Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3377

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
C/10/715021 / JE RK 26-313
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen voor zes maanden. De kinderen wonen bij hun moeder, die het ouderlijk gezag heeft. De ondertoezichtstelling was eerder vastgesteld tot 1 april 2026.

Tijdens de zitting gaf de GI aan dat er geen vaste jeugdbeschermer betrokken was geweest en dat de ouders zelf positieve stappen hadden gezet in hun onderlinge communicatie en afspraken, hoewel deze nog pril waren. De ouders, vertegenwoordigd door hun advocaten, stelden dat de situatie verbeterd is, het contact tussen vader en kinderen positief verloopt en dat er geen ernstige ontwikkelingsbedreiging meer is. Zij gaven aan open te staan voor vrijwillige hulpverlening zonder betrokkenheid van de GI.

De kinderrechter concludeerde dat er het afgelopen jaar weinig is gebeurd binnen de ondertoezichtstelling, maar dat de ouders zelfstandig de grootste zorgpunten hebben opgepakt. Gezien het herstel van het contact en de openheid voor vrijwillige hulpverlening, is er geen sprake meer van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Daarom werd het verzoek tot verlenging afgewezen. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen is afgewezen wegens het ontbreken van een ernstige ontwikkelingsbedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/715021 / JE RK 26-313
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A. Apistola, kantoorhoudende te Zwijndrecht,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 15 februari 2026, ontvangen op 16 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 1 april 2025 heeft de kinderrechter [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 1 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling. De afgelopen periode is voor het gezin geen vaste jeugdbeschermer betrokken geweest, de vertegenwoordiger van de GI zou de vaste jeugdbeschermer gaan worden, maar ziet ouders vandaag voor het eerst. De ouders hebben, zonder de betrokkenheid van een vaste jeugdbeschermer, zelf positieve stappen gezet. Zij hebben onderling weer contact en er zijn afspraken gemaakt, maar deze afspraken zijn nog wel pril. De GI blijft graag nog wat langer betrokken, om de situatie te monitoren.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling primair verzocht het verzoek van de GI af te wijzen en subsidiair verzocht om het verzoek voor maximaal drie maanden toe te wijzen en het overig verzochte aan te houden. Binnen de ondertoezichtstelling van de kinderen is het afgelopen jaar weinig gebeurd. Er was geen vaste jeugdbeschermer voor het gezin beschikbaar, waardoor slechts twee huisbezoeken hebben plaatsgevonden en waardoor het traject van Enver niet van de grond is gekomen. Eind 2025 is er een omslag geweest in de communicatie tussen de vader en moeder. Zij hebben veel uren gebeld en hebben in het belang van de kinderen afspraken gemaakt. De onderlinge communicatie tussen de ouders is sterk verbeterd en de grootste zorg - het ontbreken van contact tussen de vader en de kinderen - hebben de vader en de moeder samen opgepakt. Er is geen sprake meer van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. De vader en moeder staan open voor de inzet van hulpverlening en begeleiding binnen het vrijwillig kader als dat nodig zou zijn. Zij moeten een kans krijgen om samen, zonder de betrokkenheid van de GI, verdere positieve stappen te zetten. De betrokkenheid van een vaste jeugdbeschermer zou in de situatie alleen maar voor spanning zorgen, ook voor de kinderen.
4.2.
Door de vader wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. De afgelopen periode is het de vader en de moeder, zonder tussenkomst van de GI, gelukt om de onderlinge communicatie te verbeteren en contactmomenten tussen de vader en de kinderen te laten plaatsvinden. De afgelopen contactmomenten tussen de vader en de kinderen verliepen positief. [voornaam minderjarige 1] heeft veel gemerkt van de spanningen tussen de vader en moeder, maar de vader heeft hierover met [voornaam minderjarige 1] gesprekken gevoerd en afgesproken dat bij de planning van de contactmomenten met haar wordt overlegd. Het is belangrijk dat de kinderen leren om zelfstandig keuzes te maken. De vader vertrouwt erop dat het de vader en de moeder zelfstandig lukt om positieve stappen te blijven zetten. Hij begrijpt wel dat de ondertoezichtstelling hierbij als een vangnet kan werken, maar dit is niet langer nodig. Het vertrouwen in de hulpverlening is beschadigd en de ondertoezichtstelling brengt spanning met zich mee, wat ook te merken is bij de kinderen.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat binnen de ondertoezichtstelling van de kinderen het afgelopen jaar weinig is gebeurd. Het gezin heeft lang op de wachtlijst gestaan voor de inzet van hulpverlening en er was geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar. De grootste zorg - het ontbreken van contact tussen de vader en de kinderen - hebben de vader en de moeder zelfstandig opgepakt en verloopt tot nu toe positief. Het contact tussen de vader en de moeder is hersteld en beide staan waar nodig open voor vrijwillige hulpverlening. De kinderrechter vertrouwt erop dat de ouders samen, zonder de betrokkenheid van de GI, verdere positieve stappen zullen zetten.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat er geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] en dat dus niet voldaan wordt aan de vereisten voor een ondertoezichtstelling [1] . Het verzoek van de GI zal daarom worden afgewezen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder en E.G.H. Kerr als griffiers, en op schrift gesteld op 26 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260, eerste lid, BW in samenhang met artikel 1:255, eerste lid, BW.