomt, met een maximum van €10.000,- euro;
IV. waarbij in alle gevallen tevens – of anders – wanneer de vrouw niet vrijwillig meewerkt aan voornoemde regeling, wordt opgenomen dat de man gerechtigd is met hulp van de sterke arm, althans politie, in de ruimste zin des woords, deze regeling af te dwingen, althans de minderjarige op te halen bij de vrouw en/of een kennis of familielid van de vrouw, of een andere derde, aldus ook wanneer de kinderen bij iemand anders verblijven dan bij de vrouw zelf, op het moment suprême;
V. de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
De vrouw voert verweer

4.Het geschil in reconventie

4.1.
De vrouw vordert:
I. primair te bepalen dat de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige voorlopig wordt ontzegd, althans geschorst, zolang geen duidelijkheid bestaat over de veiligheid van de minderjarige, zulks als ordemaatregel;
II. te bepalen dat de man wordt veroordeeld in de kosten van de procedure van de vrouw;
III. subsidiair te bepalen dat omgang uitsluitend begeleid zal plaatsvinden door Enver, dan wel een vergelijkbare professionele instantie.
4.2.
De man voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De vorderingen in conventie en reconventie hebben betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk de omgangsregeling. Ze worden afzonderlijk besproken, omdat de vordering in reconventie op formele grond wordt afgewezen en niet inhoudelijk beoordeeld wordt. De vordering in conventie wordt wel inhoudelijk beoordeeld.
In conventie
5.2.
Spoedeisend belang
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de gevraagde voorzieningen. Er is geen uitvoering gegeven aan de omgangsregeling die de rechtbank eerder heeft vastgesteld. Er is geen omgang tussen vader en zoon en het ziet er niet naar uit dat die er gaat komen. Om die reden zal de voorzieningenrechter overgaan tot de materiële beoordeling.
5.3.
Omgangsregeling
5.3.1.
Het staat vast dat de minderjarige nu feitelijk bij de vrouw verblijft en dat er op dit moment geen contact is tussen hem en de man. De man wenst dat dit contact wordt hersteld, overeenkomstig de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2025. In die beschikking is bepaald dat er een omgangsregeling geldt tussen de minderjarige en de man.
5.3.2.
De vrouw heeft gesteld dat zij geen uitvoering kan en wil geven aan de genoemde beschikking, omdat er sindsdien sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die maken dat omgang onverantwoord is. Zij zegt dat de minderjarige niet veilig is bij de man. Zij voert aan dat de minderjarige is geslagen en dat er ook al tekenen zijn van andere fysieke grensoverschrijding. Zij heeft ter zitting een volledig gevulde ordner laten zien waarin zij bijhoudt om welke redenen de minderjarige niet veilig is bij de man.
5.3.3.
De vraag of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die maken dat er inhoudelijk een nieuwe beoordeling moet worden uitgevoerd van het recht op omgang wordt door de voorzieningenrechter ontkennend beantwoord. De vrouw heeft aangevoerd dat Veilig Thuis momenteel actief bezig is met een onderzoek en dat dit ten tijde van de vorige behandeling van de zaak niet zo was. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan deze stelling van de vrouw. Allereerst is Veilig Thuis – in tegenstelling tot wat de vrouw beweert – de vorige keer ook al aan bod gekomen. Daarnaast heeft de raad verklaard op dit moment niet bekend te zijn met zorgen vanuit Veilig Thuis, omdat Veilig Thuis geen zorgen heeft gemeld bij de raad. Hoewel toekomstige zorgen nooit zijn uitgesloten, is op dit moment niet aantoonbaar sprake van dermate grote en serieuze zorgen dat het recht op omgang niet meer zou bestaan. De voorzieningenrechter valt daarom terug op de beschikking van 3 december 2025, waarin uitvoerig is gemotiveerd hoe uitvoering kan worden gegeven aan het recht van de minderjarige op omgang met zijn vader. Het feit dat de vrouw heeft benoemd dat de minderjarige aan haar heeft verteld dat hij door zijn vader wordt geslagen, is een omstandigheid van vóór de beschikking van 3 december 2025. Dit maakt dat de voorzieningenrechter deze omstandigheid niet nogmaals zal beoordelen.
5.3.4.
De voorzieningenrechter heeft goed naar het relaas van de vrouw geluisterd. Ten aanzien van de hartgrondige overtuiging van de vrouw dat de minderjarige niet veilig is bij zijn vader zijn drie opties mogelijk:
  • de minderjarige heeft niet tegen de vrouw gezegd dat hij door zijn vader wordt geslagen en de vrouw vertelt dit verhaal op basis van eigen aannames;
  • de minderjarige heeft wel tegen de vrouw gezegd dat hij door zijn vader wordt geslagen en dit is ook gebeurd; of
  • de minderjarige heeft wel tegen de vrouw gezegd dat hij door zijn vader wordt geslagen, maar dit is niet gebeurd.
In álle gevallen is sprake van een ernstige situatie.
5.3.5.
De voorzieningenrechter benadrukt dat het in álle gevallen zeer belangrijk is dat de minderjarige leert hoe hij zich moet verhouden tot zijn beide ouders. Voorkomen moet worden dat de strijd tussen zijn ouders zijn levensloop gaat bepalen. De vrouw neemt een deel van de minderjarige af door tussen hem en zijn vader in te gaan staan. Daarbij is van belang dat de vrouw handelt vanuit een sterke overtuiging zonder dat daar feiten aan ten grondslag liggen. De vrouw is enorm gericht op het gedrag van de man, maar kijkt niet naar de vrijheid die de minderjarige nodig heeft om zich evenwichtig te ontwikkelen. Die vrijheid bestaat voor een kind uit de ruimte om te zijn wie hij is en zich te ontwikkelen aan de hand van de begeleiding en spiegeling door zijn beide ouders. Zoals de vrouw ter zitting desgevraagd aangaf, kent zij de man eigenlijk helemaal niet. De minderjarige stamt echter wel voor de helft van zijn vader af. Wanneer hij moet opgroeien zonder dat zijn vader toegankelijk is voor hem, maakt dat het leven heel moeilijk voor hem, omdat hij immers zichzelf zal moeten leren kennen zonder dat hij kent van wie hij afstamt. De man is niet perfect, zoals de vrouw dat ook niet is. Door te focussen op wat er allemaal niet goed zou zijn aan de man en daar veroordelend mee om te gaan, wordt de minderjarige onthouden wat hij nodig heeft om zich veilig te voelen in het leven: vertrouwen in zijn ouders en daarmee in anderen. De vrouw is enorm gebrand op wat er aan de man mankeert en heeft stukken in het geding gebracht van onder meer haar ouders en haar werkgever om aan te tonen dat zij zelf een goede moeder is. Inmiddels kan de vraag gesteld worden waar deze strijd nu eigenlijk over gaat. Dat de vrouw een goede moeder is, staat niet ter discussie; dat de man een goede vader is op dit moment ook niet. Het zou goed zijn dat de man en de vrouw met elkaar in gesprek gaan om tot gezamenlijkheid te komen waarmee zij recht kunnen doen aan de afstamming van de minderjarige die ook nog eens bepaald wordt door de diversiteit van culturen.
5.3.6.
Met de huidige insteek vreest de voorzieningenrechter dat de vrouw degene is die vroeger of later de prijs zal moeten betalen voor wat nu verloren dreigt te gaan. Dat kan zij voorkomen door de band tussen de minderjarige en de vader de ruimte te geven, zelfs al is dat beperkt.
5.4.
Dwangsom
5.4.1.
De vorderingen van de man ten aanzien van de dwangsom zullen door de voorzieningenrechter worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom – in afwijking van het door de man gevorderde bedrag – €50,- zal bedragen per dag dat de vrouw de omgangsregeling, zoals deze is vastgesteld bij beschikking van 3 december 2025, niet nakomt met een maximum van €1000,- euro.
5.4.2.
De voorzieningenrechter benadrukt dat het financiële aspect van de dwangsom van ondergeschikt belang is. Met de dwangsom wordt in de eerste plaats duidelijk gemaakt dat een beschikking van de rechter moet worden nagekomen. In de tweede plaats is het doel van de dwangsom om te benadrukken dat er ruimte móet komen voor de man in het leven van de minderjarige en dat het niet aan de vrouw is om naar eigen goeddunken te beslissen over het lot van de minderjarige.
In reconventie
5.5.
Zoals reeds overwogen heeft de rechtbank Rotterdam op 3 december 2025 een omgangsregeling vastgesteld tussen de minderjarige en de man. De vrouw is het overduidelijk niet eens met deze omgangsregeling, maar heeft tot op heden geen hoger beroep ingesteld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering van de vrouw in reconventie niet anders kan worden beschouwd dan als een verkapt appel. De beschikking van 3 december 2025 is niet optioneel: het is een rechterlijke beslissing die de vrouw moet naleven. Wanneer zij het daarmee niet eens is, moet zij hoger beroep instellen. In dit geval heeft zij afgewacht tot de man een kort gedingprocedure zou starten waarop zij met een vordering in reconventie is gekomen, feitelijk om de beschikking van 3 december 2025 aan te vechten. Dat is niet juist. Alleen al om deze reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vordering van de vrouw moet worden afgewezen.
5.6.
Proceskosten
Uitgangspunt in familiezaken is dat, gezien de relatie tussen partijen, de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In onderhavige zaak ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
gebiedt de vrouw om medewerking te verlenen aan de omgangsregeling, zoals vastgesteld door de rechtbank bij beschikking van 3 december 2025, waarbij de minderjarige bij de man verblijft:
  • om het weekend, inclusief twee nachten slapen van vrijdag 17:00 uur tot en met zondag 17:00 uur;
  • eens per week een contactmoment van een middag inclusief avondeten;
  • feestdagen en vakanties worden verdeeld bij helft, die ouders in onderling overleg verdelen;
6.2.
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van €50,- euro voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, met een maximum van €1000,- euro;
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.5.
wijst af het meer of anders verzochte;
in reconventie
6.6.
wijst af de vordering van de vrouw;
6.7.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Huizenga en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026