ECLI:NL:RBROT:2026:3379

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
FT RK 25/2073 en FT RK 25/2074
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FaillissementswetNVVK-norm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing dwangakkoord bij nulaanbod in schuldenregeling ondanks weigering schuldeiser

Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers waarbij geen uitkering aan schuldeisers plaatsvindt (nulaanbod). Vier van de vijf schuldeisers stemden in, maar Sterkliniek, met een vordering van 41,6% van de totale schuld, weigerde mee te werken. Verzoekster vroeg de rechtbank Sterkliniek te bevelen in te stemmen met de regeling op grond van artikel 287a Faillissementswet.

De rechtbank stelde vast dat het aanbod was gebaseerd op de NVVK-norm en dat verzoekster een Participatiewet-uitkering ontvangt met een ontheffing van sollicitatieplicht vanwege therapie. Er is geen zicht op verbetering van haar afloscapaciteit en geen vermogen om schuldeisers te betalen. De regeling is getoetst door een onafhankelijke partij en goed gedocumenteerd.

Sterkliniek voerde aan dat het verzoek tegen een onjuiste partij was gericht en dat de vordering noodzakelijk was, maar verscheen niet ter zitting. De rechtbank oordeelde dat het belang van verzoekster bij een schuldenvrije toekomst zwaarder weegt dan het belang van Sterkliniek bij volledige betaling. Het verzoek tot dwangakkoord werd toegewezen en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank beveelt Sterkliniek in te stemmen met het nulaanbod schuldregeling en wijst het subsidiaire verzoek tot schuldsanering af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 5 maart 2026
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 19 november 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeisers, te weten:
- Sterkliniek (AniCura), in behandeling bij MediCas B.V. (hierna: Sterkliniek);
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Medicas B.V. heeft voorafgaand aan de zitting op 14 januari 2026 de rechtbank namens Sterkliniek een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 26 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij de Gemeente Nissewaard (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw W.A. Balgobind, werkzaam bij Fresh Start Bewindvoering (hierna: beschermingsbewindvoerder).
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Schuldhulpverlening heeft op 2 maart 2025 aan de rechtbank aanvullende stukken overgelegd.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift vijf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 9.532,05 van verzoekster te vorderen.
Verzoekster heeft bij brief van 20 oktober 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, die inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en waarbij aan de schuldeisers verzocht wordt de betreffende schulden kwijt te schelden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster heeft een ontheffing van de sollicitatieverplichting overgelegd over de periode 30 juni 2025 tot en met 29 december 2025. Uit de aanvullende stukken van schuldhulpverlening blijkt dat verzoekster niet opnieuw is ontheven van haar sollicitatieverplichting. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij – gedurende nog enige tijd – bezig zal zijn met het volgen van therapie. Dit verhaal wordt bevestigd door de werkadviseur. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij niet verwacht dat de afloscapaciteit van verzoekster binnen afzienbare tijd zal toenemen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan.
Vier schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Sterkliniek stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 3.966,22 op verzoekster, welke 41,6% van de totale schuldenlast beloopt.

3.Het verweer

In haar verweerschrift heeft Sterkliniek zich op het standpunt gesteld dat het verzoekschrift tegen een onjuiste partij is gericht. Sterkliniek is een dierenarts en heeft een vordering op verzoekster uit hoofde van een verleende diergeneeskundige zorg, zijnde kosten die naar hun aard noodzakelijk en niet uit te stellen waren. Verzoekster heeft bij de Sterkliniek een onjuiste naam opgegeven, waardoor Sterkliniek de mogelijkheid is ontnomen om het (eventuele) beschermingsbewind te controleren in de openbare registers. Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt door verzoekster dat het aangeboden akkoord – zijnde het nulaanbod – het maximaal haalbare is. De vordering aan Sterkliniek is niet te goeder trouw ontstaan.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Sterkliniek geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling niet voorziet in een uitkering, staat het belang van Sterkliniek bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Sterkliniek in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Sterkliniek een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 41,6%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk vier van de vijf schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Gemeente Nissewaard. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster inkomsten uit een Participatiewet-uitkering ontvangt. Verzoekster heeft een ontheffing van de sollicitatieverplichting overgelegd over de periode 30 juni 2025 tot en met 29 december 2025. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat verzoekster de komende periode nog bezig zal zijn met het volgen van therapie. Dit wordt ook bevestigd door haar werkadviseur. Voldoende aannemelijk is geworden dat de afloscapaciteit van verzoekster niet binnen afzienbare tijd zal toenemen. Voorts is ter onderbouwing van het verzoek een vtlb-berekening aangeleverd, waaruit blijkt dat verzoekster onder de huidige omstandigheden geen afloscapaciteit heeft. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster in de komende periode geen afloscapaciteit zal verkrijgen. Daarnaast is niet gebleken dat verzoekster over vermogensbestanddelen beschikt die waarde zouden kunnen opleveren voor de schuldeisers.
Uit het bovenstaande vloeit ook voort dat er geen reëel perspectief is op afloscapaciteit binnen een wettelijke schuldsaneringsregeling, zoals subsidiair verzocht. Dat betekent dat ook in de situatie dat de schuldsaneringsregeling (eventueel met een eerdere ingangsdatum) op verzoekster van toepassing zou zijn, er geen vooruitzicht is op een uitdeling aan de schuldeisers. Dat terwijl toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich brengt, bestaande uit onder meer salaris voor de bewindvoerder en griffierecht. De verwachting is dat een groot deel van de wsnp-gerelateerde kosten ten laste van de Staat zouden moeten komen.
Gelet op die omstandigheden en het belang van verzoekster bij een schuldenvrije toekomst, dient het belang van verzoekster in dit geval naar het oordeel van de rechtbank te prevaleren boven het belang van Sterkliniek.
Het verzoek om Sterkliniek te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Sterkliniek zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt Sterkliniek om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Sterkliniek in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.