Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3369

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
C/10/714033 / JE RK 26-172 en C/10/714962 / JE RK 26-306
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft de verlenging van een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die momenteel verblijft bij zijn oma en tante. De kinderrechter heeft op 4 maart 2026 de verzoeken van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond behandeld. De ouders hebben het ouderlijk gezag, maar het lukt hen niet om een structurele omgang met de minderjarige te realiseren.

Tijdens de zitting, waarbij de moeder niet aanwezig was maar wel vertegenwoordigd, is vastgesteld dat het verblijf bij de oma en tante overwegend goed verloopt. Er zijn echter nog steeds zorgen over het welzijn van de minderjarige, met name vanwege zijn schoolverzuim en de verstoorde familieverhoudingen. De GI benadrukt het belang van een duidelijk perspectief voor de minderjarige, bij voorkeur voor het begin van het nieuwe schooljaar.

Alle betrokkenen, inclusief ouders en familieleden, stemmen in met de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter acht de verlenging noodzakelijk en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd tot 14 april 2027, waarmee het verblijf bij de familie wordt voortgezet.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot 14 april 2027.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/714033 / JE RK 26-172 en C/10/714962 / JE RK 26-306
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
met betrekking tot de minderjarige
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. K. el Joghrafi, kantoorhoudende in Hoogvliet Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. G.E. van der Pols, kantoorhoudende te Rotterdam,
[oma vaderszijde],
hierna te noemen: de oma vaderszijde (vz), wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.H.P. Feiner, kantoorhoudende te Rotterdam.
[tante vaderszijde],
hierna te noemen: de tante vaderszijde (vz), wonende in [woonplaats 1] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 28 januari 2026, ontvangen op diezelfde datum, ingeschreven onder zaaknummer C/10/714033 / JE RK 26-172;
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 13 februari 2026, ontvangen op diezelfde datum, ingeschreven onder zaaknummer C/10/714962 / JE RK 26-306.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de advocaat van de moeder;
  • de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI;
  • de oma (vz) met haar advocaat;
  • de tante (vz).
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft de oma (vz) en de tante (vz).
2.3.
Bij beschikking van 12 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 14 april 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de oma (vz) en de tante (vz) verleend tot 12 maart 2026.

3.De verzoeken

Het verzoek met zaaknummer C/10/714033 / JE RK 26-172
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van twee maanden en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het verzoek met zaaknummer C/10/714962 / JE RK 26-306
3.2.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin te verlengen, met ingang van 14 april 2026 voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft de verzoeken tijdens de mondelinge behandeling en licht dit – onder verwijzing naar de verzoekschriften – nader toe. [voornaam minderjarige] verblijft bij de oma (vz) en de tante (vz), waar het overwegend goed met hem gaat. De ouders hebben allebei een nieuw gezin. Zij hebben omgang met [voornaam minderjarige] , maar het lukt hen nog niet om deze omgang structureel te laten plaatsvinden. Of [voornaam minderjarige] weer terug kan naar (één van) de ouders, moet blijven bij de oma (vz) en de tante (vz) of beter kan worden overgeplaatst naar een andere plek, is nog onduidelijk. Om het perspectief van [voornaam minderjarige] [1] verder te kunnen onderzoeken is van belang dat de ouders zich gaan inzetten om de omgang met [voornaam minderjarige] wel structureel te laten plaatsvinden. Ook dienen de onderlinge verhouding en communicatie tussen de moeder, de vader en de andere familieleden te verbeteren. De GI heeft op dit moment nog geen tijdsindicatie voor het verloop van het perspectiefonderzoek van [voornaam minderjarige] , maar het perspectief van [voornaam minderjarige] dient in ieder geval voor het begin van het nieuwe schooljaar duidelijk te zijn.
4.2.
Namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het verzoek van de GI. Een terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij (één van) de ouders is op dit moment niet mogelijk. De moeder heeft in het belang van [voornaam minderjarige] een stap teruggedaan en de ingewikkelde familiedynamiek maakt het lastig om hierin weer stappen vooruit te zetten. De moeder is het ermee eens dat het perspectief van [voornaam minderjarige] zo snel mogelijk duidelijk moet zijn. Hoe langer de onduidelijkheid voortduurt, hoe lastiger de situatie voor alle betrokken partijen wordt.
4.3.
Door en namens de vader wordt tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het verzoek van de GI. Het verblijf van [voornaam minderjarige] bij de oma (vz) en de tante (vz) verloopt positief. De vader is het ermee eens dat het perspectief van [voornaam minderjarige] zo snel mogelijk duidelijk moet zijn. De ouders moeten daarom de tijd nemen om te groeien en om zichzelf verder te ontwikkelen.
4.4.
Door en namens de oma (vz) wordt tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het verzoek van de GI. [voornaam minderjarige] is zolang als dat nodig is welkom bij de oma (vz), maar er moet wel zo snel mogelijk – in ieder geval voor het begin van het nieuwe schooljaar – duidelijkheid komen over waar hij verder zal opgroeien en waar hij naar school kan gaan. De tante (vz) ondersteunt de oma (vz) bij de verzorging en de opvoeding van [voornaam minderjarige] , maar zij moet uiteindelijk ook de kans krijgen om op zichzelf te gaan wonen. De onduidelijkheid over het perspectief van [voornaam minderjarige] wordt voor alle familieleden, maar vooral voor [voornaam minderjarige] , steeds ingewikkelder. Er kan niet steeds worden gewacht op de inzet van de ouders. Het belang van [voornaam minderjarige] dient voorop te staan.
4.5.
De tante (vz) stemt tijdens de mondelinge behandeling in met het verzoek van de GI. Zij maakt zich zorgen om de schoolgang van [voornaam minderjarige] . [voornaam minderjarige] wil heel graag weer naar school, maar het lukt niet. Het is belangrijk dat hierin de aankomende periode stappen worden gezet. Ook moet het perspectief van [voornaam minderjarige] zo snel mogelijk duidelijk zijn.

5.De beoordeling

5.1.
Zoals uit het voorgaande blijkt, wordt er geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Ook de kinderrechter is het er mee eens dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing bij oma (vz) en tante (vz) worden voortgezet. Hij licht dat als volgt toe.
5.2.
Er bestaan nog steeds zorgen om het welzijn en de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . Deze zorgen zijn gelegen in de kind eigen problematiek en de verstoorde relatie tussen de ouders en andere betrokken familieleden. [voornaam minderjarige] gaat niet naar school en er is sprake van veel onrust. De betrokkenheid van de GI is nog steeds nodig om hierin passende stappen te zetten. Zo moet voor [voornaam minderjarige] passende hulpverlening worden ingezet, moet worden bekeken waar en op welke manier [voornaam minderjarige] weer naar school kan gaan en moet worden onderzocht waar [voornaam minderjarige] het beste verder kan opgroeien. De kinderrechter acht het van groot belang dat hierover zo snel mogelijk, maar in ieder geval voor het begin van het nieuwe schooljaar, meer duidelijkheid bestaat. Een terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij (één van) de ouders is in de tussentijd niet aan de orde. Het verblijf van [voornaam minderjarige] bij de oma (vz) en de tante (vz) dient daarom voor nu te worden gecontinueerd.
5.3.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [2] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [3]
5.4.
De GI heeft verzocht om eerst de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van twee maanden (zaaknummer C/10/714033 / JE RK 26-172), en vervolgens zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar (zaaknummer C/10/714962 / JE RK 26-306). De kinderrechter kan de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in zaaknummer C/10/714033 / JE RK 26-172 enkel verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Hij zal deze machtiging daarom verlengen tot 14 april 2026. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in zaaknummer C/10/714962 / JE RK 26-306 vervolgens verlengen voor de duur van een jaar.
5.5.
Het gecombineerde effect van deze beslissingen is dat de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing voortduren tot 14 april 2027. Voor de uithuisplaatsing betekent dit effectief een verlenging van iets meer dan één jaar. Dit is op zitting met de betrokkenen besproken en daar is geen bezwaar tegen gemaakt.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Ten aanzien van het verzoek met zaaknummer C/10/714033 / JE RK 26-172
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de oma (vz) en de tante (vz), met ingang van 12 maart 2026 tot 14 april 2026;
6.2.
wijst af het meer of anders verzochte;
Het verzoek met zaaknummer C/10/714962 / JE RK 26-306
6.3.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 14 april 2027;
6.4.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de oma (vz) en de tante (vz), met ingang van 14 april 2026 tot 14 april 2027;
In beide zaken
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 door mr. N. Doorduijn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 23 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Met ‘het perspectief van [voornaam minderjarige] ’ wordt bedoeld dat er duidelijkheid moet komen over de vraag bij wie hij in de toekomst zal verblijven, wie hem zal opvoeden en wat de rol van zijn ouders en andere familieleden daarbij is.
2.Artikel 1:260 BW Pro.
3.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.