De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen voor zes maanden. De kinderen wonen bij hun moeder, die het ouderlijk gezag heeft. De ondertoezichtstelling was eerder vastgesteld tot 1 april 2026.
Tijdens de zitting gaf de GI aan dat er geen vaste jeugdbeschermer betrokken was geweest en dat de ouders zelf positieve stappen hadden gezet in hun onderlinge communicatie en afspraken, hoewel deze nog pril waren. De ouders, vertegenwoordigd door hun advocaten, stelden dat de situatie verbeterd is, het contact tussen vader en kinderen positief verloopt en dat er geen ernstige ontwikkelingsbedreiging meer is. Zij gaven aan open te staan voor vrijwillige hulpverlening zonder betrokkenheid van de GI.
De kinderrechter concludeerde dat er het afgelopen jaar weinig is gebeurd binnen de ondertoezichtstelling, maar dat de ouders zelfstandig de grootste zorgpunten hebben opgepakt. Gezien het herstel van het contact en de openheid voor vrijwillige hulpverlening, is er geen sprake meer van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Daarom werd het verzoek tot verlenging afgewezen. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag.